U bent hier

Actuele verwachtingen waterstanden

Als de waterstanden in de Nederlandse rivieren gaan stijgen en er zich een hoogwater ontwikkelt, leest u hier dagelijks de actuele verwachtingen. In perioden buiten de hoogwatersituaties is de berichtgeving minder intensief en verschijnt er zo eens in de 1 à 2 weken een bericht. Ook als zich in de Nederlandse beken, poldergebieden, of langs de kust bijzondere watersituaties voordoen, leest u daarover onder deze rubriek.

 

Wisselvallige week, weinig verandering in de waterstanden

Na een korte intermezzo van hoge luchtdruk, bepalen sinds afgelopen vrijdag de lagedrukgebieden wederom het weer in onze omgeving. Dit weerbeeld houdt de komende week aan met zo nu en dan regenzones. Op wat langere termijn lijkt het droge weer opnieuw terug te keren. De neerslaghoeveelheden zijn deze week niet erg groot en de waterstanden in de Rijn en Maas blijven daarom schommelen rond het huidige peil. 

In het tweede deel van het bericht besteed aandacht de IJssel, de belangrijke bron van water voor het IJsselmeer, waar ik vorige week over schreef. De IJssel ontvangt een deel van het Rijnwater en voert dat af naar het noorden. Vandaag een korte toelichting hoe dat in zijn werk gaat en welke ontwikkelingen daarin zichtbaar zijn de laatste jaren, want de IJssel ontvangt gaandeweg een steeds groter aandeel.

Wisselvallig weer, maar geen grote regenhoeveelheden

Het stabiele en warme weer van de afgelopen week is verdreven door enkele zones met flinke buien die op vrijdag en zaterdag over Nederland trokken. Voorlopig keert de warmte niet meer terug. Dankzij de neerslag zal juni in een groot deel van Nederland een te natte maand worden. Na de zeer droge april en mei tapte de eerste zomermaand duidelijk uit een ander vaatje. het is niet overal een te natte maand geworden, in Friesland en delen van Gelderland en Overijssel bleef het iets te droog.

Opvallend is dat de zuidelijke provincies deze maand de meeste neerslag ontvingen, op veel plaatsen zelfs meer dan 10 centimeter. Nadat de afgelopen twee jaar het zuiden steeds veel droger was in de zomer dan het noorden, was het nu dus eens andersom. Het zal overigens nog niet genoeg zijn om het grote tekort in het grondwater aan te vullen. Tijdens zware buien, zoals er afgelopen week vielen, wordt namelijk veel water over het oppervlak afgevoerd, omdat het niet snel genoeg in de bodem kan dringen. Het grondwater profiteert doorgaans meer van gestage regen.

Die gestage regen komt er misschien wel in de komende week, want tot en met het volgend weekend bevindt onze regio zich in een westelijke luchtstroming waarmee lagedrukgebieden vanaf de Atlantische Oceaan naar Scandinavië worden gevoerd. Het is al lang geleden dat de westelijke stroming actief was hier, dus het zal even wennen zijn. Het betekent vrij koel weer, met perioden met regen en soms ook veel wind. De laatste keer dat we met een westelijke stroming te maken hadden was in februari; toen zorgde dit weertype voor langdurig hoogwater in de rivieren.

Zover zal het nu niet komen, want in de zomer is de westelijke luchtstroming nooit zo heel actief. Toch valt er vrijwel iedere dag wel regen in de stroomgebieden van Rijn en Maas. Vandaag en morgen bevindt de meest actieve regenzone zich boven de Alpen. Vanaf dinsdag nadert een nieuw lagedrukgebied en t/m donderdag kan dan aardig wat regen vallen in Nederland en België. Woensdag trekt dit regengebied verder over de stroomgebieden en bereikt dan donderdag Zuid Duitsland en de Alpen.

Vanaf vrijdag krijgt hogedruk weer meer invloed bij ons, maar waarschijnlijk passeert er dan eerst nog een wat zwakkere regenzone die ook in enkele dagen over het hele stroomgebied trekt. Na het volgend weekend is de kans nu het grootst dat de hogedruk nog wat meer invloed krijgt en er een wat langere droge periode aanbreekt. Of dit ook zo zal uitpakken is pas later in de week met meer zekerheid te zeggen. 

Rijn schommelt rond de 8,2 m bij Lobith.

De Rijnafvoer bereikte vorig weekend haar hoogste stand van een klein golfje, net onder de 9 m met daarbij een afvoer van iets boven de 1900 m3/s. De eerste dagen van de week daalde de stand nog maar weinig, maar vanaf halverwege de week volgde een wat snellere daling en deze zet ook vandaag en morgen nog door. Vanaf dinsdag stabiliseert de stand, omdat dan het water aankomt dat sinds vrijdag als regen in het stroomgebied is gevallen. Dit was niet zoveel dat de waterstand er door zal stijgen, maar verder zakken zal het peil ook niet. 

De rest van de week schommelt de waterstand dan waarschijnlijk rond de 8,2 m +NAP bij Lobith en de afvoer daarbij bedraagt 1400 m3/s. Dat is vrij laag voor de tijd van het jaar; normaal is een afvoer van 2200 m3/s en de stand daarbij is ca 1 meter hoger dan de huidige.

De regen die vanaf woensdag in het stroomgebied valt, kan misschien rond het volgend weekend voor een lichte stijging zorgen, maar meer dan een paar decimeter lijkt dat voorlopig niet te worden. Als na volgend weekend inderdaad een wat langere droge periode aan gaat breken, dan is de kans groot dat vanaf ongeveer 8 juli de waterstanden aan een wat langere daling zullen beginnen. Volgende week zal er meer duidelijk zijn of dit ook gaat uitkomen.

Maasafvoer blijft erg laag

De Maasafvoer profiteerde afgelopen vrijdag en zaterdag nauwelijks van de regenbuien die in de Ardennen vielen. Daar waar de buien overtrokken, viel zo'n 1 tot 1,5 cm regen, maar er waren ook plaatsen waar maar weinig voel en en al met al kwam er maar weinig water in de Maas terecht. Zaterdag en ook vandaag verliepen al weer grotendeels droog, dus zal er de komende paar dagen ook weinig veranderen. 

De afvoer bij Maastricht is na de kleine opleving rond het vorig weekend, halverwege de week weer gedaald tot onder de 50 m3/s en dat is laag voor de tijd van het jaar. Normaal is in een afvoer van ca 125 m3/s. Voorlopig blijft de afvoer zo laag. Woensdag wordt er wel aardig wat regen verwacht in de Ardennen en anders dan afgelopen weekend zal dat een groter gebied beslaan. De kans is groot dat daarvan wel wat meer de Maas bereikt, maar de kans is klein dat de afvoer naar normale waarden stijgt. Ook blijft het waarschijnlijk bij een kleine opleving, want vanaf vrijdag wordt nog maar weinig neerslag verwacht. 

Ook op langere termijn is de kans het grootst dat de afvoeren laag blijven. Vooral ook omdat na het volgend weekend waarschijnlijk opnieuw een wat langere tijd droge periode aan breekt.

De IJssel profiteert steeds meer van de 'kraan' bij Driel

Op korte afstand van Spijk, het punt waar de Rijn Nederland in stroomt, splitst de rivier zich in twee takken: de Waal en de Nederrijn. Iets verder stroomafwaarts, net voor Arnhem, verdeelt het water zich nogmaals en splitst de IJssel zich af. Dat de Rijn zich hier splitst is bijzonder, want de meeste rivieren verenigen juist het water vanuit verschillende zijrivieren en splitsingen zoals deze, zover van de monding in zee, zijn een zeldzaamheid.

Uit geologisch onderzoek blijkt dat deze splitsingspunten al heel oud zijn. Vroeger, toen de rivieren nog niet vast lagen met kribben, veranderden ze nog wel vaak van plek en daarbij veranderde ook de hoeveelheid water die een rivierarm te verwerken kreeg. Zo was de Rijn in de Romeinse tijd veel groter dan de Waal en in de Middeleeuwen nam vooral de IJssel sterk in omvang toe.

Al vanaf het begin van de 18e eeuw werd de Waal steeds belangrijker als afvoerweg en omdat wij Nederlanders ons ook steeds meer ontwikkelden als waterbeheerders, hebben we er vanaf die tijd veel aan gedaan om het water zo te verdelen dat de andere rivierarmen niet droog zouden vallen. Er werden steeds weer nieuwe dammen en zelfs nieuwe lopen gegraven om de toevoer naar de Nederrijn en de IJssel te kunnen garanderen.

Rond 1950 was de situatie zodanig dat vooral de IJssel maar weinig water afvoerde; ongeveer 10% van de Rijnafvoer, de Nederrijn ontving ca 15% en de Waal 75%. Vooral voor de scheepvaart op de IJssel betekende de geringe waterdiepte dat er soms maandenlang bijna geen transport over het water mogelijk was. En ook zorgde de lage IJsselafvoer in droge zomers, die er veel waren in die tijd, voor onvoldoende voeding van het IJsselmeer.

Om deze problemen het hoofd te bieden is al rond 1955 het plan ontstaan om een stuw te bouwen in de Rijn bij Driel, net voorbij Arnhem, waarmee dan tijdens perioden van lage Rijnafvoeren, het water van de Nederrijn herverdeeld zou worden over de IJssel en de Waal. Om te voorkomen dat rest van de Nederrijn dan droog zou vallen, werden in die riviertak nog twee stuwen gebouwd, bij Amerongen en Hagestein, zodat het water daar op peil gehouden kon worden. Omdat de stuw van Driel alleen nodig is in perioden met weinig Rijnafvoer en bij hogere rivierafvoer stapsgewijs open gaat, wordt de stuw ook wel de Kraan van Nederland genoemd. 

Het zou tot 1971 duren voordat de stuw bij Driel klaar was en er begonnen kon worden met de herverdeling van het Rijnwater. In de grafiek hieronder is uitgezet hoe de kraan precies werkt. Op de onderste as staat de hoeveelheid water vermeld die bij Lobith het land binnen stroomt (dit is de zgn Bovenrijnafvoer). De blauwe lijnen geven het gedeelte aan dat naar de Waal stroomt, in oranje is het deel van de IJssel aangegeven en met zwarte lijnen het deel van de Nederrijn. 

