U bent hier

Actuele verwachtingen waterstanden

Als de waterstanden in de Nederlandse rivieren gaan stijgen en er zich een hoogwater ontwikkelt, leest u hier dagelijks de actuele verwachtingen. In perioden buiten de hoogwatersituaties is de berichtgeving minder intensief en verschijnt er zo eens in de 1 à 2 weken een bericht. Ook als zich in de Nederlandse beken, poldergebieden, of langs de kust bijzondere watersituaties voordoen, leest u daarover onder deze rubriek.

 

Weer gaat veranderen, maar invloed op waterstanden nog beperkt

De afgelopen weken is er maar weinig neerslag in de stroomgebieden gevallen. De komende week komt daar langzaamaan wat verandering in, maar omdat de neerslag in de heuvels en bergen als sneeuw gaat vallen levert dat voor de rivieren weinig extra water op. De waterstanden stijgen wel iets, maar blijven daarom voorlopig nog laag. In dit waterbericht leest u een wat dat betekend voor de waterstanden.

In het gedeelte Water Inzicht een analyse van de datum waarop gedurende het jaar in de Rijn en de Maas de hoogste en laagste stand optreden. In de hoogste stand is opvallend weinig veranderd in de afgelopen eeuw, maar de laagste is wel langzaam aan het verschuiven en Rijn en Maas gedragen zich daarbij verschillend.

Water van de Week

Lagedrukgebieden breiden hun invloed uit tot over de stroomgebieden

Al de hele maand november wordt het weer in Europa bepaald door grote hogedrukgebieden die veelal boven het continent lagen. Soms schoven ze wat naar het westen en soms wat naar het noorden, zoals momenteel, maar het resultaat was steeds dat lagedrukgebieden en regenzones vanaf de Atlantische Oceaan op afstand werden gehouden. In Noord Europa viel wel regen en ook het noorden van Nederland pikte daar nog wat van mee, maar verder naar het zuiden bleef het meestal droog.

In grote delen van Duitsland is deze maand nog maar weinig regen gevallen en dat heeft ervoor gezorgd dat de Rijn al de hele maand langzaam is gedaald. Ook in de Ardennen en Noord Frankrijk viel maar weinig neerslag en de Maasafvoer is daarom ook erg laag. Met december op de kalender gaat er wel wat veranderen. Het hogedrukgebied splitst op in een kern boven Rusland en een andere boven de Atlantische Oceaan en in de ruimte daartussen dringen de komende week lagedrukgebieden vanaf de noordelijke Atlantische Oceaan door tot boven de Britse Eilanden en later ook het Europese continent. 

Op maandag passeert al een eerste regenzone over Nederland en België en die trekt dinsdag verder richting het zuiden van Duitsland en de Alpen. Er kan ongeveer 1 cm neerslag vallen, in Zuid Duitsland en de Alpen mogelijk 2 cm. Na dit neerslaggebied blijft het enkele dagen droog, maar vanaf vrijdag en in het weekend wordt een nieuwe neerslagzone verwacht die over de stroomgebieden trekt. Ook dan kan er 1 tot 2 cm neerslag vallen. 

Omdat het inmiddels ook kouder geworden is, zal de sneeuwgrens in de atroomgebieden op ca 300 m komen te liggen en dat betekent dat de neerslag in de Middelgebergten in Duitsland en Frankrijk en in de Alpen grotendeels als sneeuw zal vallen. Ook in de Ardennen is kans op de eerste sneeuw van het winterseizoen. Wanneer de neerslag als sneeuw valt, dan levert dat in eerste instantie maar weinig water op voor de rivieren en blijft de stijging beperkt.

Na het volgend weekend is het nog onduidelijk hoe het weer zich verder gaat ontwikkelen. Het lagedrukgebied dat deze week het weer bepaalt, kan nog het beste omschreven worden als een 'lonely wolve'. Een eenling en daarom niet van het kenmerkende type dat past in een strakke westelijke luchtstroming, waarin het ene systeem snel opgevolgd wordt door een ander .

De weermodellen zijn daarom ook nog niet zo duidelijk; of dit eerste lagedrukgebied de voorbode is van een overgang naar een weertype met westelijke winden waarin ook meer neerslaggebieden worden meegevoerd. Het zou namelijk ook kunnen dat de eerdergenoemde hogedrukgebieden de gelederen weer sluiten waardoor het droge weer terugkeert. Volgende week is hier misschien al wat meer duidelijkheid over. 

Rijn daalt de hele week nog, maar waarschijnlijk niet tot onder de 1000 m3/s

In Duitsland is de hele maand november nog maar weinig regen gevallen; op de meeste plaatsen zelfs maar 15 tot 25% van de normale hoeveelheid. Veel zijrivieren van de Rijn zijn nu net zo laag als aan het eind van de zomer toen het ook langdurig droog was. Al het extra water dat in de maand oktober is gevallen is inmiddels al weer afgevoerd.

Omdat er deze week weer wat neerslag wordt verwacht, zal de stand waarschijnlijk nog net iets boven de laagste waterstand van eind september blijven; toen werd 7,08 m +NAP bereikt; nu blijven we daar ca 20 cm boven. Op dit moment bedraagt de stand bij Lobith 7,45 m +NAP en de komende dagen daalt deze nog met zo'n 3 tot 5 cm, tot ca 7,3 m +NAP op vrijdag. De afvoer bedraagt nu nog 1100 m3/s en zal dan tot net iets boven de 1000 m3/s zijn gezakt. Dat is slechts de helft van de normale hoeveelheid in deze tijd van het jaar.

Vanaf vrijdag kan de stand weer wat gaan stijgen als bij Lobith het water arriveert van de neerslag die op maandag en dinsdag in Duitsland gaat vallen. Veel gaat er echter niet vallen en een deel valt ook als sneeuw, dus daarom verwacht ik dat de stand in het komende weekend tussen de 7,3 en 7,5 uit zal komen. Na het weekend kan dat nog iets verder stijgen als ook het water aan komt dat tijdens de neerslag van vrijdage en het komend weekend gaat vallen. Veel meer dan een stand van 8 meter lijkt er echter voorlopig nog niet in te zitten. 

Op nog wat langere termijn, vanaf 10 december,  is de ontwikkeling van de waterstand afhankelijk van of de westelijke luchtstroming inderdaad op gang gaat komen, of dat de hogedrukgebieden terug keren naar het centrale deel van Europa. In het eerste geval kan de waterstand verder uit het dal gaan klimmen, maar als de hogedruk aan het langste eind trekt, dan kunnen de waterstanden nog wat langere tijd rond of onder de 7,5 m +NAP blijven schommelen.

Maas kan iets gaan stijgen

De Maasafvoer bij Maastricht schommelde deze week tussen de 65 en 75 m3/s. Dat is er laag voor de tijd van het jaar, want normaal bedraagt de afvoer nu ca 300 m3/s. Deze lage afvoer houdt nog aan tot dinsdag, maar daarna is een lichte stijging mogelijk vanwege de neerslag die morgen en overmorgen in de Ardennen gaat vallen. Er wordt maar ongeveer 1 cm neerslag verwacht, maar dat zou wel zo'n 50 m3/s extra op kunnen leveren. 

Woensdag en donderdag wordt geen neerslag verwacht en dan zal de afvoer weer wat dalen, maar op vrijdag en in het weekend is de kans groot dat nieuwe neerslaggebieden het stroomgebied kunnen bereiken. Een deel van deze neerslag zal als sneeuw vallen, maar omdat een deel als neerslag valt is dan weer een kleine stijging mogelijk. Ook dan zal het gaan om niet meer dan enkele tientallen m3/s.

Van een stijging naar de normale afvoeren voor deze tijd van het jaar is voorlopig nog geen sprake. Daarvoor is een meer langdurige aanvoer van regengebieden nodig. Mogelijk dat dat vanaf 10 december gaat gebeuren, maar het blijft nog even afwachten omdat er ook een aanzienlijke kans is dat de hogedrukgebieden weer terugkeren en in dat geval houdt juist het lage peil nog wat langer aan.

Water inzicht

Wanneer bereiken Rijn en Maas jaarlijks hun laagste en hoogste stand

In het normale jaarverloop van de waterstanden wordt in de rivieren altijd in de winter de hoogste stand bereikt en in de zomer de laagste. Uiteraard is het water afkomstig van de neerslag, maar het is niet zo dat het in de winter meer regent dan in de zomer. Het is zelfs andersom; in de zomer valt er gemiddeld meer neerslag dan in de winter. Dat de rivieren in de winter toch hun hoogste stand bereiken heeft dan ook vooral te maken met een ander weersverschijnsel en dat is de verdamping.

De verdamping varieert wel sterk tussen de seizoenen en is in de zomer veel groter dan in de winter. Daardoor komt een groot deel van de neerslag die in de zomer valt niet tot afstromen omdat het door planten wordt opgenomen, of het verdwijnt weer in de lucht. Naast de geringere verdamping is er nog een ander effect dat in de winter zorgt voor hoge afvoeren en dat is de accumulatie van sneeuw. Als er sneeuw valt wordt het neerslagwater als het ware enige tijd opgeslagen om dan later, als het warmer wordt en gaat regenen, pas tot afstroom te komen. Dit zorgt dan in de winter voor een grotere kans op extra veel water in een korte tijd met soms hoogwatergolven tot gevolg.

De datum waarop de hoogste waarde wordt bereikt

Ik heb voor zowel de Rijn als de Maas voor de hele meetreeks (vanaf resp. 1901 en 1911) de data op een rij gezet dat de laagste en hoogste afvoer van het jaar wordt bereikt. In de grafieken hieronder zijn die data van ieder jaar met blauwe stippen weergegeven.

Data hoogste afvoer Rijn en Maas.jpg

Datum waarin in de Rijn (links) en de Maas (rechts) van jaar tot jaar de hoogste stand werd bereikt. De blauwe stippen zijn de data van ieder jaar, de lijn geeft het gemiddelde van de 30 voorgaande jaren aan.
Datum waarin in de Rijn (links) en de Maas (rechts) van jaar tot jaar de hoogste stand werd bereikt. De blauwe stippen zijn de data van ieder jaar, de lijn geeft het gemiddelde van de 30 voorgaande jaren aan.

