U bent hier

Droge week en waterstanden blijven dalen

Sinds de korte wat nattere periode in de eerste helft van maart is het nu al weer twee weken vrijwel droog en de afvoeren van Rijn en Maas zijn daarom al weer even aan het dalen. Ook de eerste week van april verloopt droog en de daling van de waterstanden zal zich daarom nog wel even voort zetten. In het waterbericht leest u hoe de daling verder verloopt en of er op langere termijn al een einde van de droogte in zicht is. 

In de rubriek Water Inzicht beschrijf ik de ontwikkelingen die te zien zijn in de maand april. Als enige maand van het jaar is april de afgelopen decennia steeds droger geworden en omdat het de eerste maand is van het groeiseizoen heeft dat vaak gevolgen tot ver in de zomer. 

Water van de week

Hogedrukgebieden wisselen elkaar af

De afgelopen week trok een hogedrukgebied vanaf de Britse Eilanden naar Midden-Europa. Daar blijft het de komende dagen liggen en het zorgt dan voor een warme en droge luchtstroming over de stroomgebieden van Rijn en Maas. Even kunnen we het voorjaar ervaren, maar niet voor heel lang, want vanaf woensdag trekt het Europese hogedrukgebied zich terug naar het zuidoosten.

In de winter zou dat betekenen dat er regenzones dichterbij komen, maar in het voorjaar is dat vaak anders. Zo ook nu, want een nieuw hogedrukgebied ten zuiden van IJsland is dan inmiddels zo sterk geworden dat het het weer in onze omgeving gaat bepalen. De luchtstroming draait daarom vanaf donderdag weer naar het noorden en het zal dan een paar dagen gevoelig kouder worden. Neerslag wordt er bij de overgang van de warme naar de koude lucht niet verwacht.

Het nieuwe hogedrukgebied blijft voorlopig liggen boven het noorden van de Atlantische Oceaan en tot na het weekend houdt het grip op ons weer. Na het volgend weekend wordt het onduidelijk wat er gebeurt. Er ontstaat dan waarschijnlijk een lagedrukgebied boven Scandinavië en het is nu nog onduidelijk in hoeverre dat gebied invloed krijgt tot in onze omgeving of dat het hogedrukgebied toch sterk genoeg blijft. 

Met het lagedrukgebied mee zou er ook wat regen kunnen vallen, maar veel lijkt dat niet te gaan worden, want de Atlantische Oceaan blijft op slot vanwege het grote hogedrukgebied dat daar ligt. En dat is toch de regio waar in deze tijd van het jaar de regen vandaan moet komen. De kans is daarom groot dat het ook in de week na volgend weekend, dat is tot ca 10 april, weinig regen mogen verwachten.

Rijn daalt langzaam verder naar onder de 8,5 m +NAP bij Lobith

De waterstand bij Lobith is de hele week gedaald en bedraagt nu ca 8,85 m+NAP; dat is ruim een meter dan het langjarig gemiddelde in deze tijd van het jaar. De afvoer is weer tot onder de 1900 m3/s gezakt, wat ruim onder het gemiddelde is, want dat bedraagt in deze tijd van het jaar 2650 m3/s. 

De komende dagen zet de daling door, maar eerst nog in een langzaam tempo. De buien van de afgelopen dagen en wat smeltwater van de laatste sneeuw uit de Duitse Middelgebergten zorgt de komende dagen voor wat extra water en daardoor vertraagt de daling wat. Aan het eind van de week verwacht ik dat de stand tot ca 8,75 m +NAP zal zijn gezakt en de afvoer tot ca 1800 m3/s.

Vanaf het volgend weekend verloopt de daling wat sneller omdat er voorlopig geen regen wordt verwacht. Aan het eind van die week, dat is rond 10 april, verwacht ik dat de stand tot ca 8,5 m +NAP zal zijn gezakt en de afvoer tot ca 1600 m3/s. Of de afvoer daarna ook tot onder de 1500 m3/s zal zakken is nu nog niet te zeggen.

1500 m3/s is een lage afvoer die in het voorjaar maar zelden wordt onderschreden. Als het al gebeurt, dan is de kans het grootst vanaf de tweede helft van april. Later in mei en juni neemt die kans weer af omdat dan de sneeuw in de Alpen gaat smelten en dat zorgt vrijwel altijd voor een opleving van de Rijnafvoer. In een gemiddeld jaar is dat smeltwater voldoende voor ca 500 m3/s extra water en daarom is de kans op een afvoer onder de 1500 m3/s dan veel kleiner. Of de 1500 m3/s dit jaar in tweede helft van april onderschreden zal worden hangt af van of er regen gaat vallen na 10 april. Op dit moment is dat nog onduidelijk. Volgende week is daar meer over te zeggen.