De vlakken bij de Waal en de IJssel geven het deel van de afvoer aan dat deze rivieren extra ontvangen omdat de stuw van Driel het water herverdeelt, dat voorheen naar de Nederrijn stroomde. De bovenzijde van het vlak is de situatie met de stuw van Driel in werking, de onderzijde de situatie als er geen stuw was. 

Ook al staat de stuw dichter bij het splitsingspunt van de IJssel toch is de invloed ervan op de Waal het grootst. Op het moment dat de werking het grootst is (dat is in deze figuur bij een Bovenrijnafvoer van ca 1500 m3/s) stroomt van de 250 m3/s die anders naar de Nederrijn was gestroomd, 150 m3/s extra naar de Waal en 75 m3/s naar de IJssel. Dankzij dit water heeft de scheepvaart extra vaardiepte: zo'n 30 cm op de Waal en 40 cm op de IJssel. Ook profiteert het IJsselmeer, want bij heel lage rivierafvoeren neemt de afvoer in de IJssel met zo'n 50% toe.

De 25 m3/s die resteert in de som hierboven, is het restdebiet dat doorgelaten wordt naar de Nederrijn om de stuwpanden te voeden en om de watergebruikers langs de Nederrijn, en ook het Amsterdam Rijnkanaal, van water te voorzien.   

Stuwen Nederrijn effecten.jpg

De verdeling van het Rijnwater over de Waal (blauw), IJssel (oranje) en de Nederrijn (zwart) en de invloed die de stuw van Driel daarop heeft. Voor verdere toelichting zie tekst.
De verdeling van het Rijnwater over de Waal (blauw), IJssel (oranje) en de Nederrijn (zwart) en de invloed die de stuw van Driel daarop heeft. Voor verdere toelichting zie tekst.
 

Als de afvoer in de Bovenrijn onder de 1500 m3/s zakt is er minder water her te verdelen en neemt het effect op de Waalafvoer en de IJsselafvoer langzaam af, maar zelfs bij heel lage Rijnafvoeren profiteren beide rivieren nog altijd van zo'n 50 tot 75 m3/s extra. Bij hogere Rijnafvoeren is de herverdeling van het water niet meer nodig, de kraan gaat dan weer open en de extra toevoer naar Waal en IJssel neemt weer langzaam af.

Met zwarte lijnen is in de grafiek de situatie in de Nederrijn weergegeven. De stippellijn geeft de situatie aan zonder de stuw van Driel, de doorgetrokken lijn de situatie met de stuw. De knik rond 1500 m3/s is het punt waar de stuw bij oplopende Bovenrijnafvoer weer langzaam open gaat. Bij Bovenrijnafvoeren lager dan 1500 m3/s is de stuw zo goed als gesloten, tussen 1500 en ca 2250 m3/s is de stuw gedeeltelijk open en daarboven is de Nederrijn bij Driel weer een open, vrij afstromende rivier.. 

Het is nu bijna 50 jaar geleden dat de stuw van Driel in werking is getreden en er zijn inmiddels heel wat droge zomers geweest, waarin de stuw zijn invloed heeft gehad en veel problemen met droogte zijn er door voorkomen. Toch is er iets vreemds aan de hand als we het verloop van de afvoerverdeling over de tijd nader bekijken. Toen de stuw net klaar was werd begonnen met stuwen wanneer de Bovenrijnafvoer onder de ca 2200 m3/s zakte en was de stuw geheel gesloten (op de 25 m3/s na) als de afvoer onder de ca 1320 m3/s zakte. Dat betekende toen dat de stuw gemiddeld 65 dagen per jaar geheel gesloten was, 185 dagen gedeeeltelijk gesloten en 70 dagen open.

In de loop der jaren zijn de afvoeren waarbij wordt gestuwd echter gaan verschuiven en inmiddels is de stuw al geheel gesloten bij een afvoer van 1650 m3/s, wat overeenkomt met gemiddeld bijna 125 dagen per jaar. In de figuur hierboven is dit verschuiven van de afvoer waarbij de stuw helemaal dicht is met rode streepjes weergegeven langs de onderste as. De jaartallen waarop een streepje betrekking heeft staan erbij aangegeven. De figuur zelf geeft de situatie in het jaar 2000 weer, maar inmiddels is het debiet tot waarop maximaal gestuwd wordt al weer verder opgeschoven.

De toename van het aantal dagen dat de stuw in werking is, is weergegeven in de figuur hieronder (blauw in de figuur). Het aantal dagen dat de stuw gedeeltelijk open is (oranje in de figuur), is weinig veranderd. De toename van het aantal dagen dat gestuwd wordt gaat ten kostte van het aantal dagen dat de rivier vrij afstroomt (grijs in de figuur).

Veranderingen in het stuwbeheer.png

Veranderingen in het stuwbeheer van Driel; de stuw staat steeds vaker dicht en het dagen dat de rivier vrij afstroomt neemt af.
Veranderingen in het stuwbeheer van Driel; de stuw staat steeds vaker dicht en het dagen dat de rivier vrij afstroomt neemt af.

Dat de stuw bij Driel tegenwoordig veel vaker geheel gesloten is, heeft niet te maken met een afname van de rivierafvoeren. Die zijn namelijk over de afgelopen 50 jaar vrijwel stabiel en daarvoor was het niet nodig om vaker de stuw de sluiten. De oorzaak heeft er mee te maken dat het stuwbeheer van Driel is afgeleid van de waterstand bij Lobith en niet van de rivierafvoer. Nu is de waterstand geen goede maat om de hoeveelheid water mee te bepalen, want vanwege de bodemdaling van de rivier (met ca 2 cm per jaar) stroomt er bij dezelfde waterstand ieder jaar meer water langs Lobith. Door de waterstand te gebruiken als maat voor het in werking zetten van de stuwen verschuift dus het stuwprogramma van Driel naar steeds hogere afvoeren. 

Het proces van bodemdaling is voorlopig nog niet ten einde en het is daarom te verwachten dat de periode waarover de stuw bij Driel in werking is, in de toekomst verder op zal schuiven naar nog hogere afvoeren. Deze verschuiving betekent dat er relatief steeds meer water door de IJssel en de Waal stroomt dan toen 50 jaar geleden met het stuwbeheer werd begonnen. Dit is vooral merkbaar bij de ondergrens; zo stroomde er in de 70'er jaren bij een Bovenrijnafvoer van 1650 m3/s nog 225 m3/s door de Nederrijn en tegenwoordig is dat nog maar 25 m3/s. En lag de bovengrens van het stuwprogramma vroeger ongeveer bij de gemiddelde Rijnafvoer (van ca 2200 m3/s), tegenwoordig ligt die bovengrens hoger en dat betekent dat ook bij gemiddelde Rijnafvoer er nu 150 m3/s minder via de Nederrijn wordt afgevoerd dan 50 jaar geleden. 

Al met al betekent dit dat over een steeds groter deel van het afvoerbereik, de Nederrijn bijna geen of minder water ontvangt. Dit is gunstig voor het voeden van het IJsselmeer. Het is echter maar de vraag of dat wel nodig is, omdat de hoeveelheid water die bij gemiddelde Rijnafvoeren naar het IJsselmeer stroomt, sowieso al groot genoeg is om dit meer te voeden en dit extra water wordt daarom ongebruikt naar de Waddenzee afgevoerd. Voor de watergebruikers langs de Nederrijn en het Amsterdam Rijnkanaal zijn de veranderingen die door het beheer van de stuw van Driel optreden echter ongunstig, want zij zijn een steeds groter deel van het jaar afhankelijk van de 25 m3/s restdebiet die Driel nog wel doorlaat. En ook de waterkwaliteit van de Nederrijn komt het niet ten goede als het aantal dagen met weinig doorstroming steeds verder oploopt.

Droge week en waterstanden gaan weer dalen

Het weer gaat opnieuw flink veranderen. Na een drietal weken wisselvallig weer en voldoende regen in de stroomgebieden om de rivieren te laten stijgen, breekt volgende week de zomer los met droog en (zeer) warm weer. Vooral de Rijn kreeg aardig wat extra water te verwerken dankzij de regen. De Maas viel vaak net buiten de boot en daar bleef de stijging beperkt. In dit waterbericht leest u hoe lang de rivierafvoeren nog kunnen teren op het water dat gevallen is.

Nu een langere droge periode aanbreekt is het een goed moment om de situatie in het IJsselmeer te bekijken, onze grootste waterbuffer - althans zo wordt hij genoemd; hoe dit precies werkt leest u in het tweede deel van het waterbericht.

Hogedruk herstelt de komende week zijn hegemonie

Nadat het weer een week of drie in het teken van lagedrukgebieden heeft gestaan, breidt het hogedrukgebied vanaf de Azoren zijn vleugels nu weer uit en vormt een dependance boven onze omgeving en later boven Scandinavië. Voordat het zover is, vallen er zondag en maandag nog een paar buien, maar daarna lijkt het de rest van de week droog te blijven. Pas in of na het volgend weekend is het hogedrukgebied waarschijnlijk zover naar het noorden getrokken dat de buiigheid weer op kan leven in onze omgeving.

Op nog wat langere termijn, in de laatste dagen van juni, ziet het er naar uit dat het hogedrukgebied zijn greep op ons weer niet meteen terugkrijgt. Dat zou betekenen dat opnieuw een wat wisselvalligere periode aan kan breken en ons dus geen heel lange droge periode te wachten staat. Zo’n verwachting ver vooruit in de tijd is echter onzeker en pas tegen het eind van de komende week zal meer duidelijk zijn over hoe het weer zich op die termijn ontwikkelt.

Rijn stijgt nog wat verder naar ca 9 m begin volgende week

De Rijn profiteerde volop van de regen die boven West en Midden Europa viel. Een paar dagen lag er een langgerekte regenzone precies evenwijdig aan de loop van de Rijn, wat aardig wat water opleverde en op andere dagen waren er forse buien die meer lokaal veel water brachten.