Als we naar de datum van de hoogste afvoer kijken (zie hierboven) dan valt op dat er van jaar tot jaar een grote variatie is; bij de Rijn nog wat meer dan bij de Maas. In de meeste jaren valt de datum met de hoogste afvoer in de periode tussen 1 december en 1 april, maar soms vallen ze ook buiten die periode. Bij de Rijn is dat soms ook in de zomer, bij de Maas is dat maar een keer gebeurd.

Om de jaren goed uit elkaar te kunnen houden, is de analyse uitgevoerd op de winterhalfjaren, dwz dat de periode loopt van 1 augustus t/m 31 juli. Anders zou een hoogwatergolf die rond de jaarwisseling valt (en dat zijn er veel) bij twee jaren mee tellen. 

Om in de wirwar van stippen enige lijn te kunnen ontdekken is ook het langjarig gemiddelde weergegeven, in dit geval van 30 jaar. De gekleurde lijn begint daarom pas na 30 jaar en geeft het gemiddelde aan van de 30 voorgaande jaren. Bij de Rijn begint de lijn bij 1930 en op dit punt laat de lijn zien dat, gemiddeld over de periode van 1901 t/m 1930, de hoogste afvoer werd bereikt rond eind februari. Als we het 30-jarig gemiddelde volgen van vroeger naar nu, dan zien we dat bij de Rijn de datum aanvankelijk wat naar eerder in het jaar schuift, daarna weer wat naar een later tijdstip en tegenwoordig rond eind januari ligt. 

Bij de Maas zien we een ongeveer vergelijkbaar verloop. De Maas begint 10 jaar later, dus daarom is het begin wat anders, maar verder valt op dat het verloop veel lijkt op dat van de Rijn. Eerst verschuift de datum wat naar een later moment in de winter om de laatste tijd weer naar eerder te verschuiven.

De overeenkomst tussen beide rivieren wordt veroorzaakt doordat de herkomst van de meeste hoogwaters in het zelfde type landschap ligt. In beide stroomgebieden zijn dat de Middelgebergten, zeg maar het gebied tussen de 200 en 1000 m hoogte, waar 's winters veel regen valt al dan niet aangevuld met smeltende sneeuw. De Alpen, de andere belangrijke bron van de Rijn, draagt in de winter niet bij omdat alle neerslag daar als sneeuw valt en pas veel later tot afstroom komt; wat dan zelden de hoogste stand oplevert. Rijn en Maas zijn in de winter daarom goed vergelijkbaar.

Opvallend is verder dat het tijdstip waarop Rijn en Maas gemiddeld hun hoogste stand bereiken bij beide tegenwoordig bijna hetzelfde is; in de laatste week van januari. Dat is niet altijd zo geweest, want lange tijd was de Rijn later dan de Maas. Tot 1990 (dat is de periode 60-90) trad de hoogste stand in de Rijn gemiddeld een kleine maand later op dan in de Maas, maar de laatste 30 jaar is dat naar elkaar toe gekropen.

Mogelijk dat hier ook de sneeuw een rol in speelt. De Middelgebergten in Duitsland zijn gemiddeld iets hoger, maar vooral ook wat kouder dan de Ardennen (het belangrijkste Middelgebergte in het stroomgebied van de Maas). Voorheen was de kans op accumulatie van sneeuw in de Duitse gebergten wat groter dan in de Ardennen en daardoor traden de hogere hoogwaters vanuit deze gebieden wat later op dan bij de Maas. Nu het klimaat flink warmer is geworden treedt accumulatie van sneeuw ook in Duitsland steeds minder op en gaan beide stroomgebieden dus steeds meer op elkaar lijken, met tot gevolg dat ook de gemiddelde dag waarop de hoogste stand wordt bereikt naar elkaar toe schuift.

De datum waarop de laagste waarde wordt bereikt

 

Data laagste afvoer Rijn en Maas.jpg

Datum waarin in de Rijn (links) en de Maas (rechts) van jaar tot jaar de laagste stand werd bereikt. De blauwe stippen zijn de data van ieder jaar, de lijn geeft het gemiddelde van de 30 voorgaande jaren aan.
Datum waarin in de Rijn (links) en de Maas (rechts) van jaar tot jaar de laagste stand werd bereikt. De blauwe stippen zijn de data van ieder jaar, de lijn geeft het gemiddelde van de 30 voorgaande jaren aan.

Bij de datum waarop de laagste stand wordt bereikt (zie hierboven) zijn er ook opvallende veranderingen. Hier schuiven de beide rivieren ook naar elkaar toe, maar is de trend bij beide wel andersom. De datum waarop de Rijn zijn laagste stand bereikt is (afgaande op het 30-jarig gemiddelde) in de loop van de meetreeks verschoven van half november naar inmiddels begin oktober. Tegelijkertijd is dat moment bij de Maas verschoven van half augustus naar begin september. Rond het midden van de vorige eeuw lagen beide nog ca 3 maanden uit elkaar, maar nu is het verschil nog maar een paar weken.

Net als bij de datum met de hoogste afvoer is de variatie van jaar tot jaar bij de Rijn veel groter dan bij de Maas. Bij de Rijn kan iedere maand van het jaar wel de laagste waarde opleveren, terwijl dat bij de Maas altijd tussen augustus en november plaats vindt.

Omdat de Rijn (zeker in het verleden) relatief vaak zijn laagste afvoer pas in de loop van de winter bereikte, is de verticale as van deze grafiek ook iets opgeschoven en begint deze onderaan bij 1 april. Als na een droge zomer namelijk een droge winter volgt, dan kan de Rijn nog lang blijven dalen en soms pas in februari of zelfs maart een laagste stand bereiken voordat de afvoer weer gaat stijgen. Deze laagste waarde in de winter heb ik (bij de Rijn) daarom toegekend aan het voorgaande jaar en de jaren bij de Rijn lopen dus in deze analyse van 1 april t/m 31 maart. Bij de Maas treedt een zo lang doorgaande daling nooit op en kan het jaar gewoon op de jaarwisseling gebroken worden.

Lage winterstanden in de Rijn traden vooral vroeger vrij vaak op en hingen toen samen met streng winterweer. Nu koude winters veel minder vaak optreden wordt laagwater in de Rijn in de winter ook steeds zeldzamer en is de kans klein dat de laagste waarde nog in het winterseizoen optreedt. Dit is een van de redenen dat het moment van laagste afvoer naar eerder in het seizoen is verschoven. Ook het feit dat de sneeuwval in de Alpen in het najaar tegenwoordig pas later begint en de Alpen dus in het najaar meer water zijn gaan leveren dan vroeger, draagt er aan bij dat de laagste waarde in Rijn naar voren is geschoven. 

De kleine verschuiving bij de Maas naar een later in het seizoen optredende laagste stand heeft er vooral mee te maken dat de afvoer van de Maas in het najaar relatief het sterkst afgenomen is; meer nog dan in de zomer. De Rijn heeft daar in een deel van het stroomgebied ook mee te maken en dat is nog een derde reden bij deze rivier dat de kans op een laagste afvoer in het najaar daar steeds groter is geworden. 

Ruwweg zien we dat de beide rivieren vooral de latste decennia meer op elkaar zijn gaan lijken. Ik vermoed dat dat wordt veroorzaakt doordat sneeuw een minder belangrijke rol is gaan spelen in met name het stroomgebied van de Rijn. Daardoor vallen hoge afvoeren in de beide rivieren in de winter vaker in ongeveer dezelfde periode. Ook treedt een tot in de winter doorlopend laagwater in de Rijn steeds minder vaak op, waardoor beide rivieren steeds vaker in het late najaar hun laagste waarde bereiken.

Droogte houdt aan, waterstanden dalen verder

Hogedrukgebieden blijven bij Nederland in de buurt liggen en dat houdt neerslag op afstand. Dat is geen goed nieuws voor het grondwater in die delen van het land waar de zomer ook al droog was verlopen. De komende week valt er in de stroomgebieden ook zo goed als geen neerslag en daarom dalen de waterstanden van Rijn en Maas langzaam verder. Hoe ver ze dalen en hoe uitzonderlijk dat is, leest u in 'water van de week'. 

In het tweede deel van dit waterbericht 'water inzicht' een voorbeschouwing op de komende winter. De lange termijn verwachtingen voor het weer worden langzamerhand steeds beter en misschien kunnen we daar ook iets uit afleiden voor de waterstanden in de rivieren. Maar we kunnen ook te rade gaan bij vroegere novembermaanden.

water van de week

Hogedrukgebieden houden nog zeker één, misschien wel twee weken stand

Wat de neerslag betreft viel in oktober ongeveer de normale hoeveelheid, maar november wordt zo goed als zeker een te droge maand. Een omvangrijk hogedrukgebied boven Europa verhindert regenzones om het continent op te trekken en het droge weer houdt daarom voorlopig nog aan. Boven Noord Europa schuiven wel regelmatig lagedrukgebieden langs en de regenzones daarvan reiken soms nog net tot Nederland, maar verder naar het zuiden blijft het grotendeels droog. 

Dat patroon van nattigheid in het noorden en droogte in het zuiden, is ook al terug te zien in ons land waar in november in het noorden en midden zo'n 3,5 tot 5 cm regen is gevallen, maar in het zuiden en met name het zuidoosten is dat veel minder met in Midden Limburg nog maar 1 tot 1,5 cm. De komende week komt daar nog maar 0,5 tot 1 cm bij en dat betekent dat november, waarin normaal zo'n 7 tot 10 cm regen valt, overal te droog gaat verlopen.

In het zuidoosten van het land is de afwijking het grootst en dit was nu net het gebied waar het sinds april al veel te droog is. Omdat juist in de herfst- en wintermaanden de grondwaterbuffers moeten worden aangevuld, is dat geen goed nieuws voor die regio. Nu staan er nog 4 maanden voor de boeg waarin de situatie kan veranderen, maar veel waterbeheerders en -gebruikers in die regio hadden graag gezien dat november ook al zijn bijdrage had geleverd.

