U bent hier

Weersverandering, voldoende regen voor een stijging Rijn en Maas.

Afgelopen woensdag bereikte de Rijn een nieuw laagterecord van 6,05 m NAP, 6 cm lager dan medio augustus. Voorlopig is dit het laagste punt want er is al wat regen gevallen en deze week komt er nog aardig wat bij. De stand bij Lobith is daardoor al weer wat gestege en gaat nog wat verder stijgen, over een week ongeveer 50 cm. De Maas profiteert ook van de regen en klimt uit het diepe dal van de laatste weken. In het waterbericht leest u de details.

In de rubriek water Inzicht een analyse van het zoutgehalte in het IJsselmeer, wat de afgelopen weken flink is gestegen. Waar komt dit zout vandaan en welke rol speelt de lage Rijnafvoer daarbij.

Water van de Week

Hogedrukgebieden verliezen langzaam hun invloed op het weer.

Afgelopen woensdag en donderdag viel er eindelijk weer wat regen in de stroomgebieden en daar profiteert vooral de Rijn van. Niet dat het heel veel is, want de stand stijgt niet meer dan 20cm, maar de daling is in ieder geval gestopt. Rijkswaterstaat had het afgelopen week al zo ongeveer opgegeven en gaf de binnenvaart te kennen dat de schippers maar op hun eigen kompas moesten varen. Het was niet meer mogelijk om de waterdiepten in de Bovenrijn te meten, omdat de schepen van Rijkswaterstaat daarvoor te diep staken. Het laat zien hoe uniek de situatie nu is een het is te hopen dat de schippers de goede beslissingen hebben weten te nemen.

De meeste regen viel woensdag aan de oostkant van het stoomgebied van de Rijn en de Maas, die ten westen van de Rijn ligt, viel er daardoor buiten. De regen was voorlopig eenmalig, want het dit jaar onuitputtelijke hogedrukgebied, herstelde zich weer snel. Inmiddels is de luchtdruk in onze omgeving alweer zover gestegen dat regengebieden weer op grote afstand blijven.

Die situatie houdt aan tot het midden van de komende week. Tegen die tijd schuift het hogedrukgebied wat naar het zuiden en breekt dan op in een westelijk en oostelijk deel. Daar tussenin vormt zich op woensdag een lagedrukgebied, dat vanaf Spanje via Frankrijk over Duitsland naar de Oostzee trekt. Dit zorgt in de tweede helft van de week voor nieuwe neerslag en er kan dan zo’n 20 tot 30 mm regen vallen in enkele dagen, lokaal nog wat meer. Voldoende voor een nieuwe stijging van de Rijn en nu zou ook de Maas kunnen profiteren. Het is een meteorologisch gezien opvallende situatie, zo'n lagedrukgebeid dat boven het continent onstaat, zeker in het najaar; dus ik hou nog een slag om de arm of er ook echt zoveel regen gaat vallen.

In het volgend weekend herstelt het westelijke hogedrukgebied zich nogmaals met een uitloper over Centraal-Europa. Lagedrukgebieden trekken dan over Noord-Europa naar het oosten en de bijbehorende neerslagzones kunnen dan ook de stroomgebieden bereiken. Hoe ver de regen dan zuidelijk doordringt in de stroomgebieden is nu nog onduidelijk. De meeste regen valt er waarschijnlijk in de eerste helft van de week na volgend weekend, daarna lijkt hoge druk weer wat meer in vloed te krijgen.

Samengevat tot woensdag 7/10 droog in de stroomgebieden, daarna een viertal natter dagen met t/m zaterdag 10/10 in totaal 25 tot, in de Middelgebergten, 50 mm regen. Daarna een afwisseling van regendagen en droge dagen, met de meeste kans op regen in de periode van 12 t/m 14/10 en daarna weer wat droger; maar geen terugkeer naar langdurig droog weer.

Rijn eerst stabiel tussen 6,15 en 6,2 m; daarna ca 50 cm stijgend.

De regen van medio afgelopen week heeft de Rijn een heel klein beetje Laten stijgen. Bij Lobith bedraagt de stand nu ca 6,15 m NAP, 10 cm meer dan het laagterecord. De afvoer is ca 40 m3/s gestegen en bedraagt nu 580 m3/s. Het water is afkomstig van regen die in de omgeving van het Ruhrgebied viel. Vanuit het zuiden van het stroomgebied is ook nog wat water onderweg en daardoor stabiliseert de stand rond dit niveau of daalt weer iets.

Vanaf 8 t/m 11 oktober gaat er meer regen vallen in Midden-Duitsland en het eerste water hiervan arriveert twee dagen later bij Lobith. De stand gaat dan eerst heel langzaam stijgen, maar als vanaf maandag 11 oktober ook water vanuit Zuid-Duitsland arriveert, gaat het wat sneller. Op grond van de neerslagverwachting ga ik uit van een stand van 6,4 m NAP op 13/10, 6,6 m NAP op 14/10 en een hoogste stand van ca 6,7 m NAP op 15/10.

Vanaf de 14e oktober zou er opnieuw regen kunnen gaan vallen en als dat uitkomt, dan kan de stand na een lichte daling vanaf 16 of 17 oktober weer wat verder kunnen stijgen. Maar dit is voor nu nog erg onzeker, want eerst moet de regen van de eerste regenperiode nog gaan vallen. Omdat er voorlopig geen lange droge periode aan lijkt te komen is het onwaarschijnlijk dat de stand nog verder gaat dalen; een sterke stijging is echter ook nog niet in zicht.

Maasafvoer stijgt iets in de loop van de week.

Ondanks de droogte die nu alweer enkele weken duurt in het stroomgebied blijft de Maasafvoer vrijwel stabiel. Net bovenstrooms van de aftakking van het Albertkanaal is de afvoer nu wel tot net onder de 35 m3/s gezakt, maar dat is maar 2 of 3 m3/s minder dan medio september toen de droogte weer begon. Bij Maastricht bedraagt de gemiddelde afvoer nu iets minder dan 23 m3/s.

De komende paar dagen verandert daar niet veel in, maar vanaf woensdag kan er wat regen vallen en vooral donderdag kan er voldoende vallen voor een lichte stijging. Misschien dat op vrijdag de 50 m3/s weer even wordt bereikt. Vanaf zaterdag wordt het weer een paar dagen droog, maar vanaf dinsdag 13 of woensdag 14 oktober kan opnieuw regen gaan vallen. Misschien dat er dan voldoende valt om de afvoer naar een iets hoger niveau te tillen.

Water Inzicht.

Het IJsselmeer, onze grootste zoetwaterbuffer maar wel met beperkingen.

Het IJsselmeer en het ernaast gelegen Markermeer spelen een belangrijke rol in de zoetwatervoorziening van Nederland. Het hele jaar door wordt het meer gevoed door regenval, maar belangrijker nog, de rivier de IJssel en in het zomerhalfjaar putten we daar ons water uit om de noordelijke provincies van water te kunnen voorzien. Bij een aantal inlaatpunten langs de kusten van Noord-Holland, Friesland en Overijssel wordt water via sluizen ingelaten in het binnendijkse watersysteem van kanalen, boezems en vaarten. Daarlangs wordt het door de hele provincies verder gevoerd tot in de verste uithoeken.

De afgelopen zomer hebben de watergebruikers veel profijt gehad van deze buffer want het was vooral in juli en begin augustus wekenlang droog en zeer warm waardoor de watervraag groot was. Vanwege de droogte in het stroomgebied van de Rijn voerde de IJssel in die maanden echter maar weinig water aan, zo weinig dat de aanvoer (slechts 115 m3/s) op een bepaald moment nog maar net de verdamping van het meer (bijna 100 m3/s) kon compenseren.

Gelukkig was hierop geanticipeerd door al in juni het peil van het meer wat op te zetten, naar 5 cm onder NAP, zodat er een flinke extra voorraad beschikbaar was. Na enkele weken droogte was deze buffer echter toch bijna uitgeput en bereikte het waterniveau in het meer het voor de zomer minimale streefpeil van -30 cm NAP. Dat klinkt dramatisch en zo werd het ook naar buiten gebracht, maar heel veel gaat er dan nog niet mis.

Het IJsselmeer is namelijk 3 tot 5 meter diep, dus water was er nog genoeg, en in de herfst en de winter laten we het peil altijd al zakken naar -40 cm NAP, dus dat een te lage stand risico’s met zich meebrengt zal ook meevallen. De recreatievaart moet wat beter oppassen bij de lokale ondiepe delen van het meer en ook zal het inlaten van water via de sluizen lastiger zijn geweest vanwege het geringere verval. Maar dat kan je ook met pompen oplossen, zoals we dat we ook doen als er overlast dreigt door hoogwater.

De Deltacommissaris maakte handig van het moment gebruik om te pleiten voor een in de toekomst nog hoger opzetten van het peil in de zomer. Wat de vraag oproept of een wat verder uitzakkend peil dan zoveel problemen oplevert, dat we dat niet ook verder moeten verkennen. Het nadeel van verder opzetten is dat je dat aan het begin van het seizoen moet doen als je nog helemaal niet weet of er een droge periode komt en hoelang die duurt. Je zet het peil dan veel vaker op dan nodig is. Terwijl als je je voorbereid op verder uitzakken, je dat alleen hoeft te doen in een extreem droog jaar met een lage Rijnafvoer, zoals we dit jaar meemaken.

Dit jaar was verder uitzakken trouwens niet aan de orde, want ongeveer op de dag af dat de -30 cm NAP werd bereikt ging het regenen en vooral in de noordelijke provincies viel al snel genoeg om de ergste droogte het hoofd te bieden. Het meerpeil steeg weer 20 cm en ook al bleef de IJsselafvoer extreem laag, er was toch weer voldoende water om in de maand september aan de watervraag te voldoen.

Halverwege de maand heeft zich echter wel weer een nieuw probleem aangediend. In droge zomers verzamelt zich namelijk steeds meer zout in het meer en verzilt het langzaam. In de lange de droge zomer van 2018 deed zich dit voor het eerst op zo extreme schaal voor dat bijvoorbeeld de waterinname voor drinkwater moest worden gestaakt. De grens daarvoor ligt bij een zoutgehalte van 150 mg/l en dat werd in 2018 wekenlang overschreden. Het duurde toen tot ver in het najaar voordat het zoutgehalte weer op een acceptabel niveau was gekomen.

Vanwege het enorme watervolume in het meer (ca 4,5 miljard m3) in verhouding tot de aanvoer van water via de IJssel (ca 10 miljoen m3 per dag tijdens lage afvoeren), is de verblijftijd van het water in het meer erg lang. Hoe lager de IJsselaanvoer dan is, hoe meer tijd er nodig is om het meer weer zoet te krijgen na een periode van verzilting.

Het zout in het meer heeft twee bronnen, ten eerste de IJsselafvoer zelf, want het Rijnwater bevat relatief veel zout, dat afkomstig is van zoutmijnen in Frankrijk, die hun afvalwater op de Moezel lozen. Met dit zout is trouwens nog iets bijzonders aan de hand, waar ik later in dit artikel op terugkom. Vooral als de Rijnafvoer laag is, is het zoutgehalte van het water relatief hoog: in 2018 bijvoorbeeld nam het zoutgehalte van de Rijn toe tot 160 mg/l, en dit was toen een belangrijke oorzaak van de overlast die ontstond.

Voor de landbouw is dit zoutgehalte trouwens minder een probleem; voor de meest gewassen ligt de grenswaarde namelijk op 300 mg/l. Maar voor bepaalde natuurwaarden is een hoog zoutgehalte weer wel een probleem, die leven het liefst bij zo weinig mogelijk zout in het water. Een andere grote bron van zout voor het IJsselmeer is het zeewater dat via de sluizen in de Afsluitdijk bij het schutten van schepen naar binnen dringt.

De meetgegevens van Rijkswaterstaat (zie de afbeelding van de site van waterinfo.nl) laten dit goed zien. Bij iedere schutting spoelt zeewater het IJsselmeer binnen, waar het zwaardere zoute water meteen naar de bodem zakt. Op 7 m diepte in de vaargeul bedroeg het zoutgehalte (chloride) de afgelopen fagen ruim 6000 mg/l en op 5,5 m was het ca. 5.600 mg/l. Het zoete water drijft daar bovenop met een chloridegehalte van 380 mg/l op 4 m diep en 169 mg/l op 2 m diep.

Scherm­afbeelding 2026-10-02 om 17.15.52.png

uitsnede van de kaart van waterinfo.nl met het zoutgehalte in het IJsselmeer nabij Den Oever vlakbij de sluis.
uitsnede van de kaart van waterinfo.nl met het zoutgehalte in het IJsselmeer nabij Den Oever vlakbij de sluis.

Dit binnendringen van zout water gebeurt het hele jaar door, maar onder normale omstandigheden, als ook IJsselmeerwater wordt gespuid, spoelt een groot deel van dit zout weer snel terug naar de Waddenzee. Deze zomer verliep anders want de wateraanvoer via de IJssel was zo laag en de watervraag zo groot, dat er nu al maandenlang geen water meer naar de Waddenzee gespuid is. De hoeveelheid zout water in het IJsselmeer neemt daardoor langzaam toe.

Dat hoeft nog geen probleem te zijn als het zout dicht bij de bodem zou blijven liggen. Maar het zout verspreidt zich langzaam en dringt via de diepe geulen in de bodem van heet meer steeds verder door naar het zuiden. Op dagen met veel wind kan het zoute water ook opwervelen en zich over de hele waterkolom verspreiden. Dit zijn ook de dagen dat het zout tot aan de oppervlakte kan komen wat dan een extra risico vormt voor de waterinname. Als het zout zich eenmaal met het zoete water in de waterkolom heeft gemengd, dan zakt het niet meer terug en blijft de hele waterkolom zouter.

Op dit moment is het zoutgehalte aan de oppervlakte van het IJsselmeer op de meeste meetpunten zouter dan 150 mg/l. Bij de inname van drinkwater bij Andijk nog niet, maar dan kan bij een andere windrichting wel ineens gebeuren. In de grafiek hierna heb ik het verloop van het chloridegehalte van het afgelopen jaar voor een meetpunt in het IJsselmeer bij de Noordoostpolder (blauwe lijn)vergeleken met het zoutgehalte van de Rijn bij Lobith (oranje lijn). De Rijnafvoer bij Lobith is weergegeven als een lichtblauw vlak.

Zoutgehalte IJsselmeer en Lobith.jpg

Verloop van het zoutgehalte (Chloride) in mg/l in het IJsselmeer (blauwe lijn) en bij Lobith (oranje lijn) en de Rijnafvoer van dit jaar (lichtblauw vlak).
Verloop van het zoutgehalte (Chloride) in mg/l in het IJsselmeer (blauwe lijn) en bij Lobith (oranje lijn) en de Rijnafvoer van dit jaar (lichtblauw vlak).

In februari was er in de Rijn een kleine hoogwatergolf, maar verder was de afvoer het hele jaar door laag en al in juni zakte de afvoer, veel vroeger dan in andere jaren, onder de 1.250 m3/s. Dit zal ook ongeveer het moment zijn geweest dat met het spuien van IJsselmeerwater gestopt zal zijn. In het verloop van het chloridegehalte bij Lobith zien we een opvallende afname tijdens de hoogwatergolf, van 90 naar 40 mg/l, omdat het zout dan sterk wordt verdund en daarna weer een gestage toename als de afvoer weer afneemt.

In het IJsselmeer neemt het chloridegehalte even later ook af van ca 110 naar 70 mg/l en neemt het daarna ook langzaam toe naar ca 100 mg/l. Zoals we ook later in de meetreeks zullen zien, zijn er begin maart in het IJsselmeer plotselinge schommelingen die de gestage lijn onderbreken. Dit zijn dagen dat zouter water vanaf de bodem door wind en stroming even naar de oppervlakte stijgt; ze duren meestal maar kort.

Van april tot en met half juli blijft het chloridegehalte bij Lobith schommelen tussen 60 en 70 mg/l om daarna, als de Rijnafvoer onder 1000 m3/s zakt, gestaag te gaan stijgen naar ca 100 mg/l op het moment dat de Rijnafvoer, met ca 600 m3/, in augustus voor het eerst historisch laag is. Het chloridegehalte in het IJsselmeer stijgt in de loop van het voorjaar al wel langzaam van 100 naar 110 mg/l en heeft in de tweede helft van juni, als er dagen zijn met meer wind, enkele pieken, die er op duiden dat zich al meer zout water op de bodem heeft verzameld.

In de tweede helft van augustus stijgt de Rijnafvoer weer een klein beetje en dat is voldoende om het zoutgehalte bij Lobith weer met circa 20 mg/l te laten dalen om daarna, als de Rijnafvoer vanaf 5 september weer afneemt, weer langzaam te stijgen naar bijna 100 mg/l op dit moment. In het IJsselmeer zien we deze afname van het zoutgehalte niet terug, het zoutgehalte neemt daar juist steeds verder toe.

Vanaf de tweede helft van augustus was er meer wind en omdat zich gedurende de zomer, waarin er niet gespuid kon worden, op de bodem veel zoutwater heeft opgehoopt, is dat zoute water gaat mengen en wordt de waterkolom steeds zouter. Vanaf medio september wordt de 150 mgl/l overschreden en kort daarna werd op enkele dagen ook de 200 mg/l bereikt. De laatste dagen schommelt het gehalte rond 175 mg/l. Bij de drinkwaterinname van Andijk steeg het gehalte half september een aantal keren tot 160 mg/l en bevindt het zich nu op ca 130 mg/l.

De oorzaak van de sterke stijging in het IJsselmeer is ditmaal dus niet de Rijn, die zouter water aanvoerde, maar vooral het zout vanuit de Waddenzee dat via de sluizen in het meer is terecht gekomen. Wat het chloridegehalte mogelijk ook heeft laten stijgen, is de verdamping. Als er in de zomer veel water verdampt, blijft er zout achter, zodat de concentratie langzaam zal zijn toegenomen. Maar de grootste bron zal toch het schutwater zijn dat vanuit de Waddenzee het meer in is gestroomd.

Voorlopig is het IJsselmeer daar nog niet vanaf, want de komende weken blijft de Rijnafvoer nog aan de lage kant en is er nog geen water beschikbaar om door te spoelen. Om fors door te kunnen spoelen zal de Rijnafvoer toch minimaal naar 2000 of 3000 m3/s moeten stijgen, waarvan dan 15% via de IJssel wordt afgevoerd. Daar moeten we misschien nog wel maanden op wachten en al die tijd is er het risico dat tijdens dagen met veel wind, er steeds meer zout vanaf de bodem in de waterkolom terecht komt.

Ten slotte nog de interessante waarneming waar ik hierboven al even aan refereerde: er is de afgelopen jaren iets bijzonders gebeurt met het zoutgehalte van het Rijnwater dat vanuit Duitsland wordt aangevoerd. Dat gehalte nam deze zomer zelfs op de dagen met een historisch lage afvoer niet verder toe dan circa 100 mg/l en dat is een enorm verschil met de situatie in 2018 toen bij een nog iets hogere Rijnafvoer het zoutgehalte zelfs toenam tot 160 mg/l.

Toen ik dit op het spoor kwam heb ik de meetreeks van het zoutgehalte bij Lobith van de afgelopen jaren eens op een rij gezet en daaruit blijkt een opvallende afname sinds begin 2023 (zie de volgende grafiek). In de jaren vanaf 2015 tot en met 2022 bedroeg het zoutgehalte gemiddeld bijna 90 mg/l en waren er bijna jaarlijks, tijdens perioden van laag water, pieken tot 150 mg/l. Lage gehalten onder 60 mg/l kwamen toen alleen voor tijdens korte perioden van hoge afvoer.

Zoutgehalte Lobith van 2015 t:m 2026.jpg

Chloridegehalte van het Rijnwater dat bij Lobith Nederland binnenstroomt over de periode vanaf 2015 t/m deze zomer. Vanaf 2023 is er een opvallende afname opgetreden.
Chloridegehalte van het Rijnwater dat bij Lobith Nederland binnenstroomt over de periode vanaf 2015 t/m deze zomer. Vanaf 2023 is er een opvallende afname opgetreden.

Sinds het voorjaar van 2023 is dit plotseling verandert. Het gemiddelde chloridegehalte is met 30% gedaald naar ca 65 mg/l, de pieken komen niet meer boven de 100 mg/l en perioden met lage waarden zijn niet meer alleen voorbehouden aan de momenten dat de Rijnafvoer hoog is.

Voor het IJsselmeer is dit goed nieuws want het betekent dat de Rijn als bron van zout veel minder belangrijk is geworden. Als deze afname er niet was geweest dan was het zoutgehalte van de Rijn in de afgelopen zomer maandenlang hoger dan 150 mg/l zijn geweest, was het meer nu nog veel zouter geweest en was de inname van drinkwater waarschijnlijk al lange tijd niet meer mogelijk geweest. Ook zouden we dan de komende maanden veel langer moeten wachten tot het zoutgehalte weer op een acceptabel niveau zou zijn gekomen omdat het voor het doorspoelen bij een Rijnafvoer van ca 2000 m3/s veel uitmaakt of het zoutgehalte van de Rijn 65 mg/l bedraagt of bijna 90 mg/l.

Niet alleen het IJsselmeer profiteert maar ook in het westen van het land waar in het Benedenrivierengebied veel innamepunten voor zoet water liggen. Deze hebben tijdens lage rivierafvoeren altijd al te maken met zout dat vanuit zee via de Nieuwe Waterweg binnendringt en de lagere bijdrage van zout via de Rijn betekent dat deze punten minder snel zullen hoeven te sluiten. Ook profiteert de waterkwaliteit in een groot deel van Nederland, want via kanalen en sloten wordt het Rijnwater door bijna 60% van ons land gevoerd, wat betekent dat vooral in de zomer ook in het binnenwater de chloridegehalten zullen verbeteren.

Dat is goed nieuws voor de zoetwaternatuur en de landbouw die het water gebruikt voor beregening. Het is nu al drie jaar lang dat dit aan de orde is en ik had er nog niet eerder van gehoord, maar misschien heb ik iets gemist. Het zou interessant zijn om de oorzaak van de afname op te sporen; is een van de zoutbedrijven gestopt of is het productieproces gewijzigd en vooral belangrijk si of het blijvend is, want dat zou goed nieuws zijn voor de Nederlandse waterkwaliteit.