Alle zijrivieren van de Rijn profiteerden van het extra regenwater en de afvoer van Neckar, Main en Moezel steeg naar ongeveer normale afvoeren voor de tijd van het jaar. Ook in de Alpen viel regen en samen met, zo’n beetje de laatste, smeltende sneeuw van de afgelopen winter zorgde dat voor een flinke toename van de afvoer vanuit het hooggebergte. Dit is goed af te lezen aan het niveau van de Zwitserse meren, waarin in dit soort situaties een groot deel van de neerslag, die stroomopwaarts ervan is gevallen, wordt gebufferd.

Schermafbeelding 2020-06-20 om 12.41.06.png

Na een aarzelend begin is de Bodenzee de afgelopen weken toch nog gestegen naar een peil iets onder het langjarig gemiddelde
Na een aarzelend begin is de Bodenzee de afgelopen weken toch nog gestegen naar een peil iets onder het langjarig gemiddelde

Als we de Bodensee als voorbeeld nemen, dan is goed te zien hoe het waterpeil de afgelopen 3 weken met ca 1 meter is gestegen (de blauwe lijn). Daarmee bevindt het peil zich nog onder het langjarig gemiddelde (de groene lijn), maar lang zag het er naar uit dat de stijging veel beperkter zou blijven. De afvoer vanuit het meer, bij Konstanz, is nu gestegen naar ca 450 m3/s.

Dat lijkt niet zoveel, maar de Bodensee is dan ook geen meer dat hoge afvoeren levert. Het is vooral een buffer die over lange tijd water afgeeft. De meter die het meer nu gestegen is, staat gelijk aan ruim 500 miljoen m3 water. Dit gebufferde water stroomt de komende 2 maanden langzaam weg uit het meer en levert de Rijn al die tijd ongeveer 100 m3/s extra afvoer. De andere Zwitserse meren leveren samen een ongeveer even grote bijdrage in die tijd. Deze Zwitserse buffers zorgen er dus voor dat de Rijn in juli en augustus nog een appeltje voor de dorst heeft en bijna nooit in de hoogzomer al een heel lage afvoer bereikt.

De neerslag die de afgelopen tijd in het stroomgebied is gevallen zorgde ervoor dat de Rijn vanaf het begin van de afgelopen week is gaan stijgen. Bij Lobith werd woensdag de 8,5 m gepasseerd en nadat vrijdag het water arriveerde van een volgende golf zet deze stijging zich nog even door tot in het begin van de volgende week.

In de loop van de zondag wordt bij Lobith de 9 meter overschreden. Daarna vertraagt de stijging en de piek van ca 9,1 meter verwacht ik op maandag of dinsdag. De afvoer is dan gestegen van ca 1500 m3/s in het begin van de afgelopen week naar iets meer dan 2000 m3/s. Dat is nog maar weinig onder de langjarig-gemiddelde afvoer voor deze tijd van het jaar.

Na het passeren van de piek zal de stand nog tot en met donderdag iets boven de 9 m blijven, dankzij nog veel water dat uit de Bovenrijn onderweg is; dat doet er ca 5 dagen over vanaf Karlsruhe tot aan Lobith.

Terwijl de Bodensee de komende maanden nog lang water na blijft leveren, zullen de andere zijrivieren van de Rijn de komende week al weer snel gaan dalen en daarom gaat ook de waterstand van de Rijn later weer flink omlaag. Op vrijdag verwacht ik dat de stand bij Lobith weer onder de 9 m zakt en in het begin van de week daarna onder de 8,5 meter.

Of ook de 8 meter later weer in zicht komt is nu nog niet te zeggen; dat hangt er vanaf of het droge weer zich begin juli voortzet. De kans lijkt nu echter het grootst dat er tegen die tijd wel weer regen zal gaan vallen, wat de daling dan kan temperen. Volgende week daarover meer.

Maas profiteerde nauwelijks van de regenbuien

In de Ardennen en de rest van de stroomgebied vielen wel wat buien de afgelopen week, maar de neerslaghoeveelheden waren kleiner dan in het stroomgebied van de Rijn. De Maas steeg deze week dan ook maar weinig. De daggemiddelde afvoer bij Maastricht, die eind mei al tot onder de 50 m3/s was gezakt, steeg wel wat, naar ca 100 m3/s, maar dat is nog onder het langjarig gemiddelde voor deze tijd van het jaar, dat ca 140 m3/s bedraagt. 

De 100 m3/s was ook maar van korte duur, want inmiddels is de afvoer al weer tot ca 75 m3/s gedaald. De komende dagen zet die daling door en tegen het eind van de week zal de dagelijkse afvoer weer rond de 50 m3/s zijn uitgekomen. 

Zoals ik vorige week in het waterbericht al liet zien, gebeurt het maar zeer zelden dat de Maas, na een droog voorjaar, in de loop van de zomer nog naar een meer gemiddeld peil stijgt. Het lijkt er op dat ook deze zomer zich zo ontwikkelt, want vanwege het droge weer in de komende week zal de afvoer voorlopig alleen maar langzaam verder dalen. En de wisselvalligheid die mogelijk na het komend weekend op het programma staat, is ook niet zodanig dat dat tot een wat grotere stijging zal leiden. Voorlopig moeten we dus rekening houden met langdurig lage afvoeren in de Maas.

Het IJsselmeer, een grote watervoorraad die we liever niet aanspreken

Naast het groene hart, het landelijke gebied ingeklemd tussen de Randstad, bezit Nederland ook een blauw hart, waarmee het grote open water van IJsselmeer en Markermeer wordt bedoeld. Het IJsselmeer is verreweg het grootste meer van ons land, met een oppervlakte van ca. 1150 km2 en een inhoud van 5 miljard m3. Samen met het er naast gelegen Markermeer (met een oppervlakte van 700 km2), bedraagt de zoetwatervoorraad van het blauwe hart zelfs bijna 8 miljard m3.

Om een idee te geven hoeveel water dat is: om in de dagelijkse drinkwaterbehoefte van heel Nederland te voorzien, volstaat een laagje water van slechts 3 millimeter van het IJsselmeer en in de theoretische situatie dat we al het water er uit zouden opmaken, ligt er voldoende om 4,5 jaar lang heel Nederland van drinkwater te voorzien.

Het IJsselmeer wordt vanwege dit enorme waterreservoir ook wel onze nationale regenton genoemd. Tegen de verwachting in maken we echter helemaal geen gebruik van deze bijna oneindige voorraad. We gebruiken van het IJsselmeer namelijk alleen het oppervlak, om er water bóvenop op te slaan, en de 5 miljard m3 van het meer zelf laten we het liefst onaangeroerd. De grens tussen het meer zelf en wat er bovenop ligt voor gebruik, ligt bij 20 cm beneden NAP. 

Het water dat bovenop die 20 cm -NAP opgeslagen wordt, is afkomstig van de IJssel, die op een gemiddelde dag in het zomerseizoen zo'n 300 m3/s water aanvoert. In het IJsselmeer aangekomen spreidt dit water zich uit als een laagje van iets meer dan 2 cm bovenop het aanwezige water. Als het regent slaan de polders rondom het meer ook hun water op het IJsselmeer uit en dat wordt dan aan dat laagje toegevoegd.

Het water dat voor landbouw, industrie, verziltingsbestrijding en drinkwater dagelijks nodig is, moet dan uit dit laagje boven de 20 cm -NAP gehaald worden en de bijna 4 meter water daaronder mogen ze niet aanspreken. Een heel enkele keer gebeurt dat wel, zoals in de droge zomer van 2018, maar dat is eigenlijk niet de bedoeling en de waterbeheerders doen er op dat soort momenten alles aan om het uitzakken van het peil te voorkomen; vooral door het gebruik te verminderen. 

Het dunne schijfje water dat dagelijks aan het IJsselmeer wordt toegevoegd, is op de meeste dagen ruim voldoende om de gebruikers uit te voorzien. Ruwweg gaat 1 cm op aan landbouw, drinkwater en verziltingsbestrijding, waarvan de laatste verreweg de grootste gebruiker is. Daarnaast verdampt er ook water, vooral in het zomerhalfjaar en dan verdwijnt er dagelijks zo'n 2 tot 5 millimeter waterhoogte. Het gebeurt maar zelden dat al het water nodig is, zeker als het regent, en om te voorkomen dat het peil van het IJsselmeer meer dan een paar centimeter boven de 20 cm -NAP uitstijgt, wordt het overtollige water via de spuisluizen in de Afsluitdijk afgevoerd naar de Waddenzee.

In langdurig droge zomers kan de aanvoer vanuit de IJssel zover terug lopen dat het onvoldoende is om alle watergebruikers te voorzien. Als de IJsselafvoer onder de 200 m3/s zakt, is het waterschijfje dat dagelijks wordt aangevoerd namelijk nog maar 1,5 cm dik en op een warme dag met veel verdamping is dat de ondergrens om de watergebruikers goed te kunnen bedienen.

In de zomer van 2018 daalde de IJsselafvoer zelfs tot onder de 150 m3/s en omdat de verdamping toen ook groot was, ontstond er een tekort op de balans en daalde het meerpeil met enkele millimeters per dag. Er moest toen ingeteerd worden op het water van onder de 20 cm -NAP, water dat eigenlijk niet aangesproken mag worden. 

In de figuur hieronder is de hele afvoerreeks van de Rijn uitgezet vanaf 1901. De jaren staan in de vertikale kolommen: 1901 geheel links en 2020 rechts, de maanden staan van boven naar beneden. De grenzen tussen de seizoenen zijn met horizontale lijnen aangegeven, de decaden met vertikale.

