U bent hier

Actuele verwachtingen waterstanden

Het water in de Nederlandse rivieren en delta is altijd in beweging. De hoeveelheid neerslag en smeltwater zorgen ervoor dat de waterstand in de rivieren stijgt of daalt en in de delta en langs de kust zijn het vooral stormen die de waterstanden bepalen. Op deze pagina met actuele verwachtingen schrijf ik iedere week onder de kop Water van de Week een prognose hoe de waterstanden zich op korte termijn ontwikkelen. Als de waterstanden in de rivieren sterk gaan stijgen en er zich een hoogwater ontwikkelt of als er een storm met hoogwater langs de kust op komst is, verschijnen de hoogwaterberichten met een hogere frequentie van eens in de 2 of 3 dagen. Naast de waterverwachtingen probeer ik ook iedere week een onderwerp wat verder uit te diepen in de rubriek Water Inzicht in het tweede deel van het wekelijkse waterbericht.

 

Rijn stijgt verder, Maas blijft laag

De eerste week van mei leverde aardig wat neerslag op en vooral de Rijn profiteerde daarvan. De waterstand is al bijna 1 meter hoger dan vorige week en daar komt nog ca 1m bij, want ook de komende week staat het stroomgebied van de Rijn een aantal natte dagen te wachten. Het stroomgebied van de Maas blijft grotendeels buiten schot en de Maasafvoer blijft daarom onveranderd aan de lage kant. In het waterbericht leest u meer in detail de verwachtingen voor de komende twee weken.

In de rubriek water Inzicht een terugblik op het afgelopen winterseizoen, dat op één flinke hoogwatergolf na, werd gekenmerkt door veel dagen met afvoeren onder het langjarig gemiddelde.

water van de week

Lagedrukgebieden blijven het weer bepalen

De regen van de afgelopen week hing samen met lagedrukgebieden die vanaf de Atlantische Oceaan richting het continent trokken. Op dinsdag trok er een dicht langs Nederland en dat veroorzaakte een voorjaarsstorm met hoogwater langs de Nederlandse kust. De bijbehorende neerslagzones trokken over de stroomgebieden en brachten vooral voor de Rijn veel regen.

Vanwege de lage temperaturen viel er in de Alpen boven de 1500 m opnieuw sneeuw en het sneeuwdek groeide er nog wat verder aan.  Meestal is mei de maand dat de sneeuw smelt, zeker onder de 2000 m, maar dit jaar pakt het wat anders uit. De sneeuwlaag is er u overal bovengemiddeld dik voor de tijd van het jaar, dus dat beloofd binnenkort nog heel wat smeltwater in een relatief korte tijd. Hiervan zal dan de Rijn profiteren, dus laagwater hoeven we daar de eerste 2 maanden niet te verwachten. 

In het kaartje hierna is de verdeling van de neerslag over de stroomgebieden van Rijn en Maas weergegeven in de eerste 7 dagen van mei. De grote hoeveelheden in Zuid Duitsland vallen op en hiervan profiteert nu de Rijn, die langzaam is gaan stijgen. Ook in Nederland viel aardig wat regen, met lokaal meer dan 3 cm. Verder valt op dat het stroomgebied van de Maas en dan met name de Ardennen maar erg weinig regen ontvingen. Ook de Midden Duitse zijrivieren van de Rijn liggen in deze zone. 

Deze ca 300 km brede droge zone die vooral de Maas parten speelt, zagen we de vorige jaren ook vaak in de zomer. In met name de noordwestelijke helft van Naderland is het dan vrij nat en vanaf het zuiden van Duitsland ook weer, maar er tussenin wil dan nauwelijks regen vallen. Dit jaar lijkt dit patroon dus ook weer op te treden.

Schermafbeelding 2021-05-09 om 11.21.02.png

Neerslaghoeveelheden in de eerste week van mei (bron Kachelmannwetter.com)
Neerslaghoeveelheden in de eerste week van mei (bron Kachelmannwetter.com)

Een volgend lagedrukgebied ligt nu bij Ierland en dit zorgt vandaag voor een warme zuidelijke stroming over onze omgeving. Lang duurt dit warme intermezzo niet, want het lagedrukgebied schuift gaandeweg op richting onze omgeving en daarmee kan koelere oceaanlucht opnieuw tot ons doordringen. De overgang van warme naar koele lucht gaat gepaard met buien. In Nederland kan daar lokaal flink wat regen uit vallen. Als deze zone verder Europa in trekt, blijft hij enige tijd hangen boven het zuiden van Duitsland en de Alpen en dat zorgt daar voor flink wat regen, lokaal tot meer dan 4 cm, in de Alpen zelfs 7 cm. In het stroomgebied van de Maas valt maar weinig regen en de Maas hoeft daarom voorlopig niet op extra water te rekenen.

Vanaf donderdag is het lagedrukgebied zover naar het oosten opgeschoven dat er geen invloed meer is op het weer in het stroomgebied van de Rijn. Er ontstaat dan waarschijnlijk een klein hogedrukgebiedje boven de omgeving van Nederland, waardoor het een aantal dagen droog blijft in de stroomgebieden. Dit hogedrukgebied is geen blijvertje, want nieuwe lagedrukgebieden dienen zich in het volgend weekend alweer aan. Zoals het er nu naar uitziet zullen ook dan vooral Midden Europa en de Alpen profiteren van de meeste neerslag.

Rijn stijgt naar ca 9,5 m, later misschien nog hoger

In het begin van de afgelopen week was de Rijnafvoer nog aan de lage kant. De afvoer bij Lobith bedroeg toen slechts 1200 m3/s en dat is maar iets meer dan de helft van wat normaal is voor deze tijd van het jaar. In de loop van de week arriveerde het water van de neerslag die in Zuid-Duitsland en Zwitserland was gevallen. Ook de Moezel steeg wat dankzij regenval in het Franse deel van het stroomgebied. De Ardenne, waar de Moezel ook water vandaan krijgt, leverden nauwelijks extra water.

De waterstand bij Lobith is inmiddels gestegen tot 8,5 m +NAP en de afvoer bedraagt nu ca 1650 m3/s. De komende 2 tot 3 dagen gaat de stand vrij snel verder omhoog tot een waarde van net iets onder de 9,5 meter op woensdag en donderdag. De afvoer is dan gestegen tot ca 2250 m3/s. Na deze piek gaat de stand eerst weer wat omlaag naar ca 9,1 m in het weekend. In het begin van de week na het komend weekend arriveert dan het water van de regen die vanaf morgen in Zuid-Duitsland en Zwitserland  gaat vallen. Dit zal dan voor een nieuwe stijging zorgen naar een vergelijkbaar niveau als deze week.

Als er tegen die tijd ook nog wat regen valt in de deelstroomgebieden van de Midden-Duitse rivieren dan is zelfs een verdere stijging naar ca 10 meter mogelijk in de week na komend weekend. Op nog wat langere termijn zal ook een steeds grotere hoeveelheid smeltwater vanuit de Alpen naar de Rijn stromen. Als dat rond die tijd gepaard gaat met ook veel regen in Duitsland, dan is zelfs een klein zomerhoogwatertje niet uit te sluiten. Maar dan moet het wel flink doorregenen, want alleen door smeltwater kan er geen zomerhoogwatertje ontstaan. 

Samengevat de komende dagen een verder stijgende stand naar iets onder de 9,5 m halverwege de week, daarna iets dalend naar ca 9,1 m in het weekend. Na het weekend opnieuw een stijging naar ca 9,5 m, misschien nog wat hoger.

Maas blijft voorlopig erg laag.

De Maas ontving de afgelopen week nauwelijks neerslag. De regengebieden trokken ten noorden en ten zuiden van het stroomgebied langs, maar er niet overheen. De afvoer bij Maastricht is daarom tot ca 100 m3/s gezakt, wat minder dan de helft is de gemiddelde situatie in deze tijd van het jaar. 

Ook de komende week gaat er weinig veranderen, want de regengebieden laten het stroomgebied wederom grotendeels links liggen. Pas in en na het volgend weekend geven de weermodellen aan dat er wat regen kan vallen. Ook dan zijn het geen grote hoeveelheden, maar dat kan natuurlijk nog wel gaan veranderen. 

Vanwege de geringe neerslaghoeveelheden zal de Maas de hele week langzaam blijven dalen naar een afvoer van ca 75 m3/s bij Maastricht. 

water inzicht

Een winter met een flinke hoogwatergolf en verder vooral lage afvoeren

De winter is de periode met verreweg de grootste kans op hoge rivierafvoeren. Niet omdat er dan meer neerslag valt, maar vooral omdat er dan geen verdamping is en de vegetatie geen water opneemt. De neerslag die valt wordt dan voor een groot deel afgevoerd naar de rivieren, terwijl dat in de zomer maar voor een klein deel. Als er sneeuw valt in de winter dan wordt de hoeveelheid water die dat vertegenwoordigd enige tijd opgespaard om als het dan gaat dooien wel beschikbaar te komen.

Als dat smelten dan gepaard gaat met veel neerslag, dan is de kans groot dat er een hoogwatergolf ontstaat. De afgelopen winter was dat het geval, want na een wat koudere periode in januari, waarbij er tot in de lagere delen van de stroomgebieden een laagje sneeuw was blijven liggen, ging het eind januari flink dooien en tegelijk regenen. Dit leverde zowel in de Rijn de hoogste hoogwatergolf op sinds 2018, in de Maas de hoogste sinds 2011. 