De komende week verandert er dus weinig in het weerbeeld. De invloed van de hogedruk neemt zelfs nog iets toe en terwijl er afgelopen week nog wel wat regen viel, blijft het de komende week waarschijnlijk helemaal droog. Ook op wat langere termijn van zo'n dag of 10 is er nog geen aanwijzing dat dit beeld gaat veranderen, dus waarschijnlijk verlopen ook de eerste dagen van december nog vrijwel droog. 

Toch is de kans groot dat aan de droogte wel een keer een einde komt. De straalstroom boven Noord Europa is erg krachtig dit jaar en dit is de drijvende kracht die de lagedrukgebieden ten noorden van ons voortstuwt. Mocht het hogedrukgebied boven Centraal Europa wat naar het zuiden schuiven, dan is de kans groot dat regenzones ons dan wel kunnen bereiken. Als dat eenmaal zover is, kan het later in december alsnog flink natter gaan worden. Maar voorlopig blijft het afwachten of dat ook echt gaat gebeuren.

Rijn daalt langzaam verder

De waterstand bij Lobith is de afgelopen week langzaam gedaald en deze daling zal zich de hele komende week voortzetten. Anders dan in de zomer verloopt zo'n daling in het najaar altijd veel langzamer als het droog weer is. De verdamping is nu vrijwel nihil en al het water dat vanuit de bodem en andere bronnen beschikbaar komt, wordt dan ook afgevoerd; terwijl in de zomer een groot deel ervan in de lucht verdwijnt. 

Op dit moment is de waterstand bij Lobith gedaald tot ongeveer 7,65 m +NAP en bedraagt de afvoer nog ongeveer 1175 m3/s. De komende dagen daalt de waterstand met zo'n 3 tot 5 cm per dag verder, de afvoer neemt dan gemiddeld met zo'n 10 tot 15 m3 per dag af. Tegen het eind van de werkweek zal de waterstand bij 7,5 m +NAP in de buurt komen, bij een afvoer van ca 1100 m3/s, en na het volgend weekend verwacht ik een stand van ca 7,4 m +NAP. De afvoer zal dan ongeveer 1050 m3/s bedragen. 

De eerste dagen van december zal de daling nog verder doorzetten en de kans is groot dat de waterstand rond 5 december bij 7,25 m +NAP zal zijn uitgekomen en de afvoer dan ook de 1000 m3/s nadert. Of het zou rond het begin december ineens natter moeten gaan worden, want dan kan de waterstand ook weer snel gaan stijgen. Daar ziet het nu echter nog niet naar uit.

Een zo lage stand in november is niet uitzonderlijk. Zo eens in de 3 tot 4 jaar daalt de afvoer in november naar 1000 m3/s of soms zelfs daar nog onder. Vooral na droge zomers in het stroomgebied is de kans daarop groot en dat geldt daarom zeker ook voor dit jaar. 

Maasafvoer blijft laag

De afvoer bij Maastricht schommelde deze week tussen de 75 en 100 m3/s. Dat was net wat meer dan ik vorige week verwachtte. De afgelopen week viel er soms nog wel een klein beetje regen in de Ardennen en dat zorgde ervoor dat de afvoer niet niet verder daalde. De komende week ziet het er naar uit dat er vrijwel helemaal geen regen valt en zal de Maasafvoer weer wat gaan dalen.

Net als bij de Rijn verloopt de daling niet snel en de hele week zal de afvoer daarom eerst nog schommelen rond de 75 m3/s en waarschijnlijk later in de week daaronder dalen. Na het volgende weekend is er voorlopig nog geen stijging in zicht en zal de afvoer ook nog langzaam verder blijven dalen.

Water Inzicht

Verwachtingen voor de komende wintermaanden

Verschillende weerbureaus wagen zich in de loop van het najaar aan voorspellingen wat de komende winter gaat brengen. Op de nieuwspagina van de weer.nl kunt er regelmatig updates van vinden. In oktober werd nog verwacht dat er zo nu en dan uitbraken van koude lucht zouden zijn wanneer de wind naar het noordwesten zou draaien, met ook kans op veel sneeuw in de Alpen. Inmiddels is het beeld wat gedraaid en ziet het er naar uit dat de zuidwestelijke stroming, waar we nu al weken mee te maken hebben, het voorlopig nog wel even volhoudt; waarschijnlijk nog tot in het begin van 2021.

Deze lange termijnverwachtingen baseert men op grootschalige weerfenomenen, zoals een El Niño of de vrouwelijke tegenhanger El Niña waar we dit jaar mee te maken hebben. Maar ook de temperatuur van het zeewater is belangrijk, en dan niet die van de Noordzee, maar het zijn vooral de temperaturen in het noorden van de Grote Oceaan en het westen van de Indische Oceaan die de circulatie op het noordelijk halfrond een bepaalde richting in sturen.

Dit jaar blijken deze laatste twee er verantwoordelijk voor te zien dat de straalstroom rond de Noordpool extra sterk is. Dat zorgt voor een sterke westelijke stroming boven het noorden van Europa waarin lagedrukgebieden worden meegevoerd. In de meeste jaren betekent dat ook veel nattigheid in onze omgeving en in de stroomgebieden van Maas en Rijn, maar dit jaar ligt de meest actieve regenzone vooral boven Scandinavië en blijft het boven Centraal Europa tot nu toe juist erg droog.

Het meest voor de hand liggende scenario is echter dat deze regenzones op enig moment ook zuidelijker zullen komen en de stroomgebieden van de Rijn en de Maas zullen gaan bereiken. In de weersverwachtingen van de komende week tot 10 dagen is dat zeker nog niet het geval, maar het zou vreemd zijn als zo'n actieve westelijke luchtstroming ten noorden van ons zich later niet naar het zuiden uit zou gaan strekken. 

Op de website van Weer.nl wordt beschreven dat de huidige situatie veel lijkt op die van vorig jaar, maar ook op die van de winters van 1999/2000 en 2011/2012. Dit zijn alle drie jaren die maandenlang een sterke zuidwestelijke luchtstroming kenden en in alle drie waren er één of meer maanden die flink nat verliepen. Dat leverde in die periode ook hoogwaters op; geen grote hoogwaters, maar wel voldoende om de uiterwaarden te laten overstromen.

Wat zeggen de waterstanden in november over wat ons te wachten staat

De weermodellen kijken in de toekomst en proberen het weer te voorspellen tot enkele weken of zelfs maanden vooruit. Een andere manier om vooruit te kijken is om historische waterstanden te vergelijken met de huidige situatie.  Want mogelijk zegt de waterstand in november ons al iets over de maanden die gaan volgen.

In de grafiek hieronder heb ik de de gemiddelde afvoer van alle novembermaanden (dat zijn er 119 sinds 1901) gerangschikt van de maand met de hoogste afvoer (de donkerblauwe geheel links) tot de maand met de laagste afvoer (de rood gemarkeerde) geheel rechts. Een zeer hoge afvoer betekent dat deze meer dan 1,5 keer de gemiddelde hoeveelheid bedroeg, een zeer lage minder dan 0,55 keer het gemiddelde.

In de kolom daaronder heb ik vervolgens voor de maanden die op een november-maand volgen met dezelfde kleuren aangegeven of de afvoer hoog, laag of gemiddeld was. Als we nu na gaan of er een verband is tussen de afvoeren in november en in de maanden die er op volgden, dan blijkt dat er wel te zijn, maar vooral voor de lagere afvoeren. In een oogopslag is dat ook al wel te zien; de rode en gele vakjes in de maanden die volgden bevinden zich hoofdzakelijk in het rechterdeel van de figuur, terwijl de blauwe minder geconcentreerd zijn.

November en de andere maanden gemiddelde afvoeren.jpg

De relatie tussen Rijnafvoeren in november en in de volgende maanden.
De relatie tussen Rijnafvoeren in november en in de volgende maanden.
 

Als we de grafiek langslopen, beginnend bij de maanden met de hoogste novemberafvoeren (links in de figuur), dan zien we dat de maand december die er op volgde in veel gevallen (10 van de 14) een hoge afvoer had, maar in januari was dat nog maar 4 keer het geval, in februari 6 en maart 5. Dat zijn er niet meer dan er gemiddeld optreden na een maand met een gemiddelde november-afvoer. 

Wel valt op dat er in de categorie na een natte november niet veel maanden volgen met een lage afvoer. In december is dat er maar 1 en in januari zijn het er 3. Ook na de novembers met een hoge afvoer (lichtblauw in de bovenste balk) volgen er in de eerste 2 maanden weinig maanden met een lage afvoer. Vanaf februari zien we dat aantal wel toenemen en ook in maart zijn het er nog meer. 

Het beeld dat hieruit naar voren komt is dat een november met een hoge of zeer hoge afvoer niet vaak door maanden wordt gevolgd met ook hoge afvoeren. Alleen soms nog in december, maar dat is niet zo vreemd, want vaak ijlen perioden met een hoge afvoer nog wekenlang na. Dit na-ijl effect zien we ook bij de andere maanden na december nog terug. Na een november met een zeer hoge afvoer neemt het aantal keren dat de afvoer in latere maanden juist laag was, wel langzaam toe, maar het worden er nooit veel. Bij de maanden met een hoge afvoer zien we het aantal maanden met een lage afvoer ook gaandeweg toenemen en daar worden het er zelfs vrij veel.

Een duidelijker verband is er bij de novembermaanden met een zeer lage en lage afvoer (rechts in de figuur). Hier zien we vooral bij de maanden met een zeer lage afvoer opvallend veel opvolgende maanden met ook een lage afvoer:  in december zijn dat er zelfs 16 van de 18, maar ook in januari nog 12 van de 18 en in februari en maart nog 9. Een mogelijke verklaring is dat droogte in november er voor zorgt dat het stroomgebied later in de winter veel water kan absorberen, waardoor volgende maanden niet snel een hoge afvoer hebben. 