Als voor de hele meetreeks uit wordt gegaan van de huidige afvoerverdeling, waarbij de IJssel bij lage Rijnafvoeren ongeveer 17% van het Rijnwater ontvangt, dan zijn de rood gemarkeerde dagen de perioden dat er door de IJssel onvoldoende water zou zijn aangevoerd om het het peil van het IJsselmeer te kunnen handhaven. In de zomermaanden is hierbij uitgegaan van een IJsselaanvoer van 200 m3/s, in voor en najaar, als verdamping en verbruik kleiner zijn, van 150 m3/s.

laag peil IJsselmeer.jpg

Afvoerreeks van de Rijn bij Lobith vanaf 1901 tot 2020. De jaren staan in de vertikale kolommen, 1901 geheel links en 2020 rechts. In rood zijn de dagen aangegeven dat er door de IJssel onvoldoende water aanvoerde om het IJsselmeerpeil te kunnen handhaven
Afvoerreeks van de Rijn bij Lobith vanaf 1901 tot 2020. De jaren staan in de vertikale kolommen, 1901 geheel links en 2020 rechts. In rood zijn de dagen aangegeven dat er door de IJssel onvoldoende water aanvoerde om het IJsselmeerpeil te kunnen handhaven

Het waterverbruik en ook de verdeling van het rivierwater waren in het verleden natuurlijk anders dan nu en de gemarkeerde perioden hoeven dus niet altijd tot een uitzakkend peil te hebben geleid. De figuur laat vooral zien dat de Rijnafvoer wel ups en downs heeft, maar dat er geen sprake is van een trend naar steeds vaker en langer lagere Rijnafvoeren.

De jaren met een langdurige laag afvoer zijn over de hele meetreeks verdeeld. 2018 is het meest recente jaar dat het IJsselmeerpeil onder druk kwam te staan, daarvoor was dat in 2003 en daarvoor in 1976, op een paar korte perioden na in tussenliggende jaren. In een verder verleden kwamen dergelijke perioden ook al voor, gemiddeld ongeveer eens per 10 jaar.

Toch heeft de zomer van 2018 de waterbeheerders van het IJsselmeer wel in actie gebracht. Vanwege de klimaatverandering is onzeker of de Rijnafvoer in toekomstige zomers wel groot genoeg blijft en 2018 wordt dan ook als een wake up call gezien, dat er in de toekomst misschien wel veel meer droge jaren zullen volgen. Daarom zijn maatregelen bedacht om het IJsselmeer extra te vullen. Die maatregelen komen er op neer dat als in een bepaald jaar de kans op een watertekort in het IJsselmeer groot is, bijvoorbeeld omdat er weinig sneeuw in de Alpen ligt, dat dan op voorhand in de voorzomer het peil al wat extra wordt opgezet.

Het beschikbare waterschijfje wordt daarmee iets groter en als de IJsselafvoer dan in de loop van de zomer onder de 200 m3/s zakt, kan het benodigde water uit dat extra schijfje worden geput en hoeft de grote voorraad daaronder niet aangesproken te worden.

Ook dit jaar leek het er in mei op dat de Rijnafvoer later in de zomer wel eens ver terug kon lopen en daarom is er in mei 5 cm extra waterschijf opgezet. Voorlopig ziet het er niet naar uit dat we dat water nodig hebben, want de IJsselafvoer zal, dankzij de regenval van de afgelopen weken in het stroomgebied, tot eind juli nog wel op een voldoende hoog niveau blijven om de waterschijf te voeden die de gebruikers nodig hebben.

Buiige week voor de boeg, stijgende waterstanden

Juni is wat de regenval betreft een heel andere maand aan het worden, dan zijn beide voorgangers. Aan de ergste droogte in Nederland is daarom een eind gekomen en ook de rivieren krabbelen op. De komende week lijkt veel op de afgelopen week, met soms forse buien. Het hele stroomgebied van Rijn en Maas krijgt hiermee te maken en dat betekent extra water voor de rivieren. In dit bericht leest u wat dat betekent voor de waterstanden in komende week tot anderhalve week.  

In het tweede deel van dit waterbericht een kijkje vooruit aan de hand van historische gegevens. Hoe verliepen de waterstanden in andere jaren met lage afvoeren in april en mei; moeten we vrezen voor langdurig laagwater of kan het nog bijtrekken? 

Onstabiel weer met lokaal forse buien

De weermodellen hadden een week geleden al vroeg in de gaten dat zich een lage drukgebied zou ontwikkelen op de noordelijke Atlantische Oceaan dat vervolgens op woensdag naar de golf Van Biskaje zou trekken, waardoor in onze omgeving vanaf donderdag een zuidelijke luchtstroming op gang zou komen die buien aan zou voeren. Het is bijna precies zo uitgekomen.

Alleen was op voorhand niet te zeggen waar de buien precies zouden gaan vallen en dat bleek ook op vrijdag, toen in de verwachting voor de komende dagen het zwaaartepunt van de buien boven het zuidelijk deel van het stroomgebied van de Rijn leek te komen liggen en minder boven dat van de Maas. Uiteindelijk liep het anders en de Maas kreeg toch nog met aardig wat buien te maken en bij de Rijn viel het wat tegen.

In Nederland hebben de buien van de afgelopen dagen er voor gezorgd dat de neerslagcijfers voor juni aardig oplopen. Op veel plaatsen is al zo'n 4 tot 5, soms zelfs 6 cm regen gevallen en dat is daar het dubbele van wat er in april en mei samen viel. Met de buien die nog in de verwachting zitten voor de komende weken zou juni een normale tot misschien wel te natte maand kunnen worden. Er zijn echter ook delen van het land, vooral in Oost en Noordoost Nederland en Zeeuws Vlaanderen waar nog maar 2 tot 2,5 cm is gevallen. In het oosten zou dat vandaag nog kunnen veranderen, want daar wordt later op de dag het zwaartepunt van de buiigheid verwacht.

De verwachting voor de komende dagen is dat er morgen nog een paar buien vallen, dinsdag vrijwel droog verloopt en dat dan vanaf woensdag t/m vrijdag de buiigheid weer opleeft. Het hele stroomgebied van Rijn en Maas krijgt met die intensivering te maken en er wordt voldoende regen verwacht om de waterstanden verder te laten stijgen. Het zal echter, net als de afgelopen dagen, tot op het laatste onduidleijk blijven waar de meeste buien zullen vallen en de ontwikkeing van de waterstanden blijft daarom ook onzeker.

Vanaf komend weekend voorzien de weermodellen dat het Azoren-hogedrukgebied zich tot over de Britse Eilanden uit gaat breiden en dat zorgt in Nederland voor een afname van de buiigheid. We blijven echter aan de rand liggen en er blijft daarom ook in de week na volgend weekend wel kans op buien. In de Alpen en Zuid Duitsland neemt de kans op buien in het volgend weekend juist weer toe, wat voor (misschien wel flink wat) extra water in de Rijn kan zorgen.

Rijn stijgt naar iets boven de 8,5 meter

Vandaag arriveert bij Lobith het extra water dat in het begin van de afgelopen week in het zuiden van het stroomgebied is gevallen, aangevuld met wat water van de buien die vanaf vrijdag in Midden Duitsland zijn gevallen. De waterstand zal vandaag de 8 meter passeren en met ca 20 cm per dag gaan stijgen naar ca 8,7 m+NAP op woensdag. De afvoer bedraagt nu nog ca 1325 m3/s en zal tegen die tijd gestegen zijn tot ca 1750 m3/s. dat is nog ruim onder de normale afvoer voor deze tijd van het jaar (die bedraagt ca 2250 m3/s), maar minder extreem dan enkele weken terug.

Na woensdag zal de waterstand waarschijnlijk iets dalen, naar ca 8,5 m in het komend weekend en de afvoer bedraagt dan ongeveer 1600 m3/s. Dit is echter afhankelijk van de hoeveelheid regen die de buien op woensdag en donderdag gaan brengen in het stroomgebied. Als die forser uitvallen kan het nog een paar decimeter hoger zijn.

Na het komend weekend kan de waterstand nog wat verder dalen, maar het lijkt er nu op dat dat misschien maar van korte duur is. Als er inderdaad veel neerslag gaat vallen in de Alpen in het volgend weekend, dan zou de waterstand later in die week juist weer wat kunnen gaan stijgen, naar mogelijk 9 meter of meer; waarmee de Rijn op een voor de tijd van het jaar normaal niveau uit zou komen. Het gaat hierbij om een verwachting ver vooruit, dus is het nog lang niet zeker.

Maas krabbelt iets op, maar afvoer blijft voorlopig aan de lage kant

De afvoer bij Maastricht schommelde deze week tussen de 50 en 60 m3/s, dat is iets meer dan de week ervoor, maar nog steeds erg laag. Aan het eind van de week steeg de afvoer wat naar ca 75 m3/s als gevolg van de buien die vrijdag en zaterdag in de Ardennen zijn gevallen. 

Snel nadat de eerste buien vielen op vrijdag steeg de Maasafvoer bij Maastricht devolgende ochtend in korte tijd naar ca 400 m3/s (zie de figuur hieronder). Het is niet ongebruikelijk dat de afvoer bij forse buien ineens sterk stijgt, maar in dit geval was de regenval niet de oorzaak. Het ging om een fake-piek; deze ontstaan door onvolkomendheden in het stuwbeheer in Wallonië. Deze golf ontstond vrijwel zonder aanleiding in de Maas tussen Namen en Luik en groeide vervolgens bij iedere stuw die hij passeerde verder aan en kwam uiteindelijk 400 m3/s hoog bij Maastricht aan. 

Schermafbeelding 2020-06-14 om 10.26.49.png

Korte, hevige piek in de Maasafvoer; niet het gevolg van de buien die gevallen zijn, maar van het stuwbeheer.
Korte, hevige piek in de Maasafvoer; niet het gevolg van de buien die gevallen zijn, maar van het stuwbeheer.

In de Grensmaas, die direct na Maastricht begint, leverde dit een stijging op van ca. 2 meter binnen 2 uur. Met name voor de stroomminnende vissoorten zoals de Barbeel, die in het voorjaar eieren afzetten in de Grensmaas is dit vrij dramatisch, want met de stijging neemt ook de stroomsnelheid toe, waardoor de eieren wegspoelen of bedekt raken door zand dat in beweging is gekomen.

Na de piek daalde de afvoer ook weer snel en gemiddeld over de dag was de afvoer maar weinig hoger dan de dag ervoor; waaruit afgeleid kan worden dat het om een onechte piek ging. Bij een echte piek zou de totale hoeveelheid water wel zijn toegenomen.

Vooral op woensdag en donderdag kunnen er nogmaals flinke buien ontstaan boven het stroomgebied van de Maas en dat zorgt ervoor dat later in de week de afvoer bij Maastricht nog wat verder kan stijgen naar rond de 100 m3/s. Tot die tijd zal de afvoer rond de 75 m3/s schommelen. Als de buien steiger uitpakken kan de afvoer nog wat verder stijgen. Vanaf vrijdag wordt het droog in het stroomgebied en anders dan bij de Rijn is de kans groot dat het langere tijd droog blijft; de afvoer zal daarom na het komend weekend weer gaan dalen naar 75 m3/s of nog wat lager. 

Wat betekent een voorjaar met lage afvoeren voor de waterpeilen in de rest van de zomer

De uitzonderlijke droogte die in april en mei in Nederland optrad, strekte zich ook uit tot over de grenzen en in de stroomgebieden van Rijn en Maas viel veel minder regen dan normaal. Zoals ik in het bericht van vorige week liet zien, leidde dat tot erg lage afvoeren van rond de 60% van de normale voorjaarsafvoer. Ook liet ik zien dat lage voorjaarsstanden niet iets van de laatste jaren zijn, maar al vaker zijn opgetreden in de meetreeksen van onze rivieren.

Meestal zijn de afvoeren in de zomer lager dan in het voorjaar en de vrees bestaat daarom dat we de komende maanden wel eens met zeer lage rivierafvoeren te maken zouden kunnen krijgen. Wat het weer betreft is kunnen we vaak niet verder in de toekomst kijken dan zo'n 2 weken. Er zijn wel experimentele lange termijnverwachtingen, maar die zijn nog erg onbetrouwbaar en als nu een droge zomer wordt verwacht is dat lang geen zekerheid. 

Om toch een idee te krijgen van wat ons mogelijk te wachten staat heb ik de historische waterstanden geanalyseerd. Voor zowel de Rijn als de Maas heb ik al de jaren samengenomen (dit zijn er ca 20) waarin de voorjaarsafvoeren enige tijd erg laag waren en deze heb ik vergeleken met de afvoeren van alle jaren sinds het begin van de metingen (dat zijn er 120 voor de Rijn en 110 voor de Maas. Voor de Rijn heb ik als een lage voorjaarafvoer 1200 m3/s aangehouden en bij de Maas 75 m3/s, dat zijn om en nabij de waarden die de afgelopen weken werd bereikt toen de waterstanden in mei op zijn laagst waren. Bij de afvoergegevens van de Maas gaat het om de hoeveelheid water die bij Monsin langs stroomt, dit ca 25 km ligt stroomopwaarts van de Nederlandse grens en is het punt juist voor de aftakking van het Albertkanaal. Voor Maastricht komt dit overeen met een afvoer van ca 55 tot 60 m3/s. 

Situatie voor de Rijn

In de figuur hieronder is het gemiddeld aantal dagen per maand afgebeeld dat de afvoer bij Lobith onder de 1200 m3/s zakt. Wat meteen al opvalt is dat juni de maand is met de kleinste kans, kleiner nog dan de wintermaanden. De oorzaak is de sneeuwsmelt in de Alpen van de sneeuw uit de voorgaande winter; die is eind mei en juni het grootst, wat de kans op lage afvoeren in die maand aanzienlijk verkleint. Na juni, als de meeste sneeuw is gesmolten, neemt de kans gestaag toe en in het najaar is deze verreweg het grootst. Dit is het moment dat er geen sneeuw meer smelt en ook de gletsjers leveren dan ook geen water meer. 

Bij het vergelijken van de gegevens van alle jaren met die van de jaren met een lage voorjaarsafvoer valt op dat deze na een relatief hoge kans in april en mei (wat logisch is, want daar zijn deze jaren op geselecteerd), de kans in juni afneemt, maar nog wel groter is dan in een normaal jaar, maar vervolgens in juli en vooral augustus maar weinig groter is dan in een normaal jaar. In het najaar neemt de kans weer duidelijk toe en zijn er in de jaren met een droog voorjaar steeds zo'n 4 tot 5 dagen meer geregistreerd met een afvoer, dan gemiddeld over de hele meetreeks. 

Schermafbeelding 2020-06-14 om 10.03.26.png

Gemiddeld aantal dagen per maand dat de Rijnafvoer onder de 1200 m3/s zakt; in jaren met een droog voorjaar (bruin) en in alle jaren van de meetreeks (blauw).
Gemiddeld aantal dagen per maand dat de Rijnafvoer onder de 1200 m3/s zakt; in jaren met een droog voorjaar (bruin) en in alle jaren van de meetreeks (blauw).

Na een voorjaar met lage afvoeren treedt in veel jaren dus nog wel herstel op van de afvoer.  in ieder geval in de zomermaanden. Als we de metingen van deze 20 jaren nog wat nader bekijken dan blijkt dat:

  • in 16 van de 20 jaren in juni de waterstand weer opveerde en de afvoer die hele maand niet onder de 1200 m3/s zakte
  • in 3 jaarde waterstand wel weer steeg, maar pas in juli
  • slechts 1 keer er geen herstel optrad. Dat was in 1976 en toen kwam de afvoer vrijwel de hele rest van het jaar nooit langer dan enkele dagen tot maximaal 2 weken boven de 1200 m3/s.

Van de 19 jaren dat er wel herstel optrad, duurde de periode dat de afvoer boven de 1200 m3/s bleef in 1 jaar slechts 1 maand, in 5 jaren duurde de periode 2 maanden, nogmaals in 5 jaren duurde het 3 maanden en in 6 jaren duurde het 4 maanden of meer. 

Wat de Rijnafvoer betreft is het dus zeker niet zo dat lage afvoeren in het voorjaar ook lage afvoeren later in het jaar betekenen. In bijna alle jaren zijn de afvoeren in juni, juli en augustus niet verder gedaald en bijna altijd zelfs weer gestegen. In meer dan de helft van de jaren was er gedurende 3 of 4 maanden van de periode tot en met oktober sprake van ongeveer normale tot licht verlaagde afvoeren en werd bijvoorbeeld de 1500 m3/s, wat de gemiddelde zomerafvoer is, niet vaker dan gemiddeld onderschreden. Kortom bij de Rijnafvoer is dus na een droog voorjaar in de zomer vaak nog herstel mogelijk van de rivierafvoeren.

Situatie bij de Maas

Bij de Maas is de situatie heel anders dan bij de Rijn. Hier treedt herstel van de afvoer veel minder vaak op. Dit blijkt al meteen uit de grafiek hieronder. De jaren met een lage voorjaarsafvoer hebben gedurende de hele zomer te maken met een veel grotere kans op lage afvoeren. Vooral in juni en juli is het gemiddeld aantal dagen dat de afvoer in deze jaren onder de 75 m3/s blijft veel groter; de bruine kolommen zij nin de grafiek veel groter dan de blauwe. 

Schermafbeelding 2020-06-14 om 10.03.47.png

Gemiddeld aantal dagen per maand dat de Maasafvoer onder de 75 m3/s zakt; in jaren met een droog voorjaar (bruin) en in alle jaren van de meetreeks (blauw)
Gemiddeld aantal dagen per maand dat de Maasafvoer onder de 75 m3/s zakt; in jaren met een droog voorjaar (bruin) en in alle jaren van de meetreeks (blauw)

In augustus wordt het verschil iets kleiner, maar nog steeds zijn er dan gemiddeld 9 dagen meer met een erg lage afvoer. Pas in oktober en november trekt het verschil langzaam bij. Dit blijkt ook als we de metingen van deze 19 jaren met een lage voorjaarsafvoer nog wat nader bekijken. Dan blijkt dat:

  • in 4 jaren de afvoer in juni weer wat opveerde, maar dat was dan steeds van korte duur, want in juli of augustus was de afvoer toch weer vaker laag dan gemiddeld
  • in 3 jaren er herstel op trad in juli,
  • in 3 jaren in september
  • in 2 jaren in oktober
  • in 7 jaren pas na oktober de afvoer weer steeg naar een ongeveer normale afvoer; soms gebeurde dat zelfs pas in de loop van de opvolgende winter

Anders dan bij de Rijn blijkt dus uit de historische gegevens van de Maas dat de afvoeren na een droog voorjaar in de opvolgende zomer en herfst maar zelden naar een normaal niveau opveerden. Een enkele keer gebeurde dat vanaf juli maar in het meerendeel van de jaren duurde het heel lang voordat de afvoeren weer normaal waren. Kortom bij de Maasafvoer is dus na een droog voorjaar in de zomer zelden sprake van herstel en blijven de afvoeren vaak nog maandenlang veel lager dan gemiddeld.

Wat zal de rest van de zomer brengen

Uit de analyse hierboven blijkt dat vooral de Rijnafvoer in de zomermaanden vaak weer opveert, terwijl de Maas juist bijna altijd langdurig laag blijft. Bij de Rijn is er maar één jaar waarin er geen herstel optrad en de afvoer ook in de zomermaanden erg laag bleef en dat is 1976. 

De grote vraag nu is of 2020 het volgende 1976-jaar wordt waarin er helemaal geen herstel van de afvoer optreedt en deze blijvend laag blijft. Om daar iets over te kunnen zeggen moeten we in de toekomt kijken en dat is minder makkelijk dan terugkijken naar de historische data. Mogelijk dat de stand van zaken mbt de bronnen, die in de zomer het Rijnwater leveren enig inzicht kunnen bieden. De relatief hoge zomerafvoer van de Rijn, waarin deze zich ook onderscheid van de Maas, is afkomstig uit 2 bronnen:

  • de smeltende sneeuw van de winter ervoor, die vooral in juni voor extra water zorgt, met een nasleep in juli en augustus.
  • de vele regenval in de Alpen en Zuid Duitsland. De zomermaanden zijn hier gemiddeld de natste maanden van het jaar en een relatief groot deel van die neerslag stroomt ook af naar de Rijn.

Wat de smeltende sneeuw betreft is er dit jaar geen goed nieuws. Er lag een redelijke hoeveelheid sneeuw, maar deze is voor een groot deel door sublimatie verdwenen. Het was ook in de Alpen zeer zonnig en in die situatie verdwijnt er veel sneeuw doordat het direct van de vaste vorm in damp overgaat. De hoeveelheid smeltwater bleef daarom gering en eind mei en begin juni, normaal de weken met veel smeltwater, bleef de Rijnafvoer vanuit de Alpen erg laag.

Inmiddels is het door het veranderde weer iets toegenomen, maar de extra bijdrage van de sneeuwsmelt bedraagt momenteel maar ca 300 tot 400 m3/s terwijl dat doorgaans in juni zo’n 750 tot 1000 m3/s is en in sneeuwrijke jaren zelfs 2000 m3/s. Omdat veel sneeuw inmiddels al weg is, zal deze extra bijdrage de komende weken niet veel meer stijgen.

Dan blijft de neerslag over als extra bron voor de Rijnafvoer. In mei was het nog erg droog in het hele stroomgebied. Dit was een gevolg van de persistente hogedrukgebieden die neerslagzones vanaf de Atlantische Oceaan op afstand hielden. In het voorjaar is deze neerslag vanaf de Oceaan een belangrijke bron van neerslag voor Europa en ook voor de Alpen. Omdat die dit jaar uitbleef, daalde de Rijnafvoer in april en mei sterk.

Inmiddels heeft de hogedruk zich teruggetrokken op de Oceaan en is er ruimte gekomen voor lagedrukgebieden boven Europa en dankzij de onstabiele atmosfeer in deze lagedrukgebieden kunnen er nu overal buien ontstaan. Vooral boven de Alpen en Zuid Duitsland zorgt dit weertype in de zomer vaker voor veel neerslag. Het treedt niet in ieder jaar op, zo bleef het in 2018 uit, maar in veel jaren komt het wel tot stand en dan is het een belangrijke bron van water voor de Rijn. 

Wat de afvoer betreft in de komende maanden is de Rijn, bij gebrek aan sneeuwsmelt, dus meer dan in andere jaren afhankelijk van de zomerse buiigheid in de Alpen en Zuid Duitsland. Er is geen garantie dat die neerslag er daadwerkelijk zal komen, maar de kans dat het niet gebeurt is wel kleiner dan dat het wel gebeurt. Ook hier vinden we weer dat ene jaar 1976 terug, waarin de neerslag er niet kwam. Een positief teken is dat de buienmachine nu in juni in ieder geval goed op gang lijkt te zijn gekomen. De komende weken zal duidelijk worden of dit stand houdt, of dat de hogedruk boven Midden Europa het stokje weer over neemt.

Droogte voorlopig voorbij, stijgende waterstanden

De regen waar lang naar werd uitgekeken, is er eindelijk gekomen. Daarmee kwam er een einde aan de extreme droogte die meer dan 2 maanden duurde. Voorlopig lijkt de droogte ook niet terug te keren en zijn er met enige regelmaat perioden met neerslag afgewisseld door enkele dagen droog weer. In dit bericht leest u hoe de weersverwachting voor de komende 1,5 tot 2 weken uitpakt voor de waterstanden in de rivieren.

Mei verliep droog in de stroomgebieden van Rijn en Maas en dit zorgde voor lage afvoeren. In het tweede deel van dit bericht een terugblik op de afgelopen maand en hoe bijzonder lage afvoeren in mei zijn.

Hogedrukgebieden maken plaats voor regenzones maar hun invloed is niet voorbij

Het vastgeroeste weerpatroon van april en mei werd de afgelopen week flink omgegooid. Lag er vorige week nog een groot hogedrukgebied boven Skandinavië, inmiddels ligt er een groot lagedrukgebied en regengebieden die bij dit lagedrukgebied horen verplaatsten zich de afgelopen dagen over Noordwest Europa. In Nederland viel zo'n 1,5 tot 2 cm regen en op enkele plaatsen zelfs bijna 3. De gebieden in zuid en oost Nederland die de laatste jaren het vaakst met droogte te kampen hadden, werden dit maal ruim bedeeld, hier viel 2 tot 2,5 cm. 

Ook in de stroomgebieden van Maas en Rijn viel regen en vooral in het oosten van Frankrijk, Zuid Duitsland en Zwitserland viel een aardige hoeveelheid (lokaal meer dan 5 cm) en een deel van dat water zal de komende dagen via de Rijn naar Nederland worden afgevoerd.

Het Skandinavische lagedrukgebied verplaatst zich de komende dagen naar het noorden en verliest daarmee zijn invloed op ons weer. Een hogedrukgebied vanaf de Atlantische Oceaan versterkt zich dan en krijgt grip op ons weer. Morgen valt er nog wat regen in de Benelux en dinsdag in Zuid Duitsland en de Alpen, maar de rest van de week verloopt grotendeels droog. Op donderdag weet echter een klein lagedrukgebied, nog net voor het zich uitbreidende hogedrukgebied langs, naar de golf van Biskaje te trekken en dat gebied is interessant om in de gaten te houden.

Terwijl de temperaturen bij ons oplopen kan dit lagedrukgebied voor voldoende onstabiliteit gaan zorgen om in het volgend weekend flinke buien te laten ontstaan. De grootste kans hierop is er in Frankrijk en België, maar ook in Nederland en de Alpenregio kunnen later buien ontstaan. Van 12 t/m 15 juni zou het daarom buiig weer kunnen worden in een groot deel van de stroomgebieden, voordat het later in de week na het volgend weekend weer een aantal dagen droog wordt. 

Rijn stijgt de komende dagen naar iets boven de 8 m +NAP

De afgelopen week daalde de Rijn naar ongeveer 7.5 m +NAP. Dat is ruim 1,5 meter lager dan normaal voor deze tijd van het jaar. De afvoer daalde naar iets boven de 1100 m3/s, wat maar de helft is voor deze tijd van het jaar. De regenval die donderdag inzette heeft inmiddels voor wat extra water gezorgd en de afvoer bij Lobith is weer langzaam gaan stijgen. De stijging van dit moment is afkomstig van de regen die in Midden Duitsland is gevallen. Het gaat daarom nog maar om een kleine stijging van slechts een paar decimeter.

Vanuit Zuid Duitsland is meer water onderweg en dat bereikt Lobith vanaf woensdag. De stand gaat dan nog wat verder omhoog en in het weekend verwacht ik bij Lobith een stand van ca 8,25 m +NAP. De afvoer bevindt zich dan net onder de 1500 m3/s. Dat is nog steeds ruim te laag voor de tijd van het jaar maar wat minder extreem dan eind mei.

De buien die op dinsdag in de Alpen en Zuid Duitsland vallen zorgen voor nog wat extra water, zodat de afvoer bij Lobith na het komend weekend voorlopig nog niet zal dalen en nog even rond de 8,25 m blijven staan. Het is daarna afwachten in hoeverre de buien die samen hangen met het kleine lage drukgebied in de golf van Biskaje in het komend weekend ook in het stroomgebied van de Rijn gaan vallen. Als de buien tot zover komen, dan zal de Rijnafvoer ook na 16 juni nog niet gaan dalen, maar mochten de buien niet het stroomgebied van de Rijn bereiken, dan is de kans groot dat de afvoer na 15 juni weer wat omlaag gaat. 

Samengevat zal de waterstand bij Lobith de komende dagen langzaam stijgen, met ca 5 tot 10 cm per dag naar een stand van ca 8,25 m +NAP in het komend weekend. Ook na het weekend is de kans groot dat de stand eerst nog enkele dagen rond die waarde blijft schommelen. Wat er vanaf 16 juni gebeurt hangt af van of buien, behorend bij een lagedrukgebied in de Golf van Biskaje, ook het stroomgebied van de Rijn weten te bereiken. Op dit moment is de kans daarop niet zo groot en daarmee is de kans het grootst dat de waterstand later in die week weer wat zal dalen.

Maasafvoer voorlopig rond de 100 m3/s

De Maasafvoer was in het midden van de afgelopen week gedaald tot slechts 50 m3/s, dat is maar 30% van de normale afvoer begin juni. Vanaf donderdag steeg de afvoer weer wat als gevolg van de regen die in de Ardennen viel. Inmiddels is de afvoer weer rond de 75 tot 100 m3/s uitgekomen. 

Vandaag en morgen valt er nog wat regen in de Ardennen, maar te weinig voor een verdere stijging en omdat het daarna tot en met donderdag droog blijft, zal de afvoer vanaf dinsdag juist weer wat dalen. Veel zal het niet zijn en waarschijnlijk blijft de afvoer nog boven de 50 m3/s.

Op donderdag zouden er al weer enkele buien kunnen vallen, maar vooral in het weekend is de kans daarop groot. Op zondag zouden die zelfs zo actief kunnen zijn dat dat voor flink wat extra water in de Maas kan zorgen in het begin van de nieuwe week na het volgend weekend. Voorlopig is dat echter nog erg onzeker want eerst moeten we nog maar afwachten of het lagedrukgebied zich inderdaad zoals verwacht boven de golf van Biskaje gaat stationeren.

Al met al blijven de afvoeren in de Maas de hele komende week op een laag niveau tussen de 60 en 75 m3/s bij Maastricht. In de tweede helft van het komend weekend is er dan kans op een wat sterkere stijging als er buien gaan vallen in de Ardennen.

Een terugblik op de lage mei-afvoeren in Rijn en Maas.

De gemiddelde Rijnafvoer bij Lobith bedroeg de afgelopen maand 1440 m3/s, dat is 65% van de langjarig-gemiddelde afvoer in mei. In de Maas bedroeg de afvoer bij Maastricht gemiddeld ca 90 m3/s, wat ongeveer de helft is van de normale mei-afvoer. 

Voor zowel de Rijn als de Maas zijn dit lage afvoeren, maar niet extreem laag. In de grafieken hieronder is voor respectievelijk de Rijn en de Maas het verloop van de mei-afvoeren weergegeven vanaf het begin van de metingen. Ook is het 30-jarig gemiddelde afgebeeld en zijn met rode kolommen de jaren aangegeven met een nog lagere afvoer dan deze maand en met oranje de maanden met een ongeveer vergelijkbare afvoer. Voor de Maas is uitgegaan van de afvoer bij Monsin (nabij Luik); dit is de net voor de plaats waar een deel van de Maasafvoer via het Albertkanaal wordt afgevoerd. Door gebruik te maken van de data van Monsin is het mogelijk om ook de periode van voor de aanleg van het kanaal te vergelijken. Via het Albertkanaal wordt tegenwoordig ca 20 m3/s afgevoerd.

Verloop mei.jpg

Verloop van de gemiddelde afvoer van de maand mei voor de Rijn bij Lobith sinds 1901 en het 30-jarig gemiddelde (zwarte lijn). Maanden met een nog (veel) lagere afvoer dan deze maand mei zijn rood weergegeven en met een ongeveer even lage afvoer oranje
Verloop van de gemiddelde afvoer van de maand mei voor de Rijn bij Lobith sinds 1901 en het 30-jarig gemiddelde (zwarte lijn). Maanden met een nog (veel) lagere afvoer dan deze maand mei zijn rood weergegeven en met een ongeveer even lage afvoer oranje

Verloop mei Maas.jpg

Verloop van de gemiddelde afvoer van de maand mei voor de Maas bij Monsin sinds 1911 en het 30-jarig gemiddelde (zwarte lijn). Maanden met een nog (veel) lagere afvoer dan deze maand mei zijn rood weergegeven en met een ongeveer even lage afvoer oranje
Verloop van de gemiddelde afvoer van de maand mei voor de Maas bij Monsin sinds 1911 en het 30-jarig gemiddelde (zwarte lijn). Maanden met een nog (veel) lagere afvoer dan deze maand mei zijn rood weergegeven en met een ongeveer even lage afvoer oranje

Zowel bij de Rijna als de Maas was de afvoer in de afgelopen maand niet extreem laag. Er waren ca 20 jaren met een lagere of ongeveer even lage afvoer. Ondanks de weinige regenval zakte de afvoer dus niet eens zo heel ver weg. Mogelijk is dit een gevolg van de natte winter die we achter de rug hebben. Vooral het water dat via de diepere bodem wordt afgevoerd doet er vaak maanden over en dit zorgde de afgelopen maand nog voor wat extra water. De Rijn profiteerde ook van enkele dagen dat er in Zuid Duitsland flink wat regen viel.

Uit de grafieken blijkt ook dat maanden met een lage mei afvoer door de hele reeks heen voorkomen. Er zijn altijd al flinke uitschieters en er is geen trend zichtbaar dat maanden met een zeer lage afvoer de laatste tijd vaker voorkomen. Bij de Maas zijn er sinds 2010 wel 5 meimaanden met een lage afvoer, maar eerder waren er soms ook perioden met meerdere jaren met weinig water in mei, zoals in de jaren '90 en '70. Bij de Rijn zijn er de laatste tijd zelfs relatief maar weinig maanden met een lage afvoer en zien we naast de clusters in de jaren '90 en '70 ook opvallende clusters in de jaren '40 en '50. 

Uit het verloop van het 30 jarig gemiddelde is zowel bij de Rijn als te Maas te zien dat dit na een hoogste waarde in de 80-er jaren langzaam is gaan dalen. Met name de laatste 15 jaar verloopt die daling wat sneller en sinds de jaren 80 is het 30-jarig mei-gemiddelde bij de Rijn gedaald van ca 2500 m3/s naar 2150 m3/s; dat is bijna 15% minder. Bij de Maas is de daling relatief nog wat groter, namelijk iets meer dan 20%; van 235 naar 185 m3/s. 

Voor beide rivieren is dat echter nog niet uitzonderlijk. Over de periode van 1940 t/m 1980 was de langjarig gemiddelde afvoer bij beide rivieren nog lager. De Rijn kende vooral in de jaren '40 en '50 veel jaren met een lage mei-afvoer en het langjarig gemiddelde kwam daardoor in 1960 uit op slechts 1850 m3/s. De Maas bereikte rond die tijd ook zijn laagste afvoer van rond de 180 m3/s. De huidige waarden liggen daar bij de Maas nog net boven. 

Samengevat past de lage mei-afvoer van dit jaar bij zowel de Rijn als de Maas in een trend van de afgelopen decennia, waarin de afvoeren gaandeweg wat lager zijn geworden. Bij beide rivieren waren er in het verleden echter perioden dat de afvoer gemeten over 30 jaar nog lager was dan tegenwoordig. Het is daarom niet te zeggen of de huidige lagere afvoeren een gevolg zijn van langjarige schommelingen (van ca 30 tot 40 jaar) die in beide rivieren op lijken te treden, of dat ze een gevolg zijn van de trend naar drogere voorjaren die we de laatste jaren meemaken en die een gevolg lijkt te zijn van de klimaatverandering.

In het bericht van volgende week zal ik verder in gaan op de lage voorjaarsafvoeren en nagaan in hoeverre hieruit al iets af te lezen is voor het verloop van de waterstanden in de rest van de zomer en het najaar.

Regen op komst, maar waterstanden blijven voorlopig laag

Het droge weer hield deze week onverminderd aan in de stroomgebieden en de waterstanden in Rijn en Maas daalden verder. De komende week is er verandering op komst: er gaat regen vallen, maar of dat voldoende is om de rivieren weer te laten stijgen is nog onzeker. In het eerste deel van dit bericht leest u meer over de weersituatie van de komende week en de invloed daarvan op de rivierafvoeren.

Na april is ook mei droog verlopen en dankzij de vele zonneschijn was ook de verdamping deze maand zeer groot. Het neerslagtekort in Nederland nam daardoor sterker toe dan ooit tevoren in de eerste twee maanden van het groeiseizoen. In het waterbericht van 17 mei heb ik al aandacht besteed aan de voorjaarsdroogte. Nu ga ik er nog wat verder op in en zal ik aan de hand van enkele grafieken laten zien dat de veranderingen die de laatste decennia in het neerslagverloop zijn opgetreden vooral in het voorjaar groot zijn. Dit heeft gevolgen voor het waterbeheer want het betekent dat we het neerslagoverschot de komende jaren beter zullen moeten gaan benutten.

Droog weer houdt nog aan tot het midden van de week, daarna buien

Het hogedrukgebied bij Skandinavië, dat de hele week ons weer heeft bepaald, trekt in de loop van de komende week naar het westen weg en dat maakt de weg vrij voor lagedrukgebieden die vanaf de Atlantische Oceaan naar het Europese continent trekken. Vanaf woensdag later op de dag zouden de eerste regenbuien Nederland kunnen bereiken. Ook de dagen daarna is er kans op neerslag. De hoeveelheden lijken voorlopig nog niet zo heel groot te zijn, maar tot en met het weekend zou er wel ca 2 cm kunnen vallen en voor veel plaatsen is dat meer dan er in de hele maand mei is gevallen.

Rond het volgend weekend keert het hogedrukdrukgebied vanaf de Oceaan weer terug, maar het ziet er niet naar uit dat het dan heel lang het weer bij ons zal beïnvloeden, want op wat langere termijn worden weer nieuwe lagedrukgebieden in onze omgeving verwacht. De verwachting voor meerdere dagen vooruit wisselt echter nog sterk, dus is er weinig zekerheid over hoeveel regen er precies gaat vallen. Alleen de weersomslag in de loop van woensdag lijkt nu wel bijna zeker met aardig wat regen gepaard te gaan.

Het onstabiele weer met buien strekt zich vanaf donderdag ook verder over Europa uit en vooral van vrijdag t/m zondag zou er veel regen kunnen vallen in de Alpen en Zuid Duitsland. Als dat uitkomt, dan betekent dat flink wat extra water voor de Rijn. Het zal dan echter nog tot ongeveer 10 juni duren voordat dat water Lobith heeft bereikt.

Rijn daalt deze week nog langzaam, pas na volgend weekend stijging mogelijk

De eerste dagen van de week steeg de Rijn bij Lobith een paar decimeter als gevolg van een klein golfje dat enkele dagen eerder in Zuid Duitsland was ontstaan. Op donderdag werd het hoogste punt bereikt bij een afvoer van 1350 m3/s en de stand bij Lobith kwam net niet tot 8 meter, waarna de daling weer inzette. Inmiddels is de afvoer alweer onder de 1250 m3/s gezakt en de waterstand weer 20 cm, lager. Ook de komende dagen zet de daling nog door, maar het gaat niet heel snel. De eerste twee dagen daalt de stand nog met ca 10 cm, daarna gaat het langzamer met ca 5 cm per dag. waarschijnlijk op zaterdag wordt dan de 7,5 m onderschreden en zal de afvoer rond 1100 m3/s zijn uitgekomen.

Na het komend weekend daalt de afvoer nog maar weinig verder en schommelt dan tussen de 1075 en 1100 m3/s, wat bij Lobith overeenkomt met een stand net onder de 7,5 m +NAP. Vanaf ongeveer 10 juni is dan voor het eerst een stijging van de waterstand mogelijk. Dit hangt af van de neerslag die vanaf de tweede helft van deze week in het stroomgebied gaat vallen. De meeste neerslag lijkt voorbestemd voor het zuidelijk deel van het stroomgebied en dat water doet er dan nog ongeveer 5 tot 6 dagen over voordat het Nederland bereikt. 

Als de verwachte neerslag inderdaad gaat vallen dan is de kans groot dat de Rijn in de tweede helft van juni weer een wat hoger niveau zal bereiken. Zoals ik vorige week al schreef levert de smeltende sneeuw in de Alpen dit jaar maar een kleine bijdrage aan de Rijnafvoer en smeltwater zal ook de komende weken niet voor veel extra water zorgen. Gewoonlijk is het meeste Rijnwater in de zomer echter afkomstig van regenval en mocht het weer inderdaad omslaan en er ongeveer normale hoeveelheden regen gaan vallen, dan kan de Rijnafvoer zich gedurende de zomermaanden ook weer herstellen. De weermodellen verwachten de komende tijd wel aardig wat regen; nu nog afwachten of dat ook daadwerkelijk gaan vallen.

Maasafvoer blijft komende week nog laag

De Maasafvoer daalde de hele week langzaam verder en is nu bij Maastricht tot ca 60 m3/s gezakt. De eerstkomende dagen zal daar niet veel aan veranderen en tot en met donderdag blijft de afvoer stabiel of daalt nog iets verder. 

Vanaf donderdag wordt er regen verwacht, maar de hoeveelheden zijn niet heel groot en lijken onvoldoende voor een sterkere stijging. Mogelijk dat in het weekend de 100 m3/s weer even bereikt wordt als er donderdag en vrijdag inderdaad enkele flinke buien vallen in het stroomgebied.

Ook op wat langere termijn wordt er niet veel regenverwacht en de kans is daarom groot dat de Maas voorlopig niet veel zal stijgen en de afvoer tussen de 50 en 100 m3/s blijft schommelen. Anders dan bij de Rijn ligt er in het stroomgebied van de Maas geen gebied zoals de Alpen waar het 's zomers extra nat is. Bij de Maas is de kans op hogere afvoeren later in de zomer daarom ook minder groot wanneer het voorjaar, zoals dit jaar, al droog is verlopen. 

Zomers neerslagtekort Nederland is de afgelopen 40 jaar toegenomen, vooral in het voorjaar

April en mei samen zijn beide droog tot zeer droog verlopen en vooral in het midden en een groot deel van het zuiden viel in deze twee maanden maar 2 tot 2,5 cm regen. Ook de laatste twee weken van maart waren daar al erg droog en inmiddels is er ca 10 cm regen minder gevallen dan er normaal in deze periode van 2,5 maand valt. In het noorden van het land en Zuid Limburg was het wat natter, maar ook daar was tekort aan neerslag groot.

De zon scheen meer dan ooit dit voorjaar en daardoor was de verdamping ook zeer groot. Sinds medio maart bedroeg de potentiële verdamping in De Bilt ruim 23 cm en omdat er maar ca 2,5 cm regen is gevallen het neerslagtekort is daardoor opgelopen tot ca 20 cm en dat is al bijna twee keer zo groot als het normaal aan het eind van de zomer zou zijn.

Het droge voorjaar en de vele zonneschijn worden veroorzaakt door hogedrukgebieden die niet van wijken weten en bijna alle regengebieden gaan in een grote boog om ons land heen. Dit weerpatroon past in een trend die al enkele decennia aan de gang lijkt te zijn, want vooral sinds 1990 zien we de neerslag in de voorjaarsmaanden, en dan vooral april, afnemen en de zonneschijn en verdamping toenemen.

In de grafiek hieronder is aan de hand van de data van De Bilt het jaarverloop van neerslag en verdamping weergegeven voor de maanden van het jaar. Het verschil tussen beide is met de kolommen aangegeven: als er meer neerslag valt dan er verdampt is de kolom positief en blauw gekleurd. Als er meer verdampt dan er als regen valt is die negatief en bruin gekleurd. 

verandering in opbouw neerslagtekort.jpg

Verloop van neerslag (blauwe lijn), verdamping (oranje lijn) en neerslagoverschot cq tekort (blauwe kolommen) gedurende het jaar . Links de situatie rond 1980, rechts de huidige situatie.
Verloop van neerslag (blauwe lijn), verdamping (oranje lijn) en neerslagoverschot cq tekort (blauwe kolommen) gedurende het jaar . Links de situatie rond 1980, rechts de huidige situatie.

Over het hele jaar bekeken zijn zowel de neerslag als de verdamping in deze 40 jaar toegenomen. De neerslag van ongeveer 790 naar 850 mm en de verdamping van 540 naar 600 mm. Het neerslagoverschot bedraagt dus nog steeds ongeveer 25 cm. Gedurende het jaar zijn er echter wel enkele opvallende veranderingen opgetreden. Zo is februari flink natter geworden, waardoor het neerslagoverschot in die maand sterk is gegroeid en ook september en oktober zijn natter geworden en leveren nu een grotere bijdrage aan het neerslagoverschot.

April is echter de maand die het meeste opvalt. Hier is de hoeveelheid neerslag flink afgenomen en tegelijkertijd is de verdamping sterk toegenomen. Terwijl april in 1980 nog een maand was waarin verdamping en neerslag elkaar vrijwel in evenwicht hielden is het in 40 jaar tijd uitgegroeid tot een maand met een groot neerslagtekort; zelfs groter dan in juli. Ook in mei is het neerslagtekort toegenomen. Dit was altijd al de maand die gemiddeld het meeste bijdraagt aan het tekort, maar de mate waarin, is nog wat groter geworden.

In juni en juli is de bijdrage aan het neerslagtekort tegenwoordig ook iets groter dan in 1980, maar de veranderingen zijn minder groot dan in april en mei. In augustus is er weinig veranderd, dit was altijd al een maand waarin neerslag en verdamping elkaar in evenwicht hieden en dat is nog steeds zo. In de wintermaanden tenslotte van november t/m januari is er niet zo veel veranderd: er valt tegenwoordig iets meer neerslag en de verdamping is ietsje gestegen, waardoor de bijdrage aan het overschot in die maanden licht is toegenomen. 

Omdat de verdamping vooral in het zomerhalfjaar groot is, groeit dan het neerslagtekort, terwijl in het winterhalfjaar bij gebrek aan verdamping het neerslagoverschot juist toe neemt. In de volgende grafiek is de opbouw van het neerslagtekort in het zomerhalfjaar en die van het neerslagoverschot in het winterhalfjaar uitgezet en de veranderingen daarin tussen 1980 en 2020.

Schermafbeelding 2020-05-31 om 14.50.06.png

Opbouw van het neerslagtekort in het zomerhalfjaar (links) en het neerslagoverschot in het winterhalfjaar (rechts) voor 1980 en 2020.
Opbouw van het neerslagtekort in het zomerhalfjaar (links) en het neerslagoverschot in het winterhalfjaar (rechts) voor 1980 en 2020.

Zowel het overschot als het tekort zijn toegenomen in de afgelopen 40 jaar. Bij het tekort valt op dat dit tegenwoordig al meteen in april vrij groot is, waar het in 1980 nog vrijwel nul was. In de maanden daarna neemt het tekort verder toe, maar de verschillen in de mate van toename zijn per maand niet meer zo groot als in de eerste maanden. Zoals we ook in de bovenste grafieken al zagen zijn het vooral de voorjaarsmaanden die voor de toename in het neerslagtekort zorgen. Het neerslagoverschot in de winter zien we een zelfde beeld, ook dit is over de hele linie toegenomen.  De bijdrage aan deze toename is in de meeste maanden gelijkmatig verdeeld, alleen februari springt er uit en zorgt in zijn eentje voor bijna de helft van de totale toename. 

Uit bovenstaande analyse blijkt dat vooral in de voorjaarsmaand april en mindere mate in mei er grote veranderingen in het klimaat zijn opgetreden. Het is droger geworden en de verdamping is toegenomen. Het gevolg is dat er al meteen aan het begin van het groeiseizoen een groot neerslagtekort wordt opgebouwd en tegen eind mei is dit tekort tegenwoordig al net zo groot als het rond 1980 midden in de zomer zou zijn geweest. Tegelijkertijd is het totale neerslagoverschot, berekend over het hele jaar, ongeveer hetzelfde gebleven, alleen de verdeling over het jaar is veranderd: in de zomer is het tekort groter geworden en in de winter het overschot.

Voor het Nederlandse waterbeheer betekent dat dat we zorgvuldiger met het overschot om zullen moeten gaan. Het huidige waterbeheer in Nederland doet dat onvoldoende; dat is er namelijk op gericht dat de waterpeilen (van sloten, beken en het grondwater) op 1 april op de zomerstand staan. Dit is nodig omdat het land bewerkt moet kunnen worden en dat vraagt om een niet te hoge grondwaterstand in het voorjaar. In de winter wordt er daarom vooral water afgevoerd om het neerslagoverschot kwijt te raken, zodat op de peildatum 1 april de situatie in orde is.

Het watersysteem dat hier voor nodig is, is vooral in de periode van de ruilverkavelingen tussen 1970 en 1990 ingericht en daarbij heeft men rekening gehouden met de toen heersende klimatologische gegevens. Zoals we hierboven zagen is het klimaat echter met name rond de peildatum in april sterk gaan veranderen en een geschikt peil in april betekent tegenwoordig bijna zeker een veel te laag peil in de zomer, omdat april en mei anno 2020 een veel groter neerslagtekort hebben.

Door dit grotere neerslagtekort moet het grondwater tegenwoordig veel meer dan vroeger aangesproken worden voor beregening. Het grondwater is echter geen oneindige bron, want hierin wordt het water opgeslagen dat in de winter als overschot valt en als dit overschot meer dan vroeger wordt afgevoerd, dan zal grondwater later in de zomer zeker veel te ver uitzakken. 

Dit probleem is niet zomaar opgelost, want simpelweg overal het peil in april verhogen zal al snel problemen opleveren voor de landbouw die dan in de soms toch optredende nattere voorjaren het land niet op kan. Een mogelijke oplossing zou een nieuwe herverkaveling kunnen zijn, waarbij er grotere gebieden worden heringericht waar het grondwater weer volop kan worden aangevuld en daar dan wel verder kan stijgen. Er is wel eens een schatting gemaakt dat voor dergelijke infiltratiegebieden ongeveer 10% van het grondbeslag voldoende is. Daar zal landbouw vroeg in het voorjaar dan lastig zijn, maar het heeft tot voordeel dat het grondwatersysteem weer op orde gebracht kan worden en daar profiteren veel meer bedrijven van. 

 

 

Abonneren op