In de figuren hierna is het afvoerverloop van respectievelijk de Rijn en de Maas gedurende het winterhalfjaar weergegeven. De grafiek loopt vanaf augustus t/m juli, zodat de winter middenin de grafiek uit komt. Aan vooral de maximale dagwaarde is goed te zien dat in de winter de pieken verreweg het hoogste zijn, maar ook het gemiddelde is dan het hoogst. Bij de lage afvoeren is dat verloop er nauwelijks, iig niet bij de Rijn. In de winter kunnen in de Rijn vrijwel net zo lage afvoeren voorkomen als in de zomer.

Winterseizoen Rijn 20-21.jpg

Afvoerverloop van de Rijn bij Lobith gedurende het afgelopen winterhalfjaar. Ook het verloop van de hoogste en laagste dagwaarde, het gemiddelde en het verloop van de 10% hoogste en 10% laagste waarden zijn weergegeven.
Afvoerverloop van de Rijn bij Lobith gedurende het afgelopen winterhalfjaar. Ook het verloop van de hoogste en laagste dagwaarde, het gemiddelde en het verloop van de 10% hoogste en 10% laagste waarden zijn weergegeven.

 

Winterseizoen Maas 20-21.jpg

Afvoerverloop van de Maas bij Monsin gedurende het afgelopen winterhalfjaar. Ook het verloop van de hoogste en laagste dagwaarde, het gemiddelde en het verloop van de 10% hoogste en 10% laagste waarden zijn weergegeven.
Afvoerverloop van de Maas bij Monsin gedurende het afgelopen winterhalfjaar. Ook het verloop van de hoogste en laagste dagwaarde, het gemiddelde en het verloop van de 10% hoogste en 10% laagste waarden zijn weergegeven.

De Rijn had deze winter maar een hoogwatergolf in de eerste week van februari. De afvoer steeg tot bijna 7500 m3/s wat gemiddeld eens in de ongeveer 3 jaar voorkomt. De Maas was iets actiever de afgelopen winter en in deze rivier traden twee duidelijke golven op, waarbij de eerste eind december en de tweede ook in de eerste dagen van februari. De Maasafvoer steeg tot ca 1780 m3/s, een afvoer die ongeveer eens in de 4 jaar voorkomt. De hoge Maasafvoer was dus iets bijzonderder dan de Rijnafvoer. 

Buiten deze hoogwatergolven was de afvoer van Rijn en Maas de hele winter relatief aan de lage kant. Er waren enkele kleinere pieken, maar die kwamen net aan de gemiddelde afvoer voor die periode van het jaar. De rest van de tijd bevond de afvoer zich steeds (ruim) onder dat gemiddelde. Aan het eind van april bereikte de afvoer zelfs de waarde van de 10% laagste afvoeren, dat wil zeggen dat een dergelijke waarde op die dag maar in een op de 10 jaren wordt bereikt.

In de figuur hierna is voor beide rivieren per maand weergegeven welk deel van de normale afvoer er werd afgevoerd. In november waren de afvoeren voor Rijn en Maas nog beneden gemiddeld; vooral in de Maas waren de gevolgen van een vrij droge zomer en najaar nog merkbaar. In december had de Maas al een eerste hoogwatergolfje en daardoor kwam het gemiddelde bijna bij normaal uit. De neerslaggebieden die de Maas in december opstuwden gingen grotendeels aan de Rijn voorbij en daarom nam in de Rijn in december het percentage juist wat af in vergelijking met de maand ervoor.

In januari nam vooral de Maasafvoer al sterk toe, maar dit was vooral het gevolg van een hoge afvoer in de laatste paar dagen van de maand. Bij de Rijn is het water ca 5 dagen langer onderweg en daardoor bleef januari nog relatief laag, maar was februari vooral aan de hoge kant. Na de nattigheid eind januari en begin februari werd het snel weer vrij droog en de afvoer daalde daardoor na enkele weken weer onder het langjarig gemiddelde. In maart lag bij beide rivieren het percentage dat ze afvoerden al weer onder de 80% van de gemiddelde afvoer en in april al weer rond de 65%. In totaal voerde de Rijn gedurende de periode van november t/m april ca 90% van de normale afvoer af, de Maas 95%.

Al met al geen uitzonderlijke winter, met één flinke hoogwatergolf, en met vrij lange droge perioden waardoor de afvoer vaak onder het langjarig gemiddelde bleef.

Schermafbeelding 2021-05-09 om 13.47.00.png

Percentage van de gemiddelde afvoer die Rijn en Maas per maand afvoerden.
Percentage van de gemiddelde afvoer die Rijn en Maas per maand afvoerden.

 

Regen in de stroomgebieden en licht stijgende waterstanden

Na een langere droge periode in april is de maand mei nat van start gegaan en dat blijft het ook de komende week. Vooral de Rijn krijgt er wat water bij, mede dankzij smeltwater uit de Alpen, maar ook de Maas zal licht stijgen. Op wat langere termijn is nog niet duidelijk of het natte weer doorzet en de waterstanden nog wat verder zullen stijgen. De Rijn kan echter nog op heel wat smeltwater rekenen, dus lage waterstanden zullen daar voorlopig niet meer optreden. In het waterbericht leest u de verwachting voor de waterstanden van Rijn en Maas in de komende weken.

In de rubriek Water Inzicht een nieuwe analyse van de waterstanden in de Bodensee. De komende weken zal hier weer veel smeltwater in gebufferd worden en dit grootste meer van de Alpen is daarom een belangrijke graadmeter voor de Rijn in de komende zomer. 

Water van de week

Komende week staat in het teken van lagedrukgebieden

De maand april verliep erg koud en dat was wel even wennen na de warme april-maanden die we de afgelopen jaren hebben meegemaakt. De koude hadden we te danken aan relatief hoge luchtdruk boven het noorden van de Atlantische Oceaan en lage druk boven Scandinavië. Daar tussendoor was er een noordelijke luchtstroming die wekenlang ijskoude lucht vanaf de Noordpool tot boven West en Midden Europa kon aanvoeren. Op enkele korte nattere perioden na was het meestal droog weer. 

In de loop van de afgelopen week begon er echter wat te veranderen. Het hogedrukgebied nabij IJsland trok zich wat terug en lagedrukgebieden vanaf de Atlantische Oceaan konden Europa bereiken. Op de laatste dag van april viel er daardoor nog aardig wat regen en zo kon april in Nederland toch ongeveer een normale maand worden wat de regenval betreft. De regenzone trok op vrijdag en zaterdag verder het continent op en vooral boven de Alpen en Zuid Duitsland viel veel regen, wat de komende dagen via de Rijn naar Nederland wordt gevoerd.

De komende week kunnen we nogmaals twee nieuwe lagedrukgebieden verwachten, waarvan vooral de eerste regen zal aanvoeren. Het eerste lagedrukgebied trekt dinsdag al met veel regen en wind vlak ten noorden van Nederland langs. De regenzones bewegen daarna verder het continent op en tot en met vrijdag blijft het regenachtig, met de grootste hoeveelheden in het stroomgebied van de Rijn.

Vanaf vrijdag nadert een volgend lagedrukgebied en anders dan zijn voorganger lijkt dit exemplaar boven de Britse Eilanden tot stilstand te komen. De regenzones blijven daardoor op afstand en er ontwikkelt zich boven West Europa een zuidelijke luchtstroming, die (eindelijk) de koude lucht gaat verdrijven en de temperatuur flink zal opstuwen. Hierbij past nog wel een kanttekening, want het Amerikaanse weermodel verwacht niet dat het lagedrukgebied stil blijft liggen boven het VK en voorziet dat het ook het continent op trekt met aardig wat neerslag. 

Het is dus nog niet zeker dat het weekend warm en droog gaat verlopen, want als het aan het Amerikaanse weermodel houdt de nattigheid nog langer aan. Ook het Europese weermodel verwacht trouwens dat regenzones na het weekend wel het continent op zullen trekken. De kans is daarom groot dat ook de tweede week van mei wel regen zal brengen in de stroomgebieden, maar het blijft afwachten waar de regen dan valt en hoeveel het zal zijn.

Waterstand Rijn stijgt deze week ongeveer een meter

De Rijn bereikte zaterdag voorlopig het laagste niveau van het voorjaar, met bij Lobith een stand van ca 7,6 m +NAP en een afvoer iets onder de 1200 m3/s. Dat is laag voor de tijd van het jaar, maar ook weer niet ongebruikelijk in april. De maand verliep in de stroomgebieden namelijk vrij droog en door het koude weer bleef ook het smeltwater vanuit de Alpen nog uit.

De laatste dagen van de afgelopen week veranderde dit beeld echter wel, want regen wist het stroomgebied te bereiken en vooral boven Zuid Duitsland en de Alpen viel flink wat. Verder naar het noorden in Duitsland bleef het grotendeels droog, maar daar kan de komende dagen wel nog regen gaan vallen als de volgende depressie over trekt.

In de Alpen komt de sneeuwsmelt dit jaar, dankzij de ook daar koude aprilmaand, maar langzaam op gang en er ligt overal meer dan de gemiddelde hoeveelheid voor deze tijd van het jaar. Boven de 1500 m groeide het sneeuwdek de afgelopen 2 dagen zelfs nog wat aan, dus er staat de Rijn de komende weken nog heel wat extra water te wachten als de sneeuw eindelijk gaat smelten. 