Maar een meer voor de hand liggende verklaring is dat droogte vaak veroorzaakt wordt door weertypen met hoge druk en dat type is vaak zeer persistent. Als het eenmaal droog is in november, dan is de kans groot dat het ook in de maanden daarna nog voortduurt. Toch zijn er soms ook maanden met een hoge afvoer opvolgend op novemberdroogte, maar het zijn er niet veel.

De novembermaanden met een lage afvoer (de geel gemarkeerde maanden) worden ook nog vrij vaak gevolgd door maanden met een lage of zeer lage afvoer: in december zijn dat er nog 21 van de 27, maar in januari worden het er duidelijk minder (12 van de 27), in februari 16 en in maart 9. Natte maanden zien we in deze categorie iets meer dan bij de novembers met een zeer lage afvoer, maar het zijn er ook dan niet veel.

Bij de november-maanden met een lage tot zeer lage afvoer is de kans dus relatief groot dat de afvoer in de maanden daarna ook aan de lage kant blijft. De huidige novembermaand staat nog niet in de figuur aangegeven, maar nu is al duidelijk dat deze uit zal gaan komen in de categorie van de lage afvoeren. Met ca 70% van de normale afvoer komt ze ongeveer halverwege uit tussen de andere maanden van die categorie.

Op grond van de historische data kunnen we nu concluderen dat de kans vrij groot is dat de afvoer in december gemiddeld ook aan de lage kant zal zijn en ook in de maanden daarna blijft de kans op een maand met een hoge afvoer vrij klein. Met zekerheid kunnen we dat natuurlijk niet zeggen, want het weer is altijd in staat om voor verrassingen te zorgen. Zo traden er ook na een november met een lage afvoer soms grote hoogwatergolven op in de maanden die volgden. Het zijn er niet zoveel, maar het kan wel. En omdat de hierboven genoemde westelijke circulatie dit jaar zo sterk is, zou dit jaar ook wel eens een van die jaren kunnen worden.

 

 

 

 

 

Zo nu en dan wat neerslag, maar te weinig voor stijging waterstanden

In het weerbeeld verandert ook de komende week niet zoveel. Regengebieden trekken vooral over het noorden van Europa en op een paar schampschoten na blijft het in de stroomgebieden droog. De waterstanden dalen daarom langzaam verder. Ook op langere termijn is er weinig verandering op komst. In het waterbericht leest u wat dat betekent voor de waterstanden en afvoeren in de Rijn en de Maas.

In het tweede deel van het bericht ga ik nog wat verder in op de afvoeren van de Rijn in de herfstmaanden. Vorige week liet ik zien dat de Rijnafvoer bij Lobith in de herfst vooral in de laatste decennia een ander verloop heeft dan de afvoer van de Maas. Als dat inderdaad met de situatie in de Alpen te maken heeft, dan is de waterstand van de Bodensee daar mogelijk een goede graadmeter voor.

Nieuw vanaf deze week in het waterbericht is de wat duidelijkere verdeling in twee gedeelten door de introductie van twee koppen: de verwachting van de waterstanden en afvoeren onder de kop 'water van de week' en het deel waarin ik trends en ontwikkelingen verder uitdiep onder de kop 'water inzicht'. 

water van de week

Hogedrukgebieden houden regengebieden voorlopig nog op afstand

Ook de komende week maken hogedrukgebieden boven het Europese continent nog de dienst uit. Het hogedrukgebied dat de afgelopen week het weer bepaalde is inmiddels steeds verder naar het oosten verplaatst en ligt nu boven het westen van Rusland. Een lagedrukgebied vanaf de Atlantische Oceaan heeft van de situatie gebruik gemaakt om dichterbij te komen en vandaag passeert ook een regenzone van dit lagedrukgebied over Nederland en later ook over Duitsland en de Alpenlanden. 

De neerslaghoeveelheden zijn echter klein en zodra de regenzone voorbij is, ontwikkelt zich al weer een nieuw hogedrukgebied boven centraal Europa dat daar weer enkele dagen zal blijven liggen. Later in de week op donderdag en vrijdag herhaalt dit weerbeeld zich en ook dan keert het hogedrukgebied weer snel terug nadat een kleine regenzone is gepasseerd.

Ook na het komend weekend lijkt in deze situatie nog geen verandering te komen. Mogelijk dat het hogedrukgebied zich iets naar het westen verplaatst en Europa met een wat koelere noordwestelijke stroming te maken krijgt, maar de neerslaghoeveelheden blijven voorlopig klein. De kans is daarom groot dat we ook in de rest van november weinig neerslag meer hoeven te verwachten in de stroomgebieden en de waterstanden zullen daarom voorlopig aan de lage kant blijven.

Rijn bij Lobith daalt nog iets verder naar ca 7,5 m +NAP

De Rijn is de hele week langzaam gedaald. De kleine regengebiedjes die soms overtrokken brachten onvoldoende neerslag voor een stijging. De waterstand bij Lobith bedraagt nu ongeveer 7,85 m +NAP en zal, bij gebrek aan neerslag van betekenis, de komende dagen langzaam verder dalen. Anders dan in de zomer is de daling in het najaar niet meer zo sterk meer als het langere tijd droog is. Dagelijks gaat er dan zo'n 3 tot 5 cm van de waterstand af en de afvoer zakt met zo'n 20 tot 25 m3 per dag. 

De eerstkomende dagen bedraagt de daling nog zo'n 5 cm per dag en aan het eind van de komende week verwacht ik dat de waterstand ongeveer bij 7,6 m +NAP zal zijn uitgekomen. De afvoer die nu nog ca 1275 m3/s bedraagt zal dan op ca 1150 m3/s zijn uitgekomen. In het weekend neemt de daalsnelheid nog wat verder af en pas in de loop van de week na het komend weekend (dat is rond 25 november) ziet het er naar uit dat dan ook de 7,5 m bereikt gaat worden, bij een afvoer van ca 1150 m3/s. 

Of de waterstand daarna nog verder daalt of weer gaat stijgen is nu nog niet met zekerheid te zeggen. Omdat hogedrukgebieden voorlopig nog niet van wijken weten, is de kans nu het grootst dat de waterstand ook daarna nog laag blijft. Volgende week is hier meer over te zeggen.

Maaspeil blijft erg laag met een afvoer tussen 50 en 75 m3/s

Bij gebrek aan neerslag neemt de aanvoer van water vanuit het stroomgebied naar de Maas langzaam steeds verder af. In oktober kwam de Maas nog korte tijd aan de normale afvoer voor de tijd van het jaar, maar inmiddels is de hoeveelheid water weer tot een erg laag niveau gedaald. Bij Maastricht daalde de afvoer in de loop van de week van 100 naar minder dan 75 m3/s, terwijl 250 tot 300 m3/s normaal is voor de tijd van het jaar.  

Een regenzone die vandaag passeert kan in de Ardennen net voldoende regen brengen om de afvoer enkele dagen te stabiliseren, maar in de tweede helft van de week verwacht ik weer een verdere daling. En ook na deze week ziet het er niet naar uit dat de Maas zal gaan stijgen. Voorlopig zullen de afvoeren daarom blijven schommelen tussen de 50 en 75 m3/s. 

water inzicht

De Bodensee als graadmeter voor de situatie in de Alpen

In het bericht van vorige week kwam naar voren dat de trend in de Rijnafvoer in de herfstmaanden anders is dan die in de afvoer van de Maas. Terwijl deze laatste over de hele meetreeks een dalende lijn laat zien, is dat bij de Rijn in oktober en november niet het geval. Als mogelijke oorzaak voor het andere verloop gaf ik aan dat dat veranderingen in de Alpen zouden kunnen zijn. Hierin onderscheiden de beide stroomgebieden zich namelijk het meest, want hooggebergten komen alleen voor in het stroomgebied van de Rijn.

Een goede graadmeter voor de ontwikkelingen in de Alpen zijn de grote Zwitserse meren waar al het water vanuit de Alpen eerst in uitstroomt voordat het via de Rijn naar Nederland stroomt. De meren geven dit water niet meteen allemaal door en bufferen een groot deel. Het waterpeil van deze meren geeft daarom een goede indicatie van de hoeveelheid water die is aangevoerd.

De waterstanden van de Bodensee worden al sinds 1826 van dag tot dag opgetekend en dit levert een unieke meetreeks op. Veel langer dan de meetreeks van Lobith die pas in 1900 is begonnen en die van de Maas die in 1911 is gestart. Helaas is de meetreeks van de Bodensee niet helemaal betrouwbaar omdat er in de uitgang van het meer nabij Konstanz rond 1940 iets veranderd is. De bovenste van de twee gedeelten van de Bodensee (de Obersee) loopt daarom iets makkelijker leeg naar de onderste (de Untersee) en de waarnemingen van voor 1940 zijn daarom niet zomaar te vergelijken met die van na die tijd.

In de grafiek van de gemiddelde waterstand over de hele meetreeks (zie hieronder) is dit moment terug te zien aan een knik rond 1940. Vanaf dat moment gaat het langjarig gemiddelde ineens vrij snel omlaag om enkele decennia later weer wat stabieler te gaan verlopen. Vanwege de daling na 1940 loopt de trendlijn (de blauwe stippellijn) ook meer naar beneden dan hij zonder deze verandering zou hebben gedaan. 

Schermafbeelding 2020-11-15 om 14.40.47.png

Verloop van de gemiddelde waterstand van de Bodensee bij Konstanz en het 30-jarig gemiddelde; in cm boven het daar geldende nulpunt (dit ligt op ca 392 m +NAP).
Verloop van de gemiddelde waterstand van de Bodensee bij Konstanz en het 30-jarig gemiddelde; in cm boven het daar geldende nulpunt (dit ligt op ca 392 m +NAP).

Om de veranderingen van de laatste decennia te kunnen vergelijken met een eerdere periode zullen we ons daarom moeten beperken tot de periode van na 1940. In de figuur hieronder is het jaargemiddelde van de meetreeks vanaf 1940 naast die van de meest recente 40 jaar afgebeeld. De verschillen zijn niet zo heel erg groot. De trendlijn gaat over de laatst 40 jaar iets omhoog, maar er is een grote variatie van jaar tot jaar en dat betekent dat deze verandering niet significant zal zijn. 

Wat verder opvalt is dat de waterstand in het meer de afgelopen 10 jaar relatief vaak wat hoger is geweest, terwijl met name de periode van 2003 t/m 2007 de waterstand gemeten over het jaar aan de lage kant was. Als we de linkergrafiek hieronder bekijken, dan zien we dat dergelijke perioden van enkele jaren met een lage stand vaker voorkomen. Ze worden steeds weer afgewisseld door jaren met een hogere stand. Ook in de grafiek over de hele meetreeks zien we dat terug. We kunnen hier uit concluderen dat er van jaar tot jaar wel schommelingen zijn en soms zijn er meerdere jaren op een rij met een lage of een hoge gemiddelde staand,  maar over het hele verloop van de afgelopen 80 en 40 jaar is geen duidelijke trend zichtbaar.

Schermafbeelding 2020-11-15 om 14.50.27.png

Verloop van de gemiddelde waterstand van de Bodensee bij Konstanz en de trendlijn vanaf 1940 (links) en vanaf 1980 (rechts); in cm boven het daar geldende nulpunt (dit ligt op ca 392 m +NAP).
Verloop van de gemiddelde waterstand van de Bodensee bij Konstanz en de trendlijn vanaf 1940 (links) en vanaf 1980 (rechts); in cm boven het daar geldende nulpunt (dit ligt op ca 392 m +NAP).

Als we nu naar de situatie in het najaar kijken, dan blijkt dat de waterstand in de 3 herfstmaanden (september t/m november) in de laatste 40 jaar wel wat meer is ges tegen dan de trend over het hele kalenderjaar. In de grafiek hieronder is wederom de meetreeks vanaf 1940 vergeleken met die van de meest recente jaren sinds 1980. Over de hele periode vanaf 1940 bezien is de trend van de waterstand in de herfst vrijwel stabiel, maar in de afgelopen 40 jaar stijgt deze duidelijk wat meer.

De gevolgen van de droge zomer van 2018 zijn ook goed zichtbaar, want dat zorgde in dat jaar ook voor een zeer lage stand in het najaar. Het effect hiervan op de trend is echter niet zo heel groot, want in de afgelopen 10 jaar waren er ook veel jaren met een relatief hoge stand in het najaar.

Schermafbeelding 2020-11-15 om 14.33.40.png

Verloop van de gemiddelde waterstand in de herfst van de Bodensee bij Konstanz en de trendlijn vanaf 1940 (links) en vanaf 1980 (rechts); in cm boven het daar geldende nulpunt.
Verloop van de gemiddelde waterstand in de herfst van de Bodensee bij Konstanz en de trendlijn vanaf 1940 (links) en vanaf 1980 (rechts); in cm boven het daar geldende nulpunt.

Als we nog wat verder inzoomen op de herfst en de 3 herfstmaanden afzonderlijk bekijken, dan valt op dat de toename in van maand tot maand steeds groter wordt. In september is deze nog klein, in oktober al wat groter en in november duidelijk het grootst. De oplopende trend  in de waterstanden van oktober en november komt geheel op het conto van de laatste 40 jaar, want de trendlijnen over de periode van 1940 tot 1980 (niet afgebeeld) voor deze 2 maanden lopen vrijwel vlak.

De stijging van de waterstanden in november betekent dat de Zwitserse meren meer water ontvangen vanuit de Alpen. Dit water wordt weer doorgevoerd naar de Rijn en dit zou dan de verklaring kunnen zijn voor het andere verloop van de Rijnafvoeren in Nederland in vergelijking met die van de Maas. De reden voor deze toename van de afvoer vanuit de Alpen kan zijn dat er meer neerslag valt, maar het najaar in de Alpen is in de afgelopen decennia maar weinig natter geworden. Het meest voor de hand ligt het dat in november, vanwege de hogere temperaturen de grens tussen sneeuwval en regen hoger is komen te liggen en daarom een groter deel van de neerslag als regen valt.

Schermafbeelding 2020-11-15 om 15.04.31.png

Verloop van de gemiddelde waterstand van de Bodensee bij Konstanz in de 3 herfstmaanden en de trendlijn vanaf 1980; in cm boven het daar geldende nulpunt .
Verloop van de gemiddelde waterstand in de 3 herfstmaanden van de Bodensee bij Konstanz en de trendlijn vanaf 1980; in cm boven het daar geldende nulpunt.

Droog weer houdt nog wel even aan, dalende waterstanden

November is droog begonnen en dat lijkt voorlopig niet te veranderen want een hogedrukgebied boven Europa houdt de regengebieden op grote afstand. De opleving van de afvoer in de Rijn en de Maas die in de loop van oktober plaats vond, zal daarom weer snel ten einde zijn. In dit bericht leest u wat dit betekent voor de waterstanden in de rivieren. 

In het tweede deel van het waterbericht een analyse van de herfstmaanden oktober en november. Soms verrassen deze maanden al met een eerste hoogwatergolf van het winterseizoen, maar dit jaar lijkt dat er niet in te zitten. In een korte analyse zal ik laten zien welke opvallende trends er te vinden zijn in het verloop van de waterstanden in deze maand.

Vorige week heeft een deel van de lezers, die een mail ontvangt zodra er een nieuw bericht is, helaas meerdere mails gekregen. Ook heeft een aantal van u geen mail ontvangen. Het bleek dat de methode van verzenden van de mails tegen de maximale capaciteit aan was gelopen en daardoor halverwege uitviel en dan weer opnieuw begon. De webbouwer heeft deze week hard gewerkt om een nieuwe verzendmethode te ontwikkelen waarmee dit probleem is verholpen. 

Hogedrukgebieden heer en meester boven Europa

Vorige week was al duidelijk dat een groot hogedrukgebied het weer zou gaan bepalen in de stroomgebieden van Rijn en Maas. Nog niet helemaal duidelijk was toen waar het hogedrukgebied zich zou nestelen en hoe lang dat dan zou duren. Inmiddels heeft het gebied post gevat boven Centraal en Oost Europa en het ziet er naar uit dat het daar nog zeker een week tot 10 dagen zal blijven liggen. Het Amerikaanse weermodel verwacht zelfs dat het wel 2 weken kan duren en al die tijd blijven neerslaggebieden op grote afstand. 

In de figuur hieronder is de weerkaart te zien van medio komende week. De kern van het hogedrukgebied (rood op de kaart) ligt boven Oost Europa, maar uitlopers ervan (de oranje kleuren) lopen door naar het zuidwesten en noorden en feitelijk ligt heel het continent onder de invloed van de hogedruk. Zo'n Eurohoog, zoals de situatie wel wordt genoemd, kan in het najaar erg persistent zijn en de weercirculatie voor meerdere weken op slot zetten. Lagedrukgebieden bewegen dan helemaal langs de westkant van de kaart en hebben maar weinig invloed op het weer in onze omgeving.

Schermafbeelding 2020-11-08 om 14.34.09.png

Bijna heel Europa ligt onder de invloed van een groot hogedrukgebied dat regengebieden op afstand houdt. De weerkaart is van het Europese weermodel en het gaat om de verwachting voor midden volgende week (bron Kachelmannwetter.com).
Bijna heel Europa ligt onder de invloed van een groot hogedrukgebied dat regengebieden op afstand houdt. De weerkaart is van het Europese weermodel en het gaat om de verwachting voor midden volgende week (bron Kachelmannwetter.com).

Uitlopers van de lagedrukgebieden proberen nog wel om wat dichterbij te komen. Meestal gaat het dan om verzwakte regenzones die net de randen van Europa kunnen bereiken. Voor Nederland betekent dat dat er op enkele dagen nog wel een paar millimeter regen kan vallen, maar verderop het continent op is de kans groot dat het de komende 10 dagen tot misschien wel 2 weken droog blijft.

Rijn daalt de komende week naar ca. 8 m bij Lobith, daarna nog verder dalend

Aan het begin van de afgelopen week was de Rijnafvoer licht verhoogd toen een klein golfje passeerde en de waterstand bijna tot 9 m +NAP steeg. Dat is zeker geen bijzondere stand, het is maar iets boven het langjarig gemiddelde, maar het was wel de hoogste stand sinds eind maart. De afvoer steeg tot iets boven de 1900 m3/s. 

Na de piek is de waterstand weer gaaan dalen met zo'n 10 cm per dag en inmiddels is de 8,5 m weer bereikt en de daling zal de komende dagen gestaag door gaan. Iedere dag gaat er zo'n 5 tot 10 cm van de stand af en in het volgend weekend wordt dan de 8 m weer onderschreden. De afvoer die nu nog ca 1650 m3/s bedraagt daalt met ca 50 m3 per dag en zal dan tot ca 1300 m3/s zijn gezakt. 

De daling zet ook na het komend weekend nog door, maar wel met een iets afnemende snelheid. Dagelijks verwacht ik dat de stand dan nog met zo'n 5 cm daalt en in het volgende weekend (het is dan 22 november) zal de stand tot ca 7,65 m +NAP zijn gezakt en de afvoer tot ca 1150 m3/s. 

Als het hogedrukgebied inderdaad 2 weken stand gaat houden dan is de kans groot dat ook na 22 november de stand nog wat verder zal dalen. Vanwege de lange termijn is deze verwachting echter nog onzeker. Volgende week daarover meer. 

Maasafvoer daalt weer onder de 100 m3/s en later ook onder de 75 m3/s

Ook de Maas beleefde aan het begin van de afgelopen week een klein piekje. Bij Maastricht steeg de afvoer tot iets boven de 175 m3/s; ook hier de hoogste afvoer sinds het afgelopen voorjaar. Deze afvoer is echter nog minder hoog dan het langjarig gemiddelde dat voor rond deze tijd ca 225 m3/s bedraagt. De komende week tot 2 weken zal de Maas die afvoer vrijwel zeker niet bereiken, want er wordt bijna geen regen verwacht in het stroomgebied.

Inmiddels is de afvoer al weer tot ca 125 m3/s gedaald en iedere dag gaat daar zo'n 5 m3 vanaf.  Medio komende week zal de afvoer daarom weer onder de 100 m3/s zakken en na het volgend weekend zal ook de 75 m3/s weer in beeld komen. Dat zijn lage waarden voor midden november, maar het komt wel vaker voor. Met name na droge zomers als het stroomgebied flink is uitgedroogd, duurt het altijd wel even voordat de bodem weer zoveel water bevat dat de Maas niet weer al te ver terug zakt als het enkele weken wat droger is. Van de afgelopen 10 jaar waren er zelfs 4 met een nog lagere afvoer rond deze tijd van het jaar (2011, 2015, 2016 en 2018). 

Omdat het hogedrukgebied boven Europa lang lijkt te blijven liggen, is een opleving van de Maasafvoeren voorlopig nog niet in zicht. 

Welke trends zijn er zichtbaar in de herfstmaanden oktober en november?

De maanden oktober en november zijn de herfstmaanden bij uitstek. We associëren ze met onstabiel weer en regen en wind. Zowel bij de Rijn als de Maas zien we dan ook dat de afvoeren in deze maanden weer gaan stijgen en een heel enkele keer is er al wel eens een flinke hoogwatergolf in deze periode. 

Zowel bij de Maas als de Rijn is er al vanaf begin oktober kans op een kleine hoogwatergolf; zo bereikte de Maas in 1960 begin oktober een afvoer van 750 m3/s en de Rijn kwam in 1968 tot een afvoer van 5000 m3/s bij een stand van ca 12,5 meter. Het gaat bij deze afvoeren echter nog om situaties waarbij het water binnen het zomerbed blijft en van hoogwater is dan nog geen sprake.

Het eerste echte hoogwater waarbij uiterwaarden overstroomden trad bij zowel de Maas als de Rijn op begin november 1998. De Rijn bereikte toen zelfs een zeer hoge afvoer van 9500 m3/s, iets wat gemiddeld maar ca eens in de 10 jaar optreedt en de Maas kwam tot ca 1800 m3/s, een afvoer die gemiddeld eens in de 4 jaar voorkomt. 

Dergelijke situaties met hoogwater in de herfst zijn echter zeldzaam, maar gemiddeld eens in de 10 tot 15 jaar bereiken de rivieren in deze tijd van het jaar een sterk verhoogde afvoer waarbij het zomerbed ongeveer gevuld is. Overstroomde uiterwaarden zijn nog zeldzamer.

In de frequentie van hoge afvoeren in de herfstmaanden is geen trend zichtbaar bij zowel de Maas niet als bij de Rijn. Het gaat om een vrij zeldzame gebeurtenis en in de meetreeksen is ook geen toename te zien. In het verleden waren er misschien zelfs wel wat meer, want tussen 1920 en 1950 waren er 6 novemberhoogwaters in de Maas en in de afgelopen 30 jaar waren dat er maar 3. Bij de Rijn is het beeld ongeveer hetzelfde.

Als we naar de gemiddelde afvoeren kijken van de maanden oktober en november dan valt op dat deze twee maanden in beide rivieren een dalende trend laten zien. Sinds de metingen in de Maas (vanaf 1911) en de Rijn (vanaf 1901) zijn begonnen is de hoeveelheid water die de rivieren afvoeren dus langzaam afgenomen. Bij de Maas nog wat meer dan bij de Rijn.  In de grafieken hierna is het verloop van oktober en november voor eerst de Maas en daaronder de Rijn weergegeven.

Schermafbeelding 2020-11-08 om 13.26.49.png

Gemiddelde afvoer van de Maas bij Monsin in oktober (links) en november (rechts) voor de periode 1911-2019; inclusief de trendlijn over de periode en het 30 jarig gemiddelde.
Gemiddelde afvoer van de Maas bij Monsin in oktober (links) en november (rechts) voor de periode 1911-2019; inclusief de trendlijn over de periode en het 30 jarig gemiddelde.

De Maasafvoer is van de locatie Monsin, dat is de plaats bovenstrooms van de afsplitsing van het Albertkanaal. Omdat de kanalen die tussen Luik en Maastricht van de Maas afsplitsen een wisselende hoeveelheid water aftappen, wordt altijd naar deze locatie gekeken om de trends te onderzoeken. Bij beide maanden valt op dat de trendlijn van de Maas vrij sterk daalt, bij november zelfs nog wat meer dan bij oktober. Zo is de gemiddelde afvoer in november met zo'n 30% afgenomen en in oktober met zo'n 20%.

Deze 2 herfstmaanden zijn daarmee over het hele jaar bekeken de maanden met de grootste afname. De focus bij de gevolgen van de klimaatverandering op de rivierafvoer ligt altijd vrij sterk op de veranderingen in de zomer en de winter, maar het lijkt er op dat de situatie in de deze twee herfstmaanden nog meer aan het veranderen is dan in de andere jaargetijden.

Bij het 30-jarig gemiddelde van oktober (de oranje lijn) valt op dat dit in de periode tot 1980 vrij sterk daalde. Dit werd vooral veroorzaakt door de jaren 70 van de vorige eeuw, die erg droog waren en weinig afvoer opleverden. De jaren 80 kenden weer vrij veel jaren met een hoge oktoberafvoer en daardoor steeg het gemiddelde na 1980. Met name de laatste 10 tot 15 jaar is het 30-jarig gemiddelde weer sterk gaan dalen en het bevindt zich nu op het laagste punt uit de hele meetreeks. 

In november zijn de jaren 70 en 80 minder uitzonderlijk het langjarig gemiddelde daalt dan gestaag vanaf de dertiger jaren tot rond 1995. Daarna volgt een korte opleving vanwege enkele natte novembermaanden tot 2002. Vervolgens is het 30-jarig gemiddelde eerst enige tijd stabiel, maar de laatste jaren is het weer gaan dalen. Het is nog niet zo laag als rond het jaar 1995.

Mogelijke oorzaken die ik kan bedenken voor het over het algemeen dalende verloop van de Maasafvoer zijn ten eerste de hoeveelheid neerslag. Uit neerslaggegevens blijkt dat deze twee herfstmaanden in Midden Europa wat droger zijn geworden en dat zorgt er voor dat er minder water beschikbaar is. Daarnaast is het flink warmer geworden, vooral de laatste 40 tot 50 jaar, en dat zorgt voor meer verdamping, waardoor een groter deel van de neerslag in de lucht verdwijnt, voordat het de beken en rivieren bereikt.

Een derde belangrijke oorzaak is dat het groeiseizoen vanwege de hogere temperaturen en het later invallen van de vorst tegenwoordig enkele weken langer duurt dan een eeuw geleden. De vegetatie gebruikt altijd een belangrijk deel van de neerslag en nu de bomen langer groen blijven, nemen zij langer water op en ook zal er meer water verdampen vanaf het bladoppervlak dat nog lang aanwezig is.

Schermafbeelding 2020-11-08 om 13.28.29.png

Gemiddelde afvoer van de Rijn bij Lobith in oktober (links) en november (rechts) voor de periode 1901-2019; inclusief de trendlijn over de periode en het 30 jarig gemiddelde.
Gemiddelde afvoer van de Rijn bij Lobith in oktober (links) en november (rechts) voor de periode 1901-2019; inclusief de trendlijn over de periode en het 30 jarig gemiddelde.

Bij de Rijn is er ook een dalende trend, maar die is veel minder sterk dan bij de Maas. Ook is de situatie in november niet veel anders dan in oktober. Bij het 30-jarig gemiddelde is wel grotendeels hetzelfde verloop te zien als bij de Maas. Na de droge oktobermaanden in de jaren 70 volgen natte oktobermaanden in de jaren 80 en daardoor veert de gemiddelde afvoer op vanaf ca 1980. Daarna blijft het relatief hoog, maar net als bij de Maas zet vanaf het jaar 2010 een daling in. Het gemiddelde is echter nog niet zo laag als in de 70-er jaren van de vorige eeuw.

In november daalt het gemiddelde vooral tussen 1950 tot 1970, waarna het een jaar of 20 vrijwel stabiel is om tussen 1995 en 2002 net als bij de Maas wat te stijgen vanwege de hoge november-afvoeren rond het jaar 2000. Sindsdien zijn er geen heel hoge afvoeren meer opgetreden, maar het 30-jarig gemiddelde blijft toch vrijwel stabiel.

Het meest opvallende verschil tussen de Maas en de Rijn is dat de gemiddelde afvoeren bij de Rijn minder dalen; de schommelingen daarentegen in het 30-jarig gemiddelde zijn wel ongeveer hetzelfde. De bij de Maas beschreven oorzaken van de dalende afvoeren zullen in grote lijnen ook voor de Rijn van toepassing zijn; ook daar is het wat droger geworden, en duurt het groeiseizoen enkele weken langer.

Dat ondanks dat de afvoeren vooral de laatste 30 tot 40 jaar niet verder zijn gedaald, maar stabiel zijn gebleven heeft waarschijnlijk te maken met de situatie in de Alpen. Door de hogere temperaturen is de grens vanaf waar er in oktober en november sneeuw valt, hoger komen te liggen. In deze maanden valt daarom een groter deel van de neerslag als regen en dat zal meteen afstromen naar de rivier, terwijl wanneer de neerslag als sneeuw was gevallen dat vaak de hele winter zou zijn blijven liggen tot het pas het voorjaar zou gan smelten.

De Alpen zijn in vergelijking met het begin en het midden van de vorige eeuw dus meer water aan de Rijn gaan leveren in oktober en november. Dit extra water zorgt er voor dat de afvoeren bij de Rijn de laatste decennia minder gedaald zijn dan bij de Maas die geen water uit het hooggebergte ontvangt.

Hogedrukgebieden zorgen voor droog weer en op termijn weer dalende waterstanden

De stroomgebieden van Rijn en Maas kregen de afgelopen weken met flink wat regenzones te maken en daardoor stegen de waterstanden in de beide rivieren. De komende week word de kans op regen snel minder en de waterstanden zullen daarom weer gaan dalen; het eerst bij de Maas en later ook bij de Rijn.

In het tweede deel van dit waterbericht een verslag van de ontwikkelingen rondom de Kier. Deze kleine opening in de Haringvlietsluizen, die voor een meer geleidelijke overgang van de zee naar de rivieren moet gaan zorgen, is er sinds januari 2019 en stond de afgelopen week in de belangstelling omdat uit onderzoek blijkt dat vissen vanuit zee massaal aangetrokken worden door het zoete rivierwater dat hier naar buiten stroomt. 

ps. Door een technisch probleem krijgen enkele abonnees tweemaal een mail dat er een nieuw bericht is. Excuses daarvoor; aan een oplossing wordt gewerkt.

Na een natte oktobermaand verloopt het begin van november droog

De afgelopen herfstmaand verliep op de meeste plaatsen in Nederland nat; langs de Hollandse kust viel lokaal zelfs meer dan 20 cm, dat is ruim twee keer de normale hoeveelheid. In het oosten van Brabant en Noord-Limburg was het met zo'n 6 cm regen veel droger. Voor daar is dit iets minder dan de normale hoeveelheid en de droogte in die regio, waar ik vorige week al over schreef, houdt daar voorlopig dus nog aan.

In de stroomgebieden van Rijn en Maas viel deze maand ongeveer de normale hoeveelheid regen of was het iets aan de natte kant. De rivieren hebben daar van geprofiteerd, want beide klommen uit het dal en stegen naar ongeveer de normale afvoeren voor deze tijd van het jaar. 

De nattigheid werd veroorzaakt door grote lagedrukgebieden die de afgelopen weken op het noorden van de Atlantische Oceaan lagen en in de (zuid)westelijke stroming die zich aan de zuidkant ontwikkelde trokken volop regenzones naar Europa. De komende week gaat dat veranderen: het lagedrukgebied verdwijnt naar het noorden en vanaf de Azoren breidt een hogedrukgebied zich uit richting het Verenigd Koninkrijk. Nieuwe regenzones moeten hier met een boog omheen en nadat maandag de laatste ons nog net heeft kunnen bereiken, wordt het in de stroomgebieden voor langere tijd droog.

De kans is groot dat het meer dan een week droog blijft en volgens het Europese weermodel kan het zelfs nog wel wat langer duren. Het Amerikaanse model laat na het volgend weekend wel weer lagedrukgebieden dichterbij komen, maar ook daarbij lijkt de kans klein dat er veel neerslag gaat vallen. Voorlopig kunnen we dus rekening gaan houden met een langere daling van de waterstanden.

Rijn schommelt de eerste dagen rond de 8,8 m +NAP, vanaf vrijdag dalend

De Rijn steeg de hele afgelopen week, nadat er eerst in Zuid Duitsland en later in Midden Duitsland aardig wat regen was gevallen. De waterstand is bij Lobith nu gestegen tot net boven de 8,8 m +NAP en de afvoer bedraagt nu ongeveer 1900 m3/s. Dat is iets boven het langjarig gemiddelde voor deze tijd van het jaar. 

Er is nog aardig wat water onderweg en de eerste 4 dagen zal de waterstand daarom nog niet gaan dalen. Een verdere stijging zit er echter ook niet meer in, want het beetje regen dat vandaag en morgen nog verwacht wordt is onvoldoende om de waterstand verder te laten stijgen. Tot en met donderdag verwacht ik daarom dat de waterstand tussen de 8,8 en 8,9 m +NAP zal blijven schommelen en de afvoer op of net onder de 1900 m3/s blijft. 

Vanaf vrijdag begint de Rijn dan aan een wat langere daling. Iedere dag gaat er zo'n 10 cm van de waterstand af en tegen het eind van de week na het volgend weekend (dat is rond 11 november) zal de stand waarschijnlijk weer onder de 8,5 m +NAP zakken. De afvoer komt rond die tijd ook weer onder de 1500 m3/s uit. Omdat de invloed van de hogedrukgebieden op het weer waarschijnlijk nog wel even voort zal duren, zet de daling ook daarna nog door en de kans is vrij groot dat later ook de 8 m +NAP nog onderschreden zal worden. Volgende week is daar meer zekerheid over.

Maas steeg even boven de 150 m3/s, maar zal de komende dagen weer dalen

Ook de Maas profiteerde van de regen die in het stroomgebied viel en in de loop van de week kwam de afvoer bij Maastricht eerst boven de 100 en later ook boven de 150 m3/s uit. Dit is ongeveer de normale hoeveelheid voor deze tijd van het jaar.

Oktober als geheel had bij Maastricht een gemiddelde afvoer van ongeveer 75 m3/s, wat wel wat te laag is (ca 70% van het langjarig gemiddelde), maar het is al heel wat meer dan de zeer lage afvoeren die in de afgelopen zomer optraden. Toen voerde de Maas slechts 25% van de normale hoeveelheid af.  

Vandaag en morgen valt er nog wel wat regen in het stroomgebied, maar het blijft bij zo'n 5 mm en dat is onvoldoende om de Maas nog wat verder te laten stijgen. De afvoer zal daarom vandaag nog op het huidige niveau blijven schommelen en vanaf morgen weer gaan dalen. 

De daling zal niet zo heel snel gaan en aan het eind van de week verwacht ik dat de afvoer rond de 125 m3/s uit zal zijn gekomen. Omdat het langdurig droog blijft zal de afvoer ook na volgend weekend verder dalen en waarschijnlijk zal dan de 100 en later ook de 75 m3/s weer onderschreden worden.

De Kier in de Haringvlietdam; stand van zaken

Een lezer van het waterbericht tipte mij om weer eens aandacht te besteden aan de Kier. Direct nadat deze opening in de Haringvlietdam voor het eerst functioneel was, had ik in een bericht op 20 januari 2019 de werking ervan al uitgelegd en grafieken laten zien waarop het eerste zeewater te volgen was dat het Haringvliet in stroomde. De afgelopen weken stond de Kier in de aandacht van de media vanwege de eerste resultaten van het onderzoek aan de visintrek. Voor wie niet bekend is met de Kier eerst een korte introductie.

Het Haringvliet is een van de grote zeearmen in de Rijn-Maas-delta die in de jaren 70 van de vorige eeuw werd afgesloten met een dam. Omdat het Haringvliet, samen de Nieuwe Waterweg, de belangrijkste route is waarlangs het water van de Rijn en Maas naar zee stroomt, staan er in de dam 17 grote sluisdeuren die open gezet kunnen worden om rivierwater naar zee te spuien. Dat spuien kan alleen als het eb is op zee en het water vanuit het Haringvliet onder vrij verval de zee in kan stromen. Als de vloed opkomt gingen de sluisdeuren tot voor kort altijd weer dicht en werd het rivierwater enige tijd opgehouden, om dan ca 6 uur later opnieuw open te gaan.

Dat de sluizen nu op een Kier staan, houdt in dat een of enkele sluisdeuren ook tijdens vloed open staan. Er stroomt dan enkele uren zout water naar binnen en met dit water mee kunnen trekvissen het Haringvliet in zwemmen. Het gaat daarbij om vissoorten zoals Paling, Zalm, Elft, Houting, Zeeprik en ooit wellicht de majestueuze Steur; vissen die een deel van hun levenscyclus op zee doorbrengen en een ander deel in het zoete water van de rivieren. Maar ook de Haring, die meer zeevis is, profiteert van het voedselrijke water van het Haringvliet en zwemt het liefst heen en weer tussen de zee en deze zeearm.

Het veranderen van het sluisbeheer zodat rivier en zee weer 24/7 met elkaar verbonden zijn, is nog niet zo eenvoudig want het Haringvliet is ook een belangrijk reservoir van zoetwater waar landbouw, industrie en drinkwater uit worden voorzien. Verder is de Haringvlietdam een belangrijke regelknop in het waterbeheer van het Benedenrivierengebied. Als de dam namelijk dicht staat, stuurt dit het rivierwater via de Oude Maas en de Nieuwe Maas naar de noordrand van de Delta waar de Nieuwe Waterweg nog wel open is. Dit water zorgt daar voor tegendruk om zeewater, dat via deze opening wel in en uit kan stromen, zoveel mogelijk tegen te houden.

Voor deze tegendruk is een bepaalde hoeveelheid rivierwater nodig en daarom verloopt de bediening van de Haringvlietsluizen stapsgewijs: bij zeer lage Rijnafvoeren (tot 1100 m3/s) is al het rivierwater nodig in de Nieuwe Waterweg en gaat er helemaal geen rivierwater via de sluizen naar buiten, bij iets hogere Rijnafvoeren (tussen 1100 en 1700 m3/s) gaat er wel een klein debiet, van ca 50 m3/s, door de sluizen en bij gemiddelde tot hogere rivierafvoeren neemt het debiet vervolgens toe van ca 10% van een Rijnafvoer van 2000 m3/s tot 50% bij zeer hoge afvoeren (8.000 m3/s en meer).

De Kier, hoe klein de opening ook is, zet dus letterlijk en figuurlijk wel heel wat in beweging: zout water zal namelijk het zoete Haringvliet in stromen en de afvoerverdeling van rivierwater over de noordrand (Nieuwe Waterweg) en de zuidrand (Haringvliet) zal een beetje veranderen, wat weer invloed heeft op de zoutindringing aan de noordrand. Om ervaring op te doen met de complexe nieuwe waterbeweging is afgesproken om de Kier niet in een keer open te zetten, maar om gaandeweg ervaring op te doen met het veranderde waterbeheer. Deze leerfase wordt het 'lerend implementeren' genoemd en gaat naar verwachting 5 tot 10 jaar duren. Uiteindelijk moet dat dan leiden tot een nieuw bedieningsprotocol voor de 17 sluisdeuren.

Na deze uiteenzetting over wat de Kier is, volgt nu een verslag van de eerste ervaringen die bij deze proeven zijn opgedaan. Sinds de Kier in januari 2019 voor het eerst open ging, is deze nog maar 4 keer daadwerkelijk open geweest, dat wil zeggen dat enkele sluisdeuren tijdens vloed korte tijd open stonden en zeewater het Haringvliet in kon stromen: drie keer in de winter van 2019 en een keer in het najaar van 2019. Dat lijkt heel weinig, maar is goed te verklaren omdat deze 4 keer alleen maar nodig waren om de proeven te starten die nodig zijn om het gedrag van het zoute water in het zoete Haringvliet te leren begrijpen. In de figuur hieronder is een van deze proeven inzichtelijk gemaakt. 

Zoutgehalte Haringvliet.jpg

Verloop zoutgehalte aan de bodem van het Haringvliet (paarse lijn) en de Rijnafvoer bij Lobith (blauwe lijn) van 1 febrauri tot 21 maart 2019.
Verloop zoutgehalte aan de bodem van het Haringvliet (paarse lijn) en de Rijnafvoer bij Lobith (blauwe lijn) van 1 febrauri tot 21 maart 2019.

In deze figuur zijn twee perioden terug te zien dat de Kier voor de proeven zeven open is geweest. De paarse lijn geeft het zoutgehalte op de bodem van het Haringvliet weer. Als de Kier op 12 februari open gaat, schiet de lijn omhoog omdat het zoute water het Haringvliet in stroomde. De Kier zelf gaat al na ongevere een dag weer dicht en het zoutgehalte stabiliseert op een niveau van ca 3500 mg/l, dat is licht zout water. Op 11 maart was het zout weer verdwenen, waarna het op 14 maart, toen de Kier weer even open ging, opnieuw zout werd. Deze tweede keer stond de Kier wat langer open en bouwde het zoutgehalte zich in enkele golven gaandeweg op tot een nog wat hoger niveau.

Met de blauwe lijn is in de grafiek de Rijnafvoer bij Lobith aangegeven. Het debiet schommelt eerst rond de 2200 m3/s en neemt dan toe tot ca 3250 tijdens een kleine afvoergolf. Daarna daalt de afvoer weer tot een relatief laag niveau begin maart om vervolgens nog een keer sterk te stijgen naar een kleine hoogwatergolf aan het eind van maart (de piek van de golf valt net buiten de grafiek).

De invloed van het zoete rivierwater op het zout is goed te volgen in deze grafiek. Tijdens de kleine golf medio februari wordt er via de Haringvlietdam tijdens eb rivierwater gespuid en tijdens die perioden slinkt het zoutgehalte telkens een beetje. Als het spuien dan stopt, stijgt het gehalte weer wat, maar al met al daalt het gehalte wel langzaam. Als de Rijnafvoer onder de 2200 m3/s zakt neemt het spuivolume gaandeweg af en wordt de invloed van het zoete water op het zout op de bodem steeds kleiner; de paarse lijn laat nauwelijks nog een verandering zien. 

Vanaf 5 maart is duidelijk dat er een nieuwe hoogwatergolf aan komt en dat is het moment dat de sluisbeheerder actief gaat proberen om de laag zoutwater, die nog op de bodem ligt, weg te spoelen. De sluizen worden wat verder open gezet en er kan meer Rijnwater naar buiten stromen. De eerste dagen verloopt dat nog niet zo vlot en pas als de Rijnafvoer toe begint te nemen en er meer water beschikbaar komt om te spuien (vanaf 8 maart) gaat het zoutgehalte pas echt dalen. Op 11 maart als de Rijnafvoer is toegenomen tot ca 2200 m3/s lukt het om ook het laatste zoute water vanaf de bodem weg te spoelen.

Deze proeven met het zogenaamde zoetspoelen zijn nodig, omdat het de bedoeling is, om op momenten dat, na een periode van Kieren, een lage Rijnafvoer wordt verwacht, het Haringvliet vooraf geheel zoet te spoelen.

Een paar dagen later wordt de proef nog een keer herhaald als op 15 en 16 maart de Kier nogmaals open gaat. Er is een flinke hoogwatergolf op komst en de sluisbeheerder durft het aan om nog wat meer zout binnen te laten dan bij de vorige keer. Nu blijft het zoute water maar kort in het Haringvliet en wordt enkele dagen later al weer gestart met zoetspoelen. Vanwege de hoge Rijnafvoer is er veel zoetwater beschikbaar om te spuien en op 18 maart als de Rijnafvoer ongeveer 3500 m3/s bedraagt, lukt het in een keer om nog een flinke hoeveelheid zout weg te spoelen.

Deze proeven laten zien dat er flink wat rivierwater nodig is om het zout helemaal uit het Haringvliet weg te spoelen. Een Rijnafvoer van 1500 m3/s is daarvoor onvoldoende en er is minimaal 2200 m3/s nodig om het hele bekken tot op de bodem door te spoelen. De bovenste ca. 10 meter van het Haringvliet is gedurende deze 2 proefperioden overigens geheel zoet gebleven en niemand zal het gemerkt hebben dat er op de bodem nog een laag van een paar meter zout lag.

Uit deze proeven blijkt dat het vooral lastig is om het Haringvliet helemaal tot op de bodem zoet te spoelen, daar is een hoge rivierafvoer voor nodig, terwijl met weinig rivierwater al wel de bovenste waterlagen zoet te houden zijn. Met deze proeven doet Rijkswaterstaat ervaring op voor als het zoetspoelen straks onderdeel wordt van het bedieningsprotocol.

De belangrijkste doelstelling van een ander beheer van de Haringvlietsluizen is om de vismigratie te verbeteren. Met slechts 4 keer een korte openstelling lijkt aan die doelstelling nog niet voldaan, maar gelukkig is toch ook goed nieuws voor de visintrek. Naast het leren omgaan met de Kier is er namelijk ook een proef gestart met het zogenaamde 'visvriendelijk sluisbeheer'. Dit houdt in dat de sluisbeheerder rond de kentering van het getij de sluis nog even wat langer open laat staan. Voorheen ging de sluis altijd dicht net voordat het waterpeil aan beide kanten van de sluis gelijk was, maar nu blijft de sluis nog even open en mag er zelfs wat buitenwater naar binnen stromen. Het eerste water dat dan instroomt is nog zoet, dit is namelijk rivierwater dat tijdens het spuien naar buiten is gestroomd en zich buitengaats van de sluis bevindt.

Zo'n 10 tot 20 minuten later is dit zoete water op en bereikt het eerste zoute water de sluis. Ook dan gaat de sluis nog niet dicht, want er mag ook nog een klein beetje zout water naar binnen stromen. Dit zoute water zakt in het zoete Haringvliet meteen naar de bodem (zout water is namelijk zwaarder dan zoet water) en vult daar een kleine put in de bodem net achter de sluis. In deze put hangt op een bepaalde hoogte een sensor die het zoutgehalte meet en zodra deze zout detecteert is de put vol en gaat de sluis dicht. Via zogenaamde zoutriolen die zich in de dam bevinden stroomt dit zout vervolgens weer terug naar zee, zodat de put weer leeg is (dwz dat het zoute water er weg is) en beschikbaar voor de volgende kentering van het getij.

In de grafiek hieronder is voor de afgelopen maand het verloop van het zoutgehalte in deze put weergegeven. Via waterinfo.nl van RWS is dit meetpunt voor iedereen te volgen. Het is goed te zien hoe het zoutgehalte steeds even piekt om daarna weer snel terug te zakken naar een laag niveau. Als er nog relatief veel zoetwater beschikbaar is (bij een Rijnafvoer >1.400 m3/s) laat de sluisbeheerder de sluis het langst open staan en mag er meer zoutwater instromen. Als de Rijnafvoer onder de 1400 m3/s wordt het sluisbeheer afgebouwd naar een veel kleinere influx van zout. Onder de 1100 m3/s (niet opgetreden in deze maand) houdt het visvriendelijk sluisbeheer helemaal op.  

zoutgehalte bij visvriendelijk spuibeheer.jpg

Verloop van het zoutgehalte aan de bodem van het haringvliet in de put net achter de dam (paarse lijn) gedurende de maand oktober en de Rijnafvoer bij Lobith (blauwe lijn).
Verloop van het zoutgehalte aan de bodem van het haringvliet in de put net achter de dam (paarse lijn) gedurende de maand oktober en de Rijnafvoer bij Lobith (blauwe lijn).

Het visvriendelijk sluisbeheer werkt goed en sinds hier in januari 2019 mee is gestart, is het al bij ca 65% van alle getijdebewegingen (dat zijn er vele honderden) toegepast. Inmiddels is het daarom ook een vast onderdeel geworden van het bedieningsprotocol. Voor de visintrek is dat goed nieuws want met name rond de kentering van het getij, als de stroomsnelheden klein zijn, zwemmen de meeste vissen naar binnen. Voor de kleine visjes is het zelfs de enige periode die geschikt is omdat ze niet tegen de sterkere stroom bij de sluizen in kunnen zwemmen. Onderzoekers hebben door de intrekkende vissen te vangen geschat dat het nu al om miljoenen exemplaren moet gaan.

Ondanks het succes van het visvriendelijk sluisbeheer is het nodig dat ook de Kier zelf, waarbij de sluizen permanent open zijn, er over niet alle te lange termijn gaat komen. Door het in- en uitstromen van water via de Kier zal er namelijk een meer geleidelijke overgang ontstaan in de monding van het Haringvliet: wat zouter aan de binnenkant van de sluis en iets zoeter aan de zeezijde. Zo'n geleidelijke overgang met al het leven dat daarbij hoort is een belangrijk onderdeel van een riviermonding en een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerende vispassage, anders is de overgang voor veel dieren veel te groot. De komende jaren gaat Rijkwaterstaat verder met het nemen van proeven om zo'n geleidelijke overgang ook daadwerkelijk voor elkaar te krijgen.

Abonneren op