Veel regen in stroomgebieden, sterke stijging waterstanden
Precies op de maandwissel is het weerbeeld weer sterk veranderd. Nadat maart erg droog verliep, na een zeer natte februari, is april ook weer uit een ander vaatje gaan tappen. De komende week gaat zeer nat verlopen, met lokaal in de stroomgebieden tot 10 cm neerslag. Dat is voldoende voor een sterke stijging van de waterstanden. In het waterbericht leest u hoe ver de waterstanden oplopen en of het natte weer na volgende week nog langer aanhoudt.
In de rubriek water inzicht een analyse van het neerslagoverschot cq. -tekort. Vanaf 1 april wordt het neerslagtekort weer bijgehouden, maar dit jaar bouwde het tekort zich ook in maart al flink op. Dit is een trend die al langer zichtbaar is in het verloop van neerslag en verdamping.
water van de week
Westelijke circulatie trekt nog eenmaal flink aan en brengt veel regen in de komende week
De maand maart verliep uitzonderlijk droog en zonnig. Dit werd veroorzaakt door hogedrukgebieden die de hele afgelopen maand de wind uit oostelijke richtingen lieten waaien. Precies op de maandwissel kwam hieraan een abrupt einde toen een klein lagedrukgebied, gevuld met zeer koude lucht, over Nederland naar het zuiden trok.
De grootschalige luchtstroming is daarmee ook veranderd en de komende dagen stelt zich een strakke westelijke circulatie in waarmee een aantal lagedrukgebieden vanaf de Atlantische Oceaan ten noorden van Nederland langs gaan trekken. Het lijkt allemaal wel wat op de periode in februari toen er 3 stromen kort na elkaar over trokken. Toen hadden we ook te maken met een westelijke stroming en naast wind brengt dat doorgaans ook veel regen naar de stroomgebieden.
Vandaag en morgenochtend blijft het nog grotendeels droog, maar later op maandag trekt het eerste regengebied over Nederland en later over de stroomgebieden. Op dinsdag en woensdag volgen nog meer, niet al te grote regengebieden. Op donderdag en vrijdag volgen weer nieuwe regengebieden, maar zoals het er nu naar uitziet zijn die veel actiever met grote hoeveelheden regen in de stroomgebieden. Tot en met zaterdag kan er lokaal in de Middelgebergten (Ardennen, Eiffel etc.) 8 tot 10 cm regen vallen.
Na zaterdag verschuift de luchtstroming wat meer naar het zuidwesten en kan zich boven centraal Europa weer een hogedrukgebied ontwikkelen dat de neerslag enkele dagen op afstand gaat houden. Het volgen dan een paar droge dagen, zodat de waterstanden na een paar dagen flink gestegen zijn, ook weer wat zullen dalen.
Het is nu nog niet duidelijk hoe lang dit hogedrukgebied invloed blijft houden op het weer, maar het ziet er niet naar uit dat de week vanaf 10 april ook weer heel nat gaat verlopen. Een langere stijging van de waterstanden lijkt er daarom niet in te zitten, maar aan de langdurig lage waterstanden komt voorlopig zeker een eind.
Rijn stijgt vanaf het eind van de week, mogelijk naar 12 m+NAP
De Rijn bereikte in de loop van de afgelopen week een zeer lage stand van 7,63 m +NAP. Het is vooral de tijd van het jaar die hierbij opvalt, want meestal zijn de waterstanden aan het eind van de winter in de rivieren juist vrij hoog. De zeer droge maand maart veroorzaakte echter dat de waterstand vanaf eind februari in een glijvlucht naar beneden ging tot op dit zeer lage niveau.
De laagste stand ooit in deze tijd van het jaar betekent echter niet dat er ook minder water dan ooit door de Rijn werd afgevoerd. De lage stand wordt namelijk ook veroorzaakt door het feit dat de rivierbodem van de Rijn steeds verder uitslijt. Er wordt al sinds de rivier 150 jaar geleden met kribben is vastgelegd, door de Rijn meer zand weggevoerd vanaf de bodem dan dat er wordt aangevoerd en het netto resultaat is daarom dat de bodem met zo'n 1 tot 2 cm per jaar daalt.
Er past daarom steeds meer water in de bedding bij een zelfde waterstand en deze lage stand is daarom niet de kleinste hoeveelheid die ooit door de Rijn in deze tijd van het jaar is doorgevoerd. Nu voerde de Rijn op het dieptepunt ongeveer 1170 m3/s af, terwijl de recordwaarden (1921 en 1972) nabij 800 m3/s liggen. Omdat de afvoer aan het begin van de maand nog relatief hoog was, is het gemiddelde over de hele maand uitgekomen op ca 1.700 m3/s, 65% van het langjarig gemiddelde.
Deze zeer lage waarden zullen we overigens snel gaan vergeten, want er komt een flinke stijging aan de komende dagen. Dinsdag bereikt de eerste neerslag het stroomgebied en samen met wat smeltwater dat dan beschikbaar komt vanaf de hogere delen van de Middelgebergten, gaat de Rijn vanaf woensdag stijgen in Midden Duitsland. Vanaf donderdag 7/4 komt het eerste water hiervan bij Lobith aan en tegen die tijd zal de waterstand bij Lobith zich iets boven de 8 m bevinden en de afvoer bedraagt dan ongeveer 1.400 m3/s.
Eerst gaat de stand met ca 25 cm per dag omhoog, maar vanaf zaterdag 9/4 volgt een sneller stijging. Op donderdag en vrijdag aanstaande valt namelijk de meeste regen en als dat uit komt, dan kan de Rijn vooral in het komend weekend snel stijgen; naar boven de 11 m+NAP, misschien zelfs wel 12m rond 12 of 13 april. De afvoer zou dan opgelopen zijn tot rond de 4.000 m3/s. De regen moet nog vallen, dus het blijft nog even afwachten, maar een flinke stijging lijkt er wel aan te komen.
Wat de neerslag betreft lijkt het vanaf zaterdag eerst een paar dagen droog te worden en als dat uit komt, dan gaat de waterstand vanaf 14 of 15 april ook weer dalen. Maar net zoals nu nog niet duidelijk is hoeveel regen er gaat vallen, moeten we ook nog afwachten of deze droge periode er inderdaad komt.
De komende dagen zal ik zo nu en dan via Twitter de stand van zaken doorgeven. Mocht er een echt hoogwater in aantocht zijn, met een waterstand boven de 13,5 m+NAP, dan volgt er een apart hoogwaterbericht.
Maas klimt uit het dal
In het stroomgebied van de Maas was in maart ook geen regen gevallen en daarom is de afvoer bij Maastricht de hele maand gedaald. Uiteindelijk bedroeg de afvoer er nog maar 120 m3/s, wat slechts 1/3e is van de gemiddelde hoeveelheid in deze tijd van het jaar. Gemiddeld over de hele maand maart bedroeg de afvoer 215 m3/s, wat ongeveer de helft is van het langjarig gemiddelde.
Ook bij de Maas zal de afvoer nu niet verder meer dalen. Vanaf afgelopen donderdag is er al weer wat neerslag gevallen in de Ardennen, maar dat was nog maar net voldoende om de afvoer niet verder te laten dalen. Meer regen wordt vanaf maandagavond verwacht en tot en met woensdag passeren er dan al wat kleinere regengebieden. Deze brengen voldoende regen voor een lichte stijging naar ca 200 m3/s op donderdag 7/4.
Vanaf donderdag gaat het dan 2 dagen flink door regenen in de Ardennen en er kan in die 2 dagen z'n 5 tot 6 cm regen vallen. Dat is veel voor 2 dagen na elkaar en dit zal zeker leiden tot een flinke stijging; mogelijk naar 750 of zelfs 1.000 m3/s. De hoogste afvoer in de Maas verwacht ik dan op zondag 10 april. Net als bij de Rijn is het nog even afwachten of er inderdaad zoveel regen gaat vallen. Later in de week is hierover meer duidelijkheid te geven. Volg hiervoor mijn berichten via Twitter.
water inzicht
Rond deze tijd van het jaar schakelt het neerslagoverschot over op een neerslagtekort
Vanaf 1 april start traditiegetrouw het zomerhalfjaar en dat is ook de periode dat het KNMI melding maakt van het zogenaamde neerslagtekort. Dit tekort wordt bepaald door de dagelijkse verdamping af te trekken van de hoeveelheid neerslag die er valt. Als er 5 mm regen valt en er verdampt 6 mm dan bouwt het tekort op met 1 mm. Tot en met eind september wordt dit bijgehouden en in droge zomers kan het tekort dan opgelopen zijn tot ca 300 mm. In een gemiddeld jaar gaat het om ca 100 mm.
Nu verdampt er ook water buiten het zomerhalfjaar en de afgelopen maand maart bijvoorbeeld bedroeg de verdamping zelfs bijna 60 mm. En omdat er slechts 15 mm regen is gevallen, wass er ook al een flink neerslagtekort. Nu was dit een uitzonderlijke maand, want in een gewone maartmaand is er juist sprake van een neerslagoverschot.
In de figuur hieronder is van alle maanden van het jaar de gemiddelde hoeveelheid regen (in blauw) en verdamping (in oranje onder de streep) weergegeven (berekend over 30 jaar). In januari en februari is de verdamping nog maar klein en is er een groot neerslagoverschot; met de zwarte lijn is dat aangegeven. In maart valt er nog wel veel neerslag, maar neemt ook de verdamping gemiddeld al flink toe. De bijdrage aan het neerslagoverschot nmeemt dan nog toe, maar de zwarte lijn daalt al wel.
April is de eerste maand met een netto tekort (meer verdamping dan neerslag) en de zwarte streepjeslijn daalt daarom onder nul. Van mei t/m juli is er gemiddeld een neerslagtekort, maar in augustus komt de som van neerslag en verdamping al weer op nul uit. In augustus is er nog wel vrij veel verdamping, maar dit is gemiddeld ook een vrij natte maand. In de herfstmaanden valt er gemiddeld weer steeds meer neerslag dan er verdampt en neemt het overschot weer toe.
Jaarverloop tekort:overschot.png

Zoals ik hierboven al schreef wordt het neerslagtekort bepaald over de periode van 1/4 t/m 30/9. Als we nu de andere helft van het jaar daar vooraf meenemen in de analyse dan krijgen we het verloop van 1 oktober t/m 30 september (zie de grafiek hierna). Het gaat hierbij wederom om het gemiddelde van de afgelopen 30 jaar; zoals dat gebruikelijk is bij klimaatgrafieken. De grafiek laat zien dat vanaf oktober er gemiddeld veel meer regen valt dan verdampt. Iedere maand loopt het overschot op met zo'n 5 tot 7 cm en aan het eind van de winter is het overschot opgelopen tot ca 330 mm. Dat betekent dat als er geen water zou worden afgevoerd of in de bodem weg zou zakken er na de winter zo'n 33 cm water zou staan op het land.
Jaarverloop laatste 30 jr.png

Vanaf 1 april krijgt dan de verdamping de overhand en gaat het overschot weer dalen. De daling is vooral in april en mei vrij groot en in de loop van augustus wordt dan het laagste punt bereikt. Tegen die tijd is er weer zo'n 10 cm meer verdampt dan er aan neerslag is gevallen. Al met al valt er in Nederland dus veel meer regen dan er verdampt en zelfs in extreem droge zomers is de verdamping veelal nog kleiner dan het overschot van de winter ervoor.
De hier getoonde gegevens zijn trouwens van de Bilt en dit is een vrij natte plaats in Nederland. In het zuidoosten van het land is het neerslagoverschot na de winter gemiddeld kleiner (ca 25 cm) en is de kans op een neerslagtekort over de hele periode van 12 maanden dan ook groter. De verdamping wordt in de Bilt sinds 1957 bijgehouden en sindsdien is het klimaat in Nederland flink veranderd. In de volgende grafiek heb ik naast het 30-jarig gemiddelde van de laatste 30 jaar uit de meetreeks ook het 30-jarig gemiddelde van de eerste 30 jaar (1957-1986) weergegeven.
Jaarverloop eerste en laatste 30 jr.png

Er vallen in deze grafiek een paar zaken op:
1. Het neerslagoverschot aan het einde van de winter is groter geworden. De winters in Nederland zijn de laatste decennia natter en dat vertaalt zich in een ca 5 cm groter overschot. De verdamping in de winter is ook wel wat groter geworden, maar dat weegt nbiet op tegen de toename in neerslag.
2. Het neerslagtekort in de zomer is ook groter geworden en het resultaat hiervan is dat in de zomermaanden het eerder opgebouwde overschot weer precies wordt weggewerkt. Netto is het overschot rond half augustus dus niet veranderd.
3. De datum dat het overschot omslaat in het tekort is ca 3 weken naar voren geschoven. Werd vroeger halverwege april het maximum in het overschot bereikt, tegenwoordig is dat al rond 25 maart. Het droge seizoen begint tegenwoordig dus 3 weken eerder dan zo'n 40 jaar geleden.
In de grafiek hierna tenslotte is de verandering in het verloop van het neerslagoverschot nog wat nauwkeuriger in beeld gebracht. Over de hele meetperiode waarin de verdamping voor De Bilt is gemeten, zijn er 4 klimaatperioden van 30 jaar te onderscheiden: 1961-1990, 1971-2000, 1981-2010 en 1991-2020. De lijnen van deze 4 perioden zijn hieronder in één grafiek afgebeeld.
Verloop in jaarverloop.jpg

Het verloop van de lijnen is een bevestiging van wat we hierboven al in de eerdere figuur zagen. Het neerslagoverschot wordt iedere volgende periode langzaam steeds wat hoger en schuift ook steeds wat verder naar voren. Wat verder opvalt is dat vooral de maand februari in het hoger worden van de grafiek een belangrijke rol speelt. Tot 1 februari lopen de 4 lijnen namelijk nog niet zo heel ver uiteen, om daarna sterk uit te waaieren. Ook in maart neemt het verschil vervolgens nog wat toe. Van de wintermaanden zijn het vooral februari en in minder emate maart die natter zijn geworden.
In het verdere jaarverloop gaan de lijnen allemaal dalen en lopen ze ook weer naar elkaar toe en dit gaat opvallend snel. Het extra overschot dat begin april ontstaan was, blijkt al in een maand tijd grotendeels te zijn opgebruikt en vanaf half mei lopen de lijnen al weer gelijk op. Het laat zien dat vooral de maand april fors is veranderd in de afgelopen decennia, met zowel minder neerslag als meer verdamping. In de andere maanden is de verdamping ook wel toegenomen, maar neemt ook de hoeveelheid neerslag ongeveer net zoveel toe.
Dat de zomers droger worden, wat we vaak denken, is voorlopig dan ook nog niet aan de orde. Ze worden zelfs wat natter en gemiddeld genomen precies voldoende om de extra verdamping te kunnen opvangen. Wat verder opvalt is dat het moment dat het laagste niveau wordt bereikt, in de nazomer, tegenwoordig ook vroeger ligt. In de afgelopen 30 jaar werd gemiddeld al op 6 augustus het moment bereikt dat het overschot het tekort weer ging overtreffen. Net zoals het voorjaars-omslagpunt naar voren is geschoven, geldt dat ook voor het omslagpunt in de nazomer. Het is ook een gevolg van het gemiddeld natter worden van de zomers in de afgelopen 30 jaar dat deze laatste naar voren schuift.
Voor het waterbeheer in Nederland zijn deze grafieken belangrijk omdat het laat zien dat het droge seizoen tegenwoordig niet langer duurt dan vroeger, maar dat het vooral naar voren is geschoven. Het zou daarom makkelijker moeten zijn om water dat in de winter is gevallen langer vast te houden. Vooral de maand februari is tegenwoordig veel natter dan vroeger en tegelijkertijd is vooral april veel droger geworden. Die maanden liggen relatief dicht bij elkaar en dat maakt het mogelijk om het overschot van februari beter te benutten voor het tekort in april.