De neerslag die de afgelopen dagen is gevallen zorgt nu voor een beperkte stijging van de waterstanden in de Bovenrijn. Dit piekje zal dan zaterdag bij Lobith aankomen. Onderweg groeit het nog wat verder aan door regen die vanaf dinsdag verder stroomafwaarts in het stroomgebied valt. Bij Lobith zal de waterstand de hele week langzaam stijgen met zo'n 10 tot 15 cm per dag, naar ca 8,5 m +NAP in het komend weekend. De afvoer bedraagt dan ongeveer 1600 m3/s. 

Vanaf dinsdag t/m vrijdag valt er opnieuw regen in het stroomgebied en ook dan vallen de grootste hoeveelheden in Zwitserland en Zuid Duitsland. Er ontstaat vervolgens op vrijdag of zaterdag een volgende piek in de Bovenrijn, die waarschijnlijk iets hoger zal worden dan de piek van deze week. Deze piek zal dan in de loop van de week daarna, dat is rond 12 of 13 mei, bij Lobith aankomen. Het hangt van de afvoer vanuit de zijrivieren in Midden Duitsland af, hoe hoog de waterstand dan bij Lobith zal worden. Mogelijk dat dit leidt tot een nog wat hogere stand van ca 9 m +NAP bij Lobith en een afvoer van ca 1900 m3/s. Volgende week is hierover meer duidelijkheid te geven. 

Volgende week is er mogelijk ook al meer duidelijk over hoe de rest van de maand mei gaat verlopen in de Alpen. Als het warmer wordt in combinatie met flink wat neerslag, dan kan dat tot veel smeltwater leiden en verder stijgende standen in de Rijn in de loop van mei. In sommige jaren leidt dit zelfs tot een zomerhoogwatertje en omdat er in april nog maar weinig sneeuw is gesmolten, is de kans daarop dit jaar groter dan in andere jaren. Maar het kan ook nog anders uitpakken, want als alleen de temperatuur omhoog gaat en de neerslag achterwege blijft, dan verdampt al meteen een flink deel van de sneeuw en dat beperkt de hoeveelheid smeltwater.

Afvoer Maas stijgt een beetje

De daggemiddelde afvoer bij Maastricht daalde de hele week nog langzaam verder van ca 125 m3/s naar iets boven de 100 m3/s. De neerslagzone die vanaf donderdag Nederland bereikte, bracht niet veel regen in het stroomgebied van de Maas en kwam daarom maar weinig extra water tot afstromen. De afvoer is er door gestabiliseerd, maar stijgt voorlopig niet.

Vanaf woensdag kan daar wat verandering in komen, want samen met de depressie die dinsdag langs Nederland trekt, zullen nieuwe regengebieden het continent op trekken. De kans lijkt nu groter dan de vorige keer dat er in het stroomgebied van de Maas regen gaan vallen. Vanaf dinsdag t/m donderdag wordt er iedere dag zo'n 5 tot 10 mm verwacht en dat is voldoende voor een lichte stijging.

Al met al kan de afvoer vanaf woensdag wat gaan stijgen en op vrijdag is dan een afvoer mogelijk tussen de 150 en 200 m3/s. Vanaf vrijdag ziet het er naar uit dat het weer enkele dagen droog wordt in het stroomgebied en vanaf zaterdag kan de Maasafvoer dan weer gaan dalen. 

Water inzicht

De Bodensee als graadmeter voor de bijdrage van de Alpen aan de Rijnafvoer

De belangrijkste reden dat de Rijnafvoer een heel ander seizoensverloop heeft dan de Maasafvoer is omdat de Alpen deel uitmaken van het stroomgebied van de Rijn. De sneeuw die hier in de winter valt, smelt meestal pas in de periode tussen half april en half juni en dat zorgt dan voor flink wat extra water. In veel jaren loopt de Rijnafvoer vanaf mei daarom weer op, om in juni een hoogste stand te bereiken, voordat de lange daling begint die tot in het najaar duurt. Bij de Maas is het verloop heel anders; daar zet de daling meestal al in maart in en deze loopt dan gestaag door tot in augustus. Alleen een periode met veel buiigheid kan er voor kortere stijgingen zorgen in het zomerhalfjaar.

Behalve dat er in mei en juni veel smeltwater beschikbaar komt vanuit de Alpen is er nog een fenomeen dat het seizoensverloop van de Rijn en dat zijn de grote meren die aan de voet van de Alpen liggen. Meren zoals de Bodensee en het Vierwoudstedenmeer fungeren namelijk als enorme buffers en al het water dat de Alpen leveren wordt eerst in deze meren opgeslagen. De afvoer vanuit zo'n meer verloopt veel geleidelijker dan de aanvoer. Bij de Bodensee bijvoorbeeld zorgt een extra toevoer aan de bovenstroomse zijde van ca 500 m3/s voor een uitstroom van slechts 50 m3/s extra aan de benedenstroomse zijde.

Zo wordt in de loop van mei en juni al maar meer smeltwater in het meer opgeslagen, dat vervolgens in de maanden daarna langzaam tot afstroom komt. Tot in september levert de Bodensee daarom nog steeds water dat afkomstig is van smeltwater van sneeuw die in de voorgaande winter is gevallen. De Rijn is daarom ook wat minder gevoelig voor droge zomers, omdat een voorafgaande natte winter dit deels zal compenseren.

De Bodensee is de grootste van de Zwitserse meren in het stroomgebied van de Rijn en goed voor ongeveer de helft van al het water dat in de meren wordt gebufferd. De hoeveelheid water die in het meer wordt opgeslagen is af te lezen aan de waterstand en het verloop van de waterstand door de jaren heen is daarom een goede graadmeter voor wat er in de Alpen gebeurt.

Gedurende het jaar bereikt het peil in de Bodensee rond 1 maart altijd zijn laagste niveau van ca 2,8 m op de peilschaal bij Konstanz. In de loop van april begint dan een langzame stijging en in de loop van mei neemt de stijgsnelheid toe als er steeds meer smeltwater aangevoerd wordt. Gewoonlijk wordt dan in de tweede helft van juni de hoogste stand bereikt, rond 4,2 m bij Konstanz. In jaren met weinig sneeuw blijft het peil soms al bij 3,5 m steken, maar in jaren met veel sneeuw, in combinatie met veel regen ken het peil ook stijgen tot 5,5 meter.

In de figuur hierna is voor de periode vanaf 1901 weergegeven of de waterstand van de Bodensee boven een bepaalde waarde is gestegen. De jaren zijn steeds als kolommen aangegeven: 1901 geheel links, met 1 januari 1901 geheel linksboven en 31 december 1901 linksonder.  2021 staat rechts in de figuur. Geheel rechts is apart in 3 kolommen ook het gemiddelde weergegeven van de perioden: 1901-1940, 1941-1980 en 1981-2020. Dagen met een stand tussen de 3,25 m en 3,5 m bij Konstanz zijn lichtgroen, tussen 3,5 en 4,0 m en boven de 4 m is rood. De dagen met een stand onder de 3,25 m zij niet ingekleurd, die vinden we vooral in de winter en het vroege voorjaar.

Waterstand Bodensee.jpg

Verloop van de waterstand van de Bodensee bij Konstanz over de gehele meetreeks vanaf 1901. Peilverloop: wit <3,2 m, groen 3,2-3,5 m, oranje 3,5 -4,0 m en rood > 4 m. Geheel rechts zijn in 3 kolommen de gemiddelden van 1901-40, 1941-80 en 1981-2020 aangegeven.
Verloop van de waterstand van de Bodensee bij Konstanz over de gehele meetreeks vanaf 1901. Peilverloop: wit <3,2 m, groen 3,2-3,5 m, oranje 3,5 -4,0 m en rood > 4 m. Geheel rechts zijn in 3 kolommen de gemiddelden van 1901-40, 1941-80 en 1981-2020 aangegeven.

Het peilverloop van de Bodensee laat een duidelijk seizoensverloop zien. Ieder jaar in de loop van april en soms in mei stijgt het niveau tot boven de 3,25 m en enkele weken later tot boven de 3,5 m. In bijna alle jaren wordt ook enige tijd later de 4 meter bereikt. Soms zijn er jaren dat de 4 meter niet wordt bereikt. We vinden ze verspreid over de hele meetreeks, maar de laatste decennia zijn het er duidelijk meer geworden. Ook is de lengte van de periode dat de stand boven de 4 m uit stijgt de laatste jaren vaak korter geworden. Met name de periode van 2003 t/m 2007 valt op, omdat er bijna geen dagen met een stand boven de 4 meter zijn. De laatste jaren is het aantal weer wat teruggekrabbeld na deze periode met opvallend lage zomerstanden.

Een aspect aan het verloop is belangrijk om te weten en dat is dat er rond 1940 iets veranderd is in de uitstroom van de Bodensee. Mogelijk is de drempel wat verlaagd en daardoor is er een sprong aanwezig na die tijd in het aantal dagen dat de waterstand tot boven de 4 m uit stijgt. Dit heeft dus niet met minder aanvoer van smeltwater te maken, maar met een verlaging van de drempel in de uitgang van het meer. Deze ingreep zorgt niet alleen voor een kleiner aantal dagen met een stand boven de 4 m na 1940, maar ook dat de 3,5 en 3,25 m vaak al eerder in het najaar wordt onderschreden.

Wat de lengte van het seizoen met een verhoogd peil betreft, valt op dat dat in de laatste 10 jaar weer relatief lang was. Nadat ook hier de periode van 2003 t/m 2009 opvalt doordat al vroeg in de nazomer de stand weer onder de 3,5 en 3,25 m zakt, is dat sinds 2011 juist vaak opvallend lang. Zelfs ongeveer op het niveau van voor 1940. Dit zal overigens niet alleen smeltwater zijn dat dan pas het meer verlaat, het zal ook te maken hebben met relatief wat nattere zomers en nazomers in de Alpen. Dit blijkt ook als we het jaar 2018 onder de loep nemen, de zomer was toen juist erg droog in de Alpen en dat jaar is dan ook de uitzondering in de afgelopen 10 jaar.

In de laatste 3 kolommen zijn de gemiddelde waarden weergegeven van de drie perioden van 40 jaar die onderscheiden kunnen worden in de meetreeks (1901-1940, 1941-1980 en 1981-2020). Wat hier opvalt is dat de eerste periode van 40 jaar duidelijk het meeste aantal dagen kende dat de stand boven de 4 m kwam, maar dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de drempel van het meer toen nog wat hoger was.

Maar ook in de afgelopen 80 jaar is de lengte van de periode met een peil boven 4 meter verder afgenomen. Deze afname zien we echter niet bij de data dat in het najaar de 3,5 en de 3,25 m worden onderschreden. De periode dat het meerpeil tussen de 4 en 3,5 m staat en ook de periode tussen de 3,5 en 3,25 is in de laatste periode van 40 jaar juist langer geworden. De periode met een hoog peil duurt dus minder lang dan vroeger, maar het uitzakken daarna verloopt blijkbaar trager.

Dit zou er op kunnen wijzen dat het aandeel smeltwater in de voorzomer kleiner is geworden, dat zorgt immers voor de grootste stijging tot boven de 4 m, maar dat het aandeel regenwater in de zomer en nazomer groter is geworden, dat zorgt er namelijk voor dat het meerpeil nog lanbg wordt aangevuld en niet zo snel uitzakt. 

Wat verder opvalt is dat de datum dat de 3,25, 3,5 en 4 meter worden overschreden in het voorjaar maar weinig zijn veranderd. Ondanks dat de temperatuur in de Alpen in het voorjaar inmiddels zo'n 2 graden is gestegen, heeft dat niet geleid tot een veel eerdere stijging tot boven de 3,25 of 3,5 meter. Ook in de individuele jaren zien we dat niet terug. Dit jaar, met een koude aprilmaand, zal de 3,25 m naar verwachting op 3 of 4 mei worden overschreden, wat mnaar weinig later is dan in de voorgaande jaren met een veel warmere aprilmaand. Wel valt het moment dat de hoogste stand wordt bereikt steeds eerder in het jaar. Dit is met een zwart blokje is in deze kolommen aangegeven. Vooral in de meest recente periode is die datum naar voren geschoven en deze ligt nu rond 20 juni, waar het eerder 1 juli was.

Tenslotte is er nog een verandering zichtbaar in de winter. Vooral in de laatste 10 jaar waren er in de winter vaak al perioden dat de waterstand tot boven de 3,25 of 3,5 m steeg. Omdat de winters warmer worden, smelt soms ook in het winterseizoen al een deel van de sneeuw en dat zorgt dan voor een korte stijging van de Bodensee. Het smeltwater dat dan al wordt afgevoerd gaat ten kostte van de hoeveelheid smeltwater later in het voorjaar en dit zou ook een oorzaak kunnen zijn voor het feit dat de periode dat de stand boven de 4 m tegenwoordig korter is geworden.

 

Luchtstroming blijft voorlopig noordelijk, maar er verandert wel wat

Een groot deel van maand april is er al sprake van een koude en meest droge noordelijke stroming over West Europa. Ook de komende week handhaaft dit patroon zich, maar in het midden van de week is er wel wat verandering op komst als een lagedrukgebied vanuit Frankrijk over Nederland naar het noorden trekt. Dit brengt wat regen en dat zal op veel plaatsen welkom zijn na de droge weken die we achter de rug hebben. In grote delen van de stroomgebieden blijft het echter droog en de waterstanden blijven daarom laag voor de tijd van het jaar. In de Alpen kan rond 29 april en later rond 3 mei wel aardig wat regen vallen en voor de Rijn betekent dat de waterstanden vanaf  5 mei langzaam op kunnen gaan lopen.

In de rubriek water inzicht een analyse van de hoeveelheid water die via de IJssel wordt afgevoerd. Gewoonlijk ontvangt de IJssel zo'n 15% van de Rijnafvoer, maar bij lage Rijnafvoeren loopt dat percentage op. Op langere tijdschaal zijn er ook veranderingen zichtbaar in het aandeel dat de IJssel ontvangt; dit wordt langzaam steeds groter.

water van de week

Hogedrukgebied boven de Atlantische Oceaan weet van geen wijken

Al sinds maart ligt er een groot hogedrukgebied boven het noorden van de Atlantische Oceaan en dit zorgt voor een koude noordelijke stroming boven Nederland en de stroomgebieden van Rijn en Maas. April verloopt daarom veel kouder dan gemiddeld, maar net als in de warmere april-maanden is het ook nu langdurig droog. De blokkade is zeer persistent en ook de komende week en mogelijk nog wat langer blijft het hogedrukgebied op ongeveer dezelfde plaats liggen.  

Toch verandert er wel wat, want in het begin van de komende week ontstaat er een lagedrukgebied boven Frankrijk dat op woensdag 28 april en donderdag ongeveer over Nederland naar het noordoosten trekt. Dit zou 2 tot 3 cm regen kunnen brengen, meet volgens de laatste verwachtingen de grootste hoeveelheden boven het noorden en westen. Het zuiden en ook het stroomgebied van de Maas komt er bekaaider vanaf. Maar dit zou nog wel kunnen veranderen, want de koers van dergelijke kleine lagedrukgebieden is nooit precies te voorspellen. 

In grote delen van Duitsland blijft het ook droog als het lagedrukgebied passeert; alleen in het zuiden van het land en in de Alpen kan op 28 en 29 april wel aardig wat regen vallen. Voldoende voor een eerste kleine stijging van de Rijn.

Als het lagedrukgebied voorbij is, herstelt de noordelijke stroming zich en wordt het opnieuw koud in West Europa. Nu lijkt dit niet zo lang te gaan duren, want de kans is groot dat vanaf 4 of 5 mei een nieuw lagedrukgebied het weer bij ons gaat beïnvloeden.  Er wordt dan opnieuw regen verwacht in Nederland. Vooral de Alpen kan dan ook aardig wat regen vallen en en samen met de oplopende temperaturen zou ook het eerste smeltwater vanaf de hogere delen tot afstroom kunnen komen.

Rijn lange tijd ongeveer stabiel rond 7,8m +NAP (1250 m3/s)

Bij gebrek aan neerslag in het stroomgebied en sneeuw in de Alpen die nog niet wil smelten dankzij het koude weer, is de waterstand de afgelopen week nog langzaam gedaald. Dagelijks daalde het peil bij Lobith met ruim 5 cm en vandaag werd voor het eerst dit jaar de 8 m onderschreden, dat is ca 50 cm lager dan een week geleden. De afvoer daalde van 1600 naar 1350 m3/s. Dat is ruim onder de gemiddelde waarden voor deze tijd van het jaar, want die bedragen respectievelijk 9,5 m +NAP en 2300 m3/s. 

De komende 3 tot 4 dagen daalt de waterstand nog langzaam verder naar ca 7,8 m en 1250 m3/s op woensdag. Daarna verandert er een tijdlang niet zoveel. De neerslag die op 28 en 29 april gaat vallen zal voor een klein beetje extra water zorgen en dat is voldoende om de daling te temperen. Na 29 april wordt het weer langere tijd droog, maar er is dan nog wat water vanuit de Alpen en Zuid Duitsland onderweg dat de waterstand stabiel zal houden tot in de eerste dagen van mei.

In de periode van 3 t/m 5 mei zou er opnieuw regen kunnen gaan vallen in het stroomgebied en volgend de huidige verwachtingen is de kans groot dat de Alpen dan ook aardig wat regen zullen ontvangen. Samen met het eerste smeltwater van de sneeuw die er de afgelopen winter is gevallen zou dit een wat langere stijging van de waterstanden in de Rijn op gang kunnen brengen. Dankzij het koude weer ligt er namelijk nog veel sneeuw in de Alpen. Het eerste water daarvan zal niet voor 10 mei bij Lobith arriveren, dus voorlopig blijft de waterstand nog aan de lage kant.

Maas is en blijft erg laag voor de tijd van het jaar

Na een heel klein golfje is de Maas de afgelopen week weer snel gedaald en de afvoer bij Maastricht bedraagt nog ongeveer 125 m3/s. Dat is slechts de helft van de gemiddelde hoeveelheid in deze tijd van het jaar. Het vrij droge weer dat in het stroomgebied van de Maas al in maart begon heeft er voor gezorgd dat de afvoeren zover zijn gezakt. 

Extreem laag is het nog niet, in 2011 en 2017 bedroeg de afvoer in deze tijd van het jaar soms maar 50 m3/s. Opvallend is wel dat de Maasafvoer al voor het vijfde jaar op rij erg laag is in het voorjaar. Dat maakt de kans groter dat de afvoer ook in de zomer aan de lage kant blijft. De Maas is daar gevoeliger voor dan de Rijn. De Rijn heeft namelijk de Alpen als appeltje voor de dorst en dit hooggebergte zorgt in de periode mei t/m juli voor relatief veel smeltwater en in hoogzomer vallen er ook vaak zware buien, waardoor de Rijn in de zomer vaak weer opveert. De Maas profiteert niet van extra aanvoer in het groeiseizoen en als de afvoer in april eenmaal laag is, veert hij maar zelden op.

De komende week wordt er ook maar weinig regen verwacht en de kans is groot dat de afvoeren nog wat verder dalen naar ca 100 m3/s. Misschien dat het lagedrukgebied dat woensdag en donderdag aanstaande over Nederland trekt ook de Ardennen nog wat regen bezorgt. De huidige verwachting gaat daar niet vanuit, maar de situatie is zodanig dat een verrassing niet is uit te sluiten. Heel veel extra water zal dat niet meteen opleveren, maar enkele tientallen m3/s extra is al snel mogelijk.

Ook op langere termijn lijken de regengebieden het stroomgebied van de Maas links te laten liggen en tot 5 mei wordt weinig neerslag verwacht.

Water inzicht

IJssel voert ongeveer één zevende deel van het Rijnwater af, maar soms wat meer 

Kort nadat de Rijn Nederland in is gestroomd verdeelt het water zich over twee riviertakken: de Waal en de Nederrijn. Iets verderop splitst ook de Nederrijn zich en begint de IJssel. De verdeling van het water over de 3 verschillende rivierarmen is een ingenieuze puzzel, want bij hoge afvoeren moet bijvoorbeeld voorkomen worden dat er teveel naar de een riviertak stroomt, waardoor daar problemen ontstaan met de hoogwaterveiligheid en bij een lage afvoer moet er niet te weinig naar een bepaalde tak want anders is er te weinig waterdiepte voor de scheepvaart en voor da andere watergebruikers zoals landbouw en natuur.

De splitsingspunten van de riviertakken zijn daarom nauwkeurig ingericht met dammen, om de verdeling zo goed mogelijk te laten verlopen. Daarbovenop zorgt ook nog de stuw van Driel voor de fine-tuning van de verdeling bij de lagere rivierafvoeren. Zodra de Rijnafvoer onder de ca 2750 m3/s daalt bij Lobith, wordt de stuw van Driel stap voor stap gesloten en het water dat eerst nog de Nederrijn in stroomde wordt dan ingeperkt en verdeeld over de IJssel en de Waal. Het aandeel naar de IJssel neemt dan langzaam toe; bedroeg het bij hoge rivierafvoeren nog ca 14%, door het sluiten van Driel neemt het toe tot ca 20%. Bij een Rijnafvoer van ca 1650 m3/s is Driel vrijwel geheel gesloten en is al het water verdeeld, dat verdeeld kan worden.  

In een bericht van vorig jaar juni heb al eens toegelicht dat de IJssel in de loop der jaren een steeds groter aandeel van de Rijnafvoer is gaan ontvangen. In de figuur hieronder heb ik de gemiddelde Rijnafvoer bij Lobith en de IJsselafvoer bij Olst weergegeven. De analyse begint bij 1976, dit is het jaar dat er in de Beneden-IJssel begonnen is met de debietmetingen. In deze periode van ca 45 jaar vertoont de gemiddelde Rijnafvoer flinke schommelingen. De laatste 20 jaren ontbreken vooral de uitschieters naar boven en al met al zorgt dat voor een dalende trendlijn. 

De IJssel ontvangt altijd maar een beperkt deel van het Rijnwater en de schommelingen zijn hier ook minder groot. Wat verder opvalt is dat de trendlijn van de IJsselafvoer ook nauwelijks daalt. De IJssel ontvangt dus gaandeweg meer water. Dat blijkt ook uit de tweede figuur hieronder waar het percentage water dat de IJssel van de Rijn ontvangt is weergegeven. Gemiddeld over het jaar ligt dit tussen de 16 en 18% en de trendlijn is licht positief.  

Waar we wel rekening mee moeten houden is dat bij Olst niet alleen Rijnwater langs stroomt, maar ook water dat beken vanuit Overijssel en Gelderland naar de IJssel afvoeren. Tijdens perioden met veel regen kan dat aandeel fors oplopen en het percentage van 16 tot 18% is daarom in werkelijkheid kleiner; ik verwacht ca 1,5 tot 2% minder. Er is echter geen meetpunt dichter bij het splitsingspunt, dus daarom is Olst de enige mogelijkheid om deze analyse aan uit te voeren. Het is ook niet waarschijnlijk dat de toename bij Olst het gevolg is van veranderingen in de afvoer van de beken. 

Schermafbeelding 2021-04-25 om 17.02.10.png

Gemiddelde jaarafvoer van de Rijn bij Lobith en de IJssel bij Olst sinds 1976. Ook de trendlijnen zijn weergegeven.
Gemiddelde jaarafvoer van de Rijn bij Lobith en de IJssel bij Olst sinds 1976. Ook de trendlijnen zijn weergegeven.

Schermafbeelding 2021-04-25 om 17.32.54.png

Aandeel Rijnwater dat via de IJssel stroomt
Aandeel Rijnwater dat via de IJssel stroomt

De belangrijkste oorzaak voor het toegenomen aandeel dat de IJssel afvoert, is het feit dat de stuw van Driel in de loop van de jaren bij steeds hogere afvoeren wordt ingezet. Net na de aanleg lag het bereik van de stuw (dwz dat hij langzaam dicht gaat) bij Rijnafvoeren tussen de 2200 en 1300 m3/s, maar inmiddels is dat opgelopen tot tussen de 2750 en 1650 m3/s.  Omdat de Rijnafvoer zich vaker in deze laatste range bevindt, profiteert de IJssel. 

We zien dus een toename van de IJsselafvoer en die is er vooral als de Rijnafvoer zich tussen de 1650 en 2750 m3/s bevindt. Ondertussen zou het kunnen dat bij lagere afvoeren de IJssel juist minder water ontvangt en dat de toename tussen 1650 en 2750 dat ruimschoots compenseert. De verwachting is namelijk dat de IJssel in het lagere bereik steeds minder water zal gaan ontvangen. Dit heeft te maken met de bodemdaling van de bedding van de Rijntakken. De bodem van de Waal zakt namelijk sneller dan die van de IJssel en daarom zou de Waal op langere termijn meer en meer aan het langste eind trekken. 

Uit de metingen blijkt daar echter nog geen sprake van te zijn. In de figuur hierna heb ik 2 jaren uit de meetreeks van Olst vergeleken die een ongeveer vergelijkbaar afvoerverloop kenden: 1983 aan het begin van de meetreeks en 2015 aan het eind. Voor beide jaren heb ik voor iedere dag van het jaar de afvoer bij Lobith uitgezet tegen de afvoer bij Olst. Waarbij ik er rekening mee gehouden heb dat het water ongeveer 2 dagen onderweg is van Lobith tot Olst. 

In de grafieken is de afvoer bij Lobith steeds op de horizontale as uitgezet en de afvoer bij Olst op de verticale. Ieder punt is één dag van het jaar. De beide lijnen geven respectievelijk 15 en 20% van de Rijnafvoer aan; de range waar de IJsselafvoer meestal binnen ligt. De onderste twee grafieken zijn een detail van de twee bovenste; de Rijnafvoer op de horizontale as loopt er tot 3000 m3/s.

1983 en 2015.jpg

Van iedere dag van het jaar is de afvoer van Lobith uitgezet tegen die van Olst voor 1983 (links) en 2015 Rechts). Ook is de 15 en 20% lijn voor de afvoer van Lobith weergegeven.
Van iedere dag van het jaar is de afvoer van Lobith uitgezet tegen die van Olst voor 1983 (links) en 2015 Rechts). Ook is de 15 en 20% lijn voor de afvoer van Lobith weergegeven.

1983 en 2015 detail.jpg

Als de vorige figuur, maar dan in detail voor de Bovenrijnafvoeren tot 3000 m3/s
Als de vorige figuur, maar dan in detail voor de Bovenrijnafvoeren tot 3000 m3/s

In de figuren vallen een paar dingen op. Zo volgen de punten steeds een vrij vast patroon: van rechts naar links gekeken, liggen de punten eerst dichtbij de 15% lijn, om dan bij afnemende Rijnafvoer 'over te steken' naar de 20% lijn, om vervolgens bij nog lagere Rijnafvoer langzaam onder deze lijn te zakken. We zien hierin de werking van de stuw van Driel terug. Deze zorgt er bij afnemende Rijnafvoeren voor dat het aandeel dat de IJssel ontvangt van ca 15 naar 20% gaat. Zodra de stuw geheel gesloten is (bij een Rijnafvoer van ca 1500 m3/s) lukt het niet meer om de 20% te halen en zakt het aandeel bij nog lagere Rijnafvoeren weer wat terug.

Er zijn ook punten die ver buiten het bereik vallen, tot ruim boven de rode lijn. Dit zijn de dagen dat de afvoer bij Olst relatief hoog is in vergelijking met wat het zou moeten zijn. Het gaat hier om de dagen dat de beken uit Gelderland en Overijssel veel water aanvoeren; de IJsselafvoer neemt dan toe, terwijl de Rijnafvoer hetzelfde blijft. Vaak zijn het dagen aan het eind van een periode met laagwater. Regen in Nederland zorgt dan al voor een stijging van de IJssel, terwijl het water van de Rijn nog 4 of 5 dagen onderweg is voordat het Olst bereikt.

Als we de linker- en de rechterfiguren vergelijken dan valt op dat de puntenwolken in de loop der tijd zijn veranderd. Om de verschillen beter in beeld te brengen heb ik voor beide jaren de range waar de hoofdmoot van de punten zich in bevindt in een grafiek weergegeven.

Verloop 1983 en 2015.jpg

Range waar binnen de hoofdmoot van de punten ligt uit de voorgaande figuren. In blauw de situatie in 1983, in oranje de situatie in 2015.
Range waar binnen de hoofdmoot van de punten ligt uit de voorgaande figuren. In blauw de situatie in 1983, in oranje de situatie in 2015.

Het meest in het oog springt dat de oversteek van de 20% naar de 15% lijn zich in 2015 bij een hogere waarde van de Rijnafvoer bevindt. Hier zien we in terug dat de stuw van Driel tegenwoordig bij hogere afvoeren al begint te stuwen en eerder een groter aandeel van de Rijn naar de IJssel stuurt. Zo kreeg de IJssel in 1983 bij een Rijnafvoer van 2000 m3/s slechts 280 m3/s, terwijl dat in 2015 opgelopen was tot 350 m3/s. 

Ook valt op dat de IJssel in het hogere bereik tegenwoordig meer water krijgt: zo lag het aandeel dat de IJssel in 1983 van de Rijn kreeg, als de Rijnafvoer zich tussen de 2000 en 3000 m3/s bevond, vrijwel altijd onder de 15%, terwijl dat in 2015 er steeds boven lag. Bij een Rijnafvoer van ca 3000 m3/s betekent dat dat de IJssel tegenwoordig ca 50 m3/s meer ontvangt dan 30 jaar eerder.

Als we dan naar de lage Rijnafvoeren gaan dan zie we daar niet de verwachte afname. In de range tussen een Rijnafvoer van 1400 en 1200 is het aandeel dat naar de IJssel gaat iets lager geworden, maar onder de 1100 m3/s is de afvoer in 2015 niet gedaald, maar zelfs iets hoger. Van een afname van de hoeveelheid water die bij lage Rijnafvoeren naar de IJssel gaat blijkt uit deze analyse dus geen sprake te zijn. 

De conclusie is daarom dat de IJssel bij vrijwel alle Rijnafvoeren tegenwoordig meer water aangeleverd krijgt. Dit gaat dan ten kostte van de afvoer via de Nederrijn, deze riviertak moet het gedurende een steeds groter deel van het jaar met minder water stellen. De extra aanvoer naar de IJssel is er niet alleen in de periode dat de scheepvaart er meer vaardiepte nodig heeft (ruwweg tot 2000 m3/s), maar ook in de hele afvoerrange daarboven. Alleen in een beperkt bereik tussen een Rijnafvoer van 1200 tot 1400 m3/s is het aandeel in 2015 iets kleiner dat in 1983. Bij de allerlaagste afvoeren is het aandeel echter weer wat groter tegenwoordig, terwijl de verwachting was dat het kleiner zou zijn geworden.

Droge periode houdt voorlopig aan, dalende waterstanden

April verloopt dit jaar anders dan zijn voorgangers. Het is namelijk veel koeler dan in vorige jaren, maar dat heeft er niet toe geleid dat de hoeveelheid neerslag anders is dan in eerdere jaren. Ook dit jaar lijkt april een droge maand te gaan worden, niet zo droog als vorig jaar, maar wel droger dan gemiddeld. Vooral in het stroomgebied van de Rijn is het droog gebleven en dat zorgt er nu voor dat de waterstand de komende 2 weken flink blijft dalen. De Maas ontving in het begin van de week nog wel wat extra water, maar zal de komende week ook blijven dalen naar lage waarden voor de tijd van het jaar. In het waterbericht leest u tot hoe ver de waterstanden gaan dalen de komende tijd.

In de rubriek water inzicht ga ik wat dieper in op de aprildroogte. Deze past namelijk in een trend en in de grote rivieren zijn de gemiddelde waterstanden al enkele decennia aan het dalen. Dat leidt echter niet tot het vaker voorkomen van erg lage afvoeren in deze tijd van het jaar, daarvan is de trend namelijk juist dat ze steeds minder vaak voorkomen.

water van de week

Voorlopig geen regen van betekenis

Boven het noorden van de Atlantische Oceaan is de luchtdruk al wekenlang relatief hoog en dat zorgt voor een noordelijke stroming die tot diep in West Europa doordringt. Op zo nu en dan wat buien na is het een vrij droge luchtstroming. De kans is groot dat deze stroming ook de rest van de maand april nog aanhoudt en dat betekent dat er niet veel neerslag meer bij zal komen.  

In een groot deel van het land is tot nu toe zo'n 3 cm neerslag gevallen, wat minder is dan het langjarig gemiddelde dat ca 4,5 cm bedraagt. Nu is 4,5 cm ook al niet veel, want in de meeste maanden valt in Nederland zo'n 7 tot 8 cm. In het zuiden van het land is trouwens wel wat meer regen gevallen, dankzij een front dat rond 10 april vanuit het zuiden geprobeerd heeft de kou te verdrijven. De kou is uiteindelijk niet verdreven, maar het leverde in Brabant en Limburg wel zo'n 1,5 cm extra regen op, waardoor lokaal wel de normale aprilsom werd bereikt.

De komende week houdt het hogedrukgebied op de Oceaan zijn greep op ons weer en blijft de stroming meestal noordelijk tot noordoostelijk. Op maandag en dinsdag ontstaan er wat buien boven midden Duitsland die ook het oosten van nederland kunnen bereiken, maar veel regen wordt niet verwacht. Ook in de stroomgebieden valt niet genoeg regen om de waterstanden te laten stijgen en daarom zet de huidige daling nog wel enige tijd door. Waarschijnlijk tot eind april.

Rijn daalt bij Lobith naar onder de 8 m +NAP

De Rijn schommelt de hele maand april al tussen de 8,5 en 8.75 m +NAP, ca 1 m lager dan de normale waterstand rond deze tijd van het jaar. De regen die uit het front viel dat rond 10 april over het zuiden van Nederland en Midden Duitsland trok, leverde ook voor de Duitse zijrivieren, die ten noorden van Koblenz in de Rijn uitmonden, wat extra water op en daarom steeg de waterstand deze week tot ca 8,95 m +NAP. De afvoer steeg tot iets boven de 1900 m3/s, maar bleef ondanks de stijging nog ruim onder het langjarig gemiddelde van ca 2500 m3/s.

Inmiddels is het al weer een week droog in het stroomgebied en omdat, dankzij het koude weer, de sneeuw in de Alpen nog niet smelt, is de Rijn aan een langdurige daling begonnen. Dagelijks daalt de stand bij Lobith eerst nog met zo'n 10 cm, later neemt dat af naar 5 cm. Op maandag of dinsdag aanstaande wordt de 8,5 m weer onderschreden en tussen 27 en 29 april zal ook de 8 m weer worden bereikt. De afvoer bedraagt ju nog ca 1750 m3/s en daalt dagelijks met zo'n 75 tot 50, later afnemend naar 25 m3/s. Rond de 22e april zal de afvoer weer onder de 1500 m3/s zakken. Waarschijnlijk zet de daling door tot in de eerste dagen van mei. De waterstand zal dan tot ca 7,9 m +NAP zijn gezakt en de afvoer tot 1300 m3/s.

De laatste verwachtingen van het Europese weermodel tonen voor de laatste dagen van april een grotere regenkans in de Alpen. Als dat uitkomt, dan zou vanaf begin mei de waterstand van de Rijn bij Lobith weer kunnen gaan stijgen, maar dit is voorlopig nog erg onzeker.

Maas daalt de hele week langzaam verder naar ca 150 m3/s

De Maas had aan het begin van de week een klein piekje van ca 400 m3/s, dankzij de intensieve regenzone die rond 10 april boven de Ardenne had gelegen. Deze afvoer is maar net iets boven het langjarig gemiddelde voor deze tijd van het jaar en inmiddels is de afvoer daar met ca 200 m3/s al weer ruim onder gezakt. 

De komende dagen zet de daling langzaam door, maar dankzij de neerslag van vorige week is er nog wel wat water onderweg, dus het gaat maar langzaam. Ook is er vanwege de lage temperaturen nog niet zoveel verdamping. Daarom verwacht ik dat de afvoer deze week langzaam verder zakt en volgend weekend tussen de 150 en 175 m3/s zal zijn uitgekomen. Ook na het volgend weekend wordt nog geen regen verwacht en de daling zal daarom doorgaan tot eind april of begin mei. 

Water inzicht

Aprildroogte merkbaar in heel het stroomgebied van Rijn en Maas

In het waterbericht van twee weken terug schreef ik over de maand april, die als een van de weinige maanden steeds droger is geworden in de afgelopen decennia. Dat vertaalt zich in Nederland in al vroeg in het jaar dalende grondwaterstanden, maar ook in de rivieren is dit te merken en daar vertaalt zich dat in een lagere gemiddelde waterstand in de voorjaarsmaanden.

April is niet altijd zo'n droge maand geweest; in de periode tussen 1960 en 1990 viel er juist vrij veel regen in het stroomgebied en toen had de Rijn in het voorjaar juist vaak een vrij hoge afvoer. Pas in de laatste 30 jaar is april snel droger geworden en dit jaar draagt daar ook aan bij.

In de figuur hieronder is de gemiddelde afvoer van de Bovenrijn bij Lobith weergegeven voor de periode van 15 maart t/m 15 juli. In de figuur is met een streepjeslijn het gemiddelde over de hele meetperiode weergegeven. Deze loopt in de eerste 2 maanden langzaam af van ca 2600 m3/s naar 2200 m3/s, om daarna een maand licht op te lopen tot een hoogste waarde rond de zomerwende, om daarna weer verder te gaan dalen. In de figuur zijn daarnaast ook de gemiddelde afvoeren weergegeven van de 4 perioden van 30 jaar tussen 1901 en 2020.

De donkerrode lijn geeft de periode weer die nu juist is afgesloten en daarin is zichtbaar dat in april deze periode de laagste was uit de hele meetreeks. Gedurende deze 30 jaar lag het gemiddelde zo'n 200 m3/s onder het gemiddelde van de meetreeks. 

In de laatste 30 jaar is de afvoer in april dus erg laag geweest, maar als we naar de andere perioden kijken van 30 jaar, dan is het niet zo dat dit een gestaag dalende trend is. In de periode voorafgaand aan de huidige (1961-1990) lag de gemiddelde afvoer namelijk opvallend hoog. Vooral in de 80-er jaren waren er veel natte voorjaren en dat heeft de lijn sterk opgetild tot gemiddeld 200 m3/s of meer boven het langjarig gemiddelde.

De periode daarvoor (1931-1960) was juist weer aan de droge kant en toen hadden vooral de maanden mei en juni een erg lage afvoer. De eerste 30-jarige periode uit de meetreeks was weer wat natter, maar niet zo nat als de voorlaatste periode. Het opvallende in de meetreeks van de Rijn is dus dat er geen doorgaande trend in zichtbaar is, maar eerder een sterk wisselend verloop, waarbij perioden met natte en droge voorjaarsmaanden elkaar in een cyclus van ongeveer 30 jaar lijken op te volgen. Maar op grond van 4 perioden is dit niet met zekerheid te zeggen of zo'n cyclus inderdaad bestaat.

Verloop voorjaar Rijn.png

Variatie in de gemiddelde Rijnafvoeren bij Lobith tussen de vier 30-jarige perioden: 1901-1930, 1931-1960, 1961-1990 en 1991-2020. Ook het gemiddelde over de hele periode is weergegeven.
Variatie in de gemiddelde Rijnafvoeren bij Lobith tussen de vier 30-jarige perioden: 1901-1930, 1931-1960, 1961-1990 en 1991-2020. Ook het gemiddelde over de hele periode is weergegeven.

De huidige droogte in april en daarmee samenhangende lage afvoeren betekent niet dat de maanden mei en juni daarna ook een lage afvoer kennen. Vanaf eind april gaat het gemiddelde namelijk weer vrij sterk omhoog en in de eerste helft van juni kende de periode van 1991 tot 2020 zelfs de op een na hoogste gemiddelde afvoeren. Die periode duurde echter niet lang, want in de loop van de zomer daalde de meest recente periode weer vrij sterk naar de laagste waarden van de vier verschillende perioden.  

De droogte in april zorgt er voor dat de Rijn tegenwoordig vaker in het voorjaar al onder de 1500 m3/s zakt. Dit is doorgaans een hoeveelheid die pas later in de zomer wordt onderschreden, maar als het lang droog is in het voorjaar kan dat dan ook al gebeuren. In de figuur hieronder is voor de hele meetreeks van 120 jaar voor iedere dag van het jaar het percentage weergegeven dat de afvoer op die dag onder de 1500 m3/s is gezakt. Daarbij is de reeks opgeknipt in 2 perioden: van 1901 tot 1980 en van 1980 tot 2020. 

Duidelijk is in de grafiek in het voorjaar een piek te zien die in april aanzwelt en rond 7 mei uit komt bij een kans van ca 25% op lage afvoeren. Deze piek is het gevolg van de lage afvoeren die de laatste tijd in april steeds vaker optreden.  In de periode tot 1980 was er ook wel zo'n piek, maar deze kwam wat later en was wat lager. Ook al is de kans op een lage afvoer in april toegenomen, later in het voorjaar is dat effect weer verdwenen en is de kans zelfs wat kleiner geworden. 

In mei smelt namelijk de sneeuw in de Alpen en dat levert vanaf begin mei extra water op en daarom is de kans dan kleiner. Blijkbaar is de hoeveelheid sneeuw niet afgenomen en de kans op een lage afvoer is daarom in die periode ook niet groter geworden. Wel is als gevolg van de klimaatverandering het moment wat naar voren geschoven in de laatste 40 jaar; de piek in de kans op lage afvoeren lag voor 1980 een week of twee later in het voorjaar. 

De april-piek in de laatste 40 jaar valt extra op omdat in de maanden voor april de kans op een lage afvoer juist sterk is afgenomen. Dit is waarschijnlijk ook een gevolg van de klimaatverandering. Strenge winters komen namelijk tegenwoordig veel minder vaak voor en dat waren vroeger ook de winters met lage afvoeren. In die jaren was er daarom een grotere kans dat de afvoer tot beneden de 1500 m3/s zakte.

In de loop van de zomer zien we ook een verschuiving tussen de beide perioden. De kans op een afvoer lager dan 1500 m3/s is de laatste 40 jaar ca 2 weken naar voren geschoven. Ook dit heeft te maken met het eerdere smelten van de sneeuw in de Alpen, want de piek in de sneeuwsmelt valt daardoor eerder en de sneeuw is daardoor eerder op. In de periode van juli t/m september is er daarom een grotere kans op een afvoer onder de 1500 m3/s.

Ondanks dat de kans op een lage afvoer in de zomer tegenwoordig groter is, heeft dat niet geleid tot een verder oplopen van die kans. In oktober is de kans namelkijk ongeveer even groot in beide perioden en in het najaar is de kans zelfs kleiner geworden in de laatste 40 jaar. 

Schermafbeelding 2021-04-18 om 21.20.24.png

Kans op een Rijnafvoer <1500 m3/s gedurende het jaar. Er is onderscheid gemaakt in de periode tot 1980 en de periode daarna.
Kans op een Rijnafvoer <1500 m3/s gedurende het jaar. Er is onderscheid gemaakt in de periode tot 1980 en de periode daarna.

Een afvoer van 1500 m3/s is nog geen erg lage afvoer. Voor de meeste gebruikers van Rijnwater in Nederland is er dan nog ruim voldoende. Problematisch wordt het vaak pas als de 1000 m3/s bereikt wordt. Aangezien de 1500 m3/s tegenwoordig steeds vaker al in april wordt bereikt neemt de vrees toe dat ook de 1000 eerder en vaker onderschreden zal worden. In de figuur hieronder heb ik voor de 1000 m3/s een vergelijkbare grafiek gemaakt.

Wat opvalt is dat de kans op een afvoer lager dan 1000 m3/s zeker niet is toegenomen; op een korte periode na in augustus en oktober is de kans het hele jaar door in de laatste 40 jaar zelfs kleiner geweest dan in de periode vóór 1980. In de wintermaanden en een groot deel van de zomer is de kans zelfs vrijwel nihil geworden, terwijl dat vroeger in alle maanden nog wel eens voor kwam. De huidige droogte in april heeft dan ook niet geleid tot een grotere kans op zeer lage afvoeren in mei en juni.

In augustus en het najaar is er nog steeds een grotere kans op dergelijke lage afvoeren, maar deze wordt dan lang niet meer zo groot als in het verleden. Vooral in november is de kans flink kleiner geworden. Droge zomers en lage afvoeren komen nog steeds wel voor, maar duren blijkbaar niet meer zo lang als in het verleden, waardoor de kans op lage afvoeren in november is afgenomen. 

 

Schermafbeelding 2021-04-17 om 16.58.59.png

Kans op een Rijnafvoer <1000 m3/s gedurende het jaar. Er is onderscheid gemaakt in de periode tot 1980 en de periode daarna.
Kans op een Rijnafvoer <1000 m3/s gedurende het jaar. Er is onderscheid gemaakt in de periode tot 1980 en de periode daarna.

 

 

 

 

Langere droge periode breekt aan, eerst nog lichte stijging daarna daling waterstanden

De eerste tien dagen van april zijn relatief nat verlopen, maar de komende tien dagen zal het zeer waarschijnlijk droog blijven en misschien dat april als geheel niet eens de, toch al krappe, normale neerslaghoeveelheid gaat halen. De regen van het afgelopen weekend heeft vooral voor de Maas wat extra water opgeleverd en de afvoer stijgt nu een paar dagen. De Rijn moet het met minder extra water doen en stijgt de komende dagen maar weinig. In het waterbericht leest u hoever de waterstanden zullen stijgen en wanneer ze weer gaan dalen.

In water inzicht een korte terugblik op de afvoer in de 3 wintermaanden. In de periode december t/m februari voerde de Rijn circa 10% meer af dan gemiddeld in deze maanden. Hoe uitzonderlijk is dat en past het in de trend dat de winters gaandeweg natter worden.

water van de week

Hogedrukgebieden zorgen voor een droge, noordelijke tot oostelijke luchtstroming

De neerslag die de afgelopen week viel werd aangevoerd vanuit het noorden en omdat de lucht erg koud was viel er meestal (natte) sneeuw. In de Middelgebergten (Ardennen, Eiffel etc) bleef de sneeuw zelfs liggen en groeide het sneeuwdek aan tot soms 30 cm.

De kaart hieronder laat zien waar tijdens het buiige weer de meeste neerslag viel. het is goed te zien dat de buien niet zo heel ver het continent op trokken, want en ten zuiden van de lijn Luxemburg - Frankfurt bleef het grotendeels droog. Wel vinden de hogere gebieden zoals het Zwarte Woud daar weer meer neerslag op en ook de Alpen springen er uit. Vorige week zag het er nog naar uit dat er in de Alpen lokaal meer dan 50 cm sneeuw zou vallen, maar dat bleef uiteindelijk beperkt tot niet meer dan 30 cm.

Neerslag eerste week april.jpg

Neerslaghoeveelheden in de eerste week van april ten tijde van de noordelijke stroming (bron Kachelmannwetter.com)
Neerslaghoeveelheden in de eerste week van april ten tijde van de noordelijke stroming (bron Kachelmannwetter.com)

In de tweede helft van de week werd het wat warmer en ging de sneeuw weer smelten. Dat leverde alleen in de noordelijke zijrivieren van de Rijn zoals de Lahn, Sieg en Ruhr wat extra water op, maar omdat vanuit het zuiden de afvoeren juist wat daalden, was daar bij Lobith weinig van te merken.

Zaterdag activeerde de noordelijke luchtstroming weer wat en dat zorgde op het grensvlak met de wat warmere lucht boven Midden Europa voor een actief regengebied, dat urenlang over België en Zuid Nederland bleef liggen. Later trok het wat naar het noorden, maar uiteindelijk won de koude lucht en nu beweegt het weer naar het zuiden. 

In de Ardennen en delen van de Eiffel viel zo'n 2,5 cm regen en dat is voldoende voor een aardige stijging van de Maas en in het stroomgebied van de Rijn profiteert nu ook de Moezel. In Nederland kreeg vooral het zuidoosten van het land vrij veel regen te verwerken en in dit doorgaans droogste deel van ons land kwam dat niet ongelegen. 

Inmiddels beweegt de regenzone verder naar het zuidoosten, maar dat gaat sneller dan op zaterdag en daarom valt er in de rest van het stroomgebied van de Rijn niet zoveel neerslag meer. De Alpen kunnen opnieuw een paar decimeter sneeuw verwachten, zodat het sneeuwdek daar nog wat verder aangroeit. Voorlopig blijft het er nog koud, dus veel smelten zal het de komende weken nog niet.

De noordelijke luchtstroming wordt veroorzaakt door een hogedrukgebied tussen IJsland en het Verenigd Koninkrijk. Later in de week beweegt het naar het zuidoosten en komt dan dicht bij nederland te liggen. Het zorgt dan voor rustig weer en regengebieden blijven voorlopig op grote afstand. Rond het volgend weekend  beweegt het hogedrukgebied in de richting van Scandinavië en de verwachting is dat het zich daarna weer uitbreidt in de richting van de Atlantische Oceaan.

Als dat inderdaad zo uitkomt, dan zou dat wel eens kunnen betekenen dat er een langdurige droge periode aan breekt, die misschien wel tot eind april duurt. Het hogedrukgebied houdt de regengebieden die gewoonlijk op de Atlantische Oceaan ontstaan namelijk al die tijd weg uit de stroomgebieden en omdat het vrij koel blijft, is er ook nog geen kans dat er buien ontstaan. Vooral de situatie na het volgend weekend - of het hogedrukgebied zich dan opnieuw uitbreidt naar het westen - is daarvoor van belang om in de gaten te houden. Volgende week daarover meer.

Rijn stijgt eerst een paar decimeter, maar zal op termijn weer gaan dalen

De waterstanden van de Rijn bleven de afgelopen week vrij stabiel; eerst lagen ze nog wat boven de 8,5 m +NAP bij Lobith, de laatste dagen van de week lagen ze daar iets onder. De afvoer schommelde rond de 1650 m3/s, dat is ongeveer 65% van de normale hoeveelheid in deze tijd van het jaar. De vrij droge maand maart en weinig sneeuw in de Middelgebergten heeft er voor gezorgd dat de Rijnafvoer nu vrij laag is.

De komende dagen trekt de situatie een klein beetje bij. Vanuit de noordelijke zijrivieren is wat extra (smelt)water onderweg van de sneeuw die de afgelopen week is gevallen en gisteren en vandaag is er aardig wat regen in het stroomgebied van de Moezel gevallen. Later volgt er ook nog wat extra water vanuit Zuid Duitsland. Samen zorgt dat voor een stijging van een paar decimeter bij Lobith. De hoogste stand verwacht ik dan aan het eind van de week, tussen de 8,75 en 8,9 m +NAP. De afvoer loopt op tot ca 1800 m3/s

Vanaf het weekend gaat de stand dan weer dalen en omdat het langdurig droog lijkt te gaan worden en de sneeuw in de Alpen nog nauwelijks smelt, zou het een wat langdurigere daling kunnen worden. De daling verloopt echter niet zo snel, hoogstens met ca 5 - 10 cm per dag. Rond 25 april zou de stand dan rond de 8,3 m +NAP uit kunnen komen en de afvoer zakt dan terug tot ca. 1500 m3/s.  

Maas stijgt vandaag en morgen nog wat, daarna weer dalend

In de hogere delen van de Ardennen viel de afgelopen week een aardig pak sneeuw, maar het grootste deel van het stroomgebied van de Maas lag net buiten de hoofdstroom van de buien. De Maas profiteerde daarom maar weinig van het extra water en de afvoer daalde de hele week tot ca 125 m3/s bij Maastricht. Dit is maar ca 40% van de normale hoeveelheid rond deze tijd van het jaar.

Dankzij de regenzone die gisteren en vandaag urenlang boven de Ardennen hing, komt daar nu wel wat verandering in. Vanmorgen ging de afvoer bij Maastricht al stijgen en die stijging zal zich voortzetten tot morgen in de loop van de dag. De afvoer kan dan stijgen tot ca 400 m3/s en bevindt zich dan even opeen normale waarde voor de tijd van het jaar.

Lang zal dat niet duren, want het is nu al weer droog geworden in de Ardennen en de komende week wordt er vrijwel geen regen meer verwacht. De afvoer zal daarom vanaf dinsdag weer gaan dalen en voor het eind van de week al weer onder de 250 m3/s zakken. Ook de week na het volgend weekend blijft het droog en de afvoer zal an verder blijven dalen en de kans is groot dat in de loop van die week ook de 200 en later de 150 m3/s weer onderschreden worden. Neerslag en een nieuwe stijging zijn voorlopig namelijk niet in zicht.

Water inzicht

Winter 2020/21 iets natter dan het langjarig gemiddelde

Gedurende de 3 wintermaanden (december t/m februari) voerde de Rijn gemiddeld ca 2750 m3/s af, dat is ca 10% meer dan het langjarig gemiddelde over deze 3 maanden, dat 2475 m3/s bedraagt. In december en januari voerde de Rijn nog beneden gemiddeld af, maar februari maakte dat ruimschoots goed dankzij de hoogwatergolf die vrijwel precies binnen de maand paste.

In de grafiek hieronder is van alle jaren sinds 1901 de gemiddelde winter-afvoer weergegeven. De trendlijn is ook aangegeven en die loopt langzaam omhoog. Uit de neerslagmetingen in het stroomgebied blijkt dat de winters natter zijn geworden in de afgelopen decennia en de trendlijn van de Rijn past bij dit beeld.   

Als we echter naar de verdeling van de 20 winters met de hoogste gemiddelde afvoer (blauw in de grafiek) en de 20 winters met de laagste gemiddelde afvoer (rood in de grafiek) dan valt op dat er vooral bij deze laatste veranderingen zijn opgetreden. Winters met de meest lage afvoer komen in de tweede helft van de meetreeks veel minder vaak voor dan in de eerste helft, terwijl de winters met de hoogste afvoer veel meer gelijk over de meetreeks zijn verdeeld.

Gemiddelde afvoer Rijn.jpg

Gemiddelde afvoer van de Rijn bij Lobith sinds 1901 met trendlijn en de 20 jaren met de hoogste en laagste afvoer gemarkeerd
Gemiddelde afvoer van de Rijn bij Lobith sinds 1901 met trendlijn en de 20 jaren met de hoogste en laagste afvoer gemarkeerd

Als we in de grafiek van de gemiddelde winterafvoeren de 20 jaren met de laagste afvoer weg laten (zie grafiek hieronder) dan zien we dat de trendlijn vlak is gaan lopen. De winters met een lage afvoer aan het begin van de reeks zorgen er dus voor dat de trendlijn aan de voorkant meer omlaag wordt getrokken. 

Het lijkt er dus op dat de toename van de gemiddelde afvoer in de winter vooral veroorzaakt wordt doordat winters met een lage afvoer tegenwoordig minder vaak voorkomen dan vroeger en niet zozeer doordat de winters met een hoge afvoer vaker voorkomen. 

Dit beeld is ook te verklaren omdat het type winters dat we tegenwoordig hebben anders is dan vroeger. Winters met een gemiddeld lage afvoer treden namelijk vooral op als het langdurig koud is. De neerslag wordt dan op afstand gehouden doordat hogedrukgebieden dominant zijn boven het continent. Dergelijke winters met langdurige vorstperioden komen tegenwoordig veel minder vaak voor.

Daarentegen komen wisselvallige winters tegenwoordig juist vaker voor en langere droge perioden in de winter zijn daarom een zeldzaamheid geworden. Het lijkt er op dat vooral de hogere frequentie van wisselvallige winters de hogere gemiddelde afvoeren bepaalt en niet zozeer dat de wisselvallige winters ook natter zijn geworden . Simpel gezegd: drogere winters komen bijna niet meer voor en daarom bepalen de wisselvallige winters nu het gemiddelde.  

Gemiddelde afvoer Rijn excl de 20 laagste jaren.png

Gemiddelde afvoer van de Rijn bij Lobith sinds 1901 met trendlijn, waarin de 20 winters met de laagste afvoer zijn weg gelaten.
Gemiddelde afvoer van de Rijn bij Lobith sinds 1901 met trendlijn, waarin de 20 winters met de laagste afvoer zijn weg gelaten.

 

Abonneren op