Maasafvoer daalt langzaam verder in de komende week nar ca 200 en later 150 m3/s

De afvoer van de Maas is na de kleine opleving tussen 15 en 20 maart weer gestaag gedaald en de afvoer bedraagt nu ongeveer 250 m3/s. Dat is ruim onder het langjarig gemiddelde dat voor deze tijd van het jaar ongeveer 375 m3/s bedraagt. Gisteren zijn er wel wat buien gevallen in de Ardennen, maar de hoeveelheden regen waren onvoldoende voor een stijging van de Maas. De komende week zal gehele droog verlopen en daarom daalt de afvoer de hele week, naar ongeveer 200 m3/s in het volgend weekend.

Ook na het weekend zet de daling zich door omdat er ook dan weinig neerslag wordt verwacht. Mogelijk dat het lagedrukgebied dat rond 5 april boven Scandinavië wordt verwacht voor wat neerslag gaat zorgen in die week, maar de kans daarop is voorlopig klein. Gemiddeld daalt de Maasafvoer in droge weken met zo'n 25 tot 50 m3/s, dus is het waarschijnlijk dat in de loop van die week de 175 m3/s en later ook de 150 m3/s wordt onderschreden. 

Water inzicht

April maakt grote kans om weer een droge maand te worden

De maand maart is bijna afgelopen en daarmee eindigt het winterseizoen. In dat natuur valt dit samen met de start van het groeiseizoen. Terwijl in  de winter de neerslag vooral wordt afgevoerd naar de rivieren en naar het grondwater, ontwaken vanaf april de meeste planten uit hun winterrust en dat betekent dat zij weer vocht nodig hebben.  In april is die behoefte nog niet zo groot, maar in mei en vooral in de 3 zomermaanden neemt de vegetatie veel water op.

Ook neemt in deze periode de verdamping door warmte en zonneschijn sterk toe en van de neerslag die valt verdwijnt daarom een groot deel weer direct in de lucht. Ook het water dat de planten opnemen verdwijnt trouwens voor een groot deel in de lucht, ze ademen het uit via de zogenaamde bladmondjes. De verdamping en de vochtopname door planten is goed te merken in de beken en rivieren want die ontvangen in het zomerhalfjaar veel minder water en de gemiddelde afvoer loopt in deze periode dan ook sterk terug. 

Nu is er in april ook iets bijzonders aan de hand, want terwijl alle andere maanden van het jaar de laatste decennia gaandeweg vooral natter zijn geworden, is de hoeveelheid neerslag in april juist afgenomen. April is in Nederland daarom de droogste maand van het jaar. In de figuur hieronder is de neerslaghoeveelheid van alle 12 maanden van het jaar voor De Bilt weergegeven. In april valt gemiddeld zo'n 40 mm, ruim onder de andere maanden waarin ca 60 tot 85 mm valt.

Schermafbeelding 2021-03-28 om 13.02.08.png

Neerslag per maand in de Bilt in de periode 1991-2020 (bron KNMI)
Neerslag per maand in de Bilt in de periode 1991-2020 (bron KNMI)

Deze gegevens hebben betrekking op de nieuwste klimaatgegevens die het KNMI recent heeft vastgesteld over de 30-jarige periode 1991 – 2020. Op de site van het KNMI zijn deze gegevens terug te vinden in de fraai vormgegeven klimaatviewer.  Iedere 10 jaar stelt het KNMI het klimaat opnieuw vast door telkens het gemiddelde over de 30 voorgaande jaren te bepalen. Veranderingen in het klimaat zijn dan terug te zien doordat hoeveelheden toe- of afnemen. Bij de temperatuur is er nu al ruim 50 jaar een duidelijke toename te zien en iedere keer als het KNMI de nieuwe klimaatcijfers vaststelt, zijn de waarden weer verder gestegen. 

Ook bij de neerslag zijn er veranderingen te zien tussen de verschillende klimaatperioden. Als we de neerslag van de afgelopen 30 jaar vergelijken met de 30-jarige periode daarvoor (tussen 1961 en 1990), dan valt op dat bijna alle maanden natter zijn geworden, alleen het voorjaar en november. In de grafiek hieronder is dit voor alle maanden weergegeven. Of deze veranderingen het gevolg zijn van klimaatverandering, is niet zo eenduidig als bij de temperatuur. Vooral in de neerslaghoeveelheden zijn er namelijk bij sommige maanden ook clusters te herkennen van drogere en nattere decennia. 

Zo ontwikkelde augustus zich in de eerste helft van de vorige eeuw tot een steeds nattere maand, om in de tweede helft weer sterk op te drogen en vervolgens in de laatste 20 jaar weer natter te worden. De afgelopen 30 jaar is augustus daarom natter geworden dan in de vorige periode, maar als je de huidige periode vergelijkt met de eerste 30 jaar dat er in De Bilt neerslaghoeveelheden werden gemeten (zie de tweede grafiek hieronder) dan blijkt augustus nu bijna net zoveel neerslag te ontvangen als toen.

Schermafbeelding 2021-03-28 om 13.06.51.png

Verandering in neerslaghoeveelheden van iedere maand tussen de periode van 1961-1990 en de huidige periode van 1991-2020 (bron gegevens KNMI).
Verandering in neerslaghoeveelheden van iedere maand tussen de periode van 1961-1990 en de huidige periode van 1991-2020 (bron gegevens KNMI).

Schermafbeelding 2021-03-28 om 13.06.36.png

Verandering in neerslaghoeveelheden van iedere maand tussen de eerste 30-jarige periode dat er in De Bilt is gemeten (1906-1935) en de huidige periode van 1991-2020 (bron gegevens KNMI).
Verandering in neerslaghoeveelheden van iedere maand tussen de eerste 30-jarige periode dat er in De Bilt is gemeten (1906-1935) en de huidige periode van 1991-2020 (bron gegevens KNMI).

Bij de vergelijking van de huidige periode (1991-2020) met de periode uit het begin van de vorige eeuw (1906-1935) valt op dat alle maanden natter zijn geworden. Alleen april is een uitbuiter en is nu ca 10 mm droger dan begin vorige eeuw. April was altijd al een wat drogere maand, maar de laatste 20 tot 30 jaar is de maand steeds verder opgedroogd en waar andere maanden schommelingen laten zien en na een droge periode ook weer flink natter kunnen worden, gaat april zijn eigen gang. 

Ook wat verdamping betreft is april een bijzondere maand

Voor de ontluikende natuur en de gewassen op de akkers, die juist in deze maand moeten kiemen, komt de droogte in april niet zo goed uit. Omdat vooral de tweede helft van maart vaak ook al droog is, loopt het vochtgehalte in de bovenste 10 tot 20 cm van de bodem tegenwoordig in april sterk terug en dat is juist waar de planten hun vocht vandaan moeten halen.

Daar komt nog een andere ontwikkeling bij en die heeft zeker wel met de klimaatverandering te maken en dat is de toename van de verdamping in het voorjaar en dan met name in april. Doordat april veel warmer geworden is, inmiddels bijna 2 graden, en ook veel zonniger, is de verdamping sterk toegenomen. Terwijl zo'n 60 jaar geleden de verdamping in april ongeveer 40 tot 60 mm bedroeg is dat nu 60 tot 80 mm (zie de grafiek hierna). De trendlijn laat dat ook duidelijk zien. 

Vooral de laatste jaren liggen vaak ver boven de trendlijn en daarom heb ik de grafiek ook nog opgeknipt in twee gedeelten en de knip gelegd bij ongeveer 30 jaar geleden (zie de tweede grafiek hieronder). De eerste 40 jaar van de reeks is de trend namelijk duidelijk minder sterk geweest dan in de laatste 30 jaar.  De toename in de verdamping is in de laatste decennia dus versterkt.

April verdamping met trendlijn.png

Jaarlijkse hoeveelheid verdamping in april in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn (bron gegevens KNMI).
Jaarlijkse hoeveelheid verdamping in april in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn (bron gegevens KNMI).

April verdamping met knik.jpg

Jaarlijkse hoeveelheid verdamping in april in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn waarin een knip is gelegd rond 1990 (bron gegevens KNMI).
Jaarlijkse hoeveelheid verdamping in april in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn waarin een knip is gelegd rond 1990 (bron gegevens KNMI).

Als we de grafieken van neerslag en verdamping voor april met elkaar combineren dan geeft dat een beeld van het zogenaamde neerslagtekort cq -overschot. In de grafiek hieronder is dat voor de hele meetreeks vanaf 1957 weergegeven. De trendlijn is ook in deze grafiek opgedeeld in de periode voor en na de 90-er jaren van de vorige eeuw. Uit deze grafiek blijkt dat april in het begin van meetreeks nog gemiddeld een klein neerslagoverschot had en gaandeweg steeds verder is opgedroogd.

De laatste 30 jaar is de trend nog wat sterker negatief geworden en inmiddels is april een maand met een fors neerslagtekort. Jaren met een overschot zijn ook steeds schaarser geworden. Opvallend trouwens dat 2018, het jaar met een van de droogste zomers van de afgelopen 100 jaar, een van de weinige jaren is met een overschot in april. De laatste 10 tot 15 jaar zijn er soms jaren dat het neerslagtekort in april al oploopt tot 7 cm of meer, wat vergelijkbaar is met een vrij droge zomermaand. 

April overschot-tekort met knik.jpg

Jaarlijks verdampingsoverschot of tekort voor april in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn waarin een knip is gelegd rond 1990 (bron gegevens KNMI).
Jaarlijks verdampingsoverschot of tekort voor april in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn waarin een knip is gelegd rond 1990 (bron gegevens KNMI).

Deze omslag naar een steeds drogere maand is karakteristiek voor april. In de andere maanden zagen we hierboven is de hoeveelheid neerslag toegenomen en dat zorgt ervoor dat de trends in het neerslagtekort minder groot zijn dan in april. In mei (de eerste grafiek hieronder) is de trend nog wel duidelijk negatief. Mei is de laatste 30 jaar wat droger geworden en de verdamping is ook toegenomen, maar niet zo extreem als in april. Daar komt bij dat mei in het verleden ook al vaker een groot neerslagtekort had, wat zorgt dat de trend afvlakt. 

In de zomermaanden (de tweede grafiek hieronder) is de trend nog wat minder uitgesproken. Zoals we hierboven zagen waren die maanden de laatste 30 jaar natter geworden en dat heeft de toegenomen verdamping ongeveer gecompenseerd. De trendlijn is daarom slechts licht negatief. Het extreem droge jaar 2018 is hier goed in zichtbaar. 

overschot-tekort mei.png

Jaarlijks verdampingsoverschot of tekort voor mei in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn (bron gegevens KNMI).
Jaarlijks verdampingsoverschot of tekort voor mei in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn (bron gegevens KNMI).

overschot-tekort zomer.png

Jaarlijks verdampingsoverschot of tekort voor de 3 zomermaanden samen in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn (bron gegevens KNMI).
Jaarlijks verdampingsoverschot of tekort voor de 3 zomermaanden samen in De Bilt vanaf het begin van de metingen in 1957 met trendlijn (bron gegevens KNMI).

De grafiek van de zomer laat zien dat deze 3 maanden van het jaar niet de belangrijkste oorzaak zijn van de lage grondwaterstanden die tegenwoordig steeds vaker optreden. De verdamping in de zomer is wel toegenomen, maar de neerslag ook en dat heft elkaar ongeveer op. Wel is het natuurlijk zo dat als gevolg van de toegenomen verdamping een jaar met weinig neerslag, zoals 2018, tegenwoordig grotere gevolgen zal hebben dan een even droog jaar 30 of 40 jaar geleden. 

De belangrijkste oorzaak voor lage grondwaterstanden in het zomerhalfjaar lijkt echter te liggen in april en in mindere mate mei. Het oplopende tekort in april zorgt er namelijk voor dat het grondwater in een gemiddelde aprilmaand anno 2020 al niet meer wordt aangevuld en vaak zelfs flink zal dalen. Dat werpt zijn schaduw vooruit op de rest van de zomer, want omdat de vegetatie in de volgende maanden nog meer vocht nodig heeft, zullen de planten dan alle neerslag die valt opnemen en het gevolg is dat de grondwaterstand in de maanden na april zal blijven dalen en dus later in de zomer veel lager uit zal komen.

De kans dat beken en vennen op de zandgronden in zuid en oost Nederland dan droogvallen en er een verbod op beregenen wordt ingesteld, is daarom toegenomen; vooral omdat april een veel groter neerslagtekort heeft. Om hier wat aan te doen zal het grondwaterniveau vóór april al extra moeten worden aangevuld; in april is het namelijk al te laat. Vooral de maanden februari en maart zijn daarvoor belangrijk, want die zijn tegenwoordig vaak nat en omdat de verdamping dan nog niet zo groot is, zou dan zoveel mogelijk water moeten worden vastgehouden.

Dat betekent dan wel dat de bodem begin april natter zal zijn en daar doet zich dan meteen een probleem voor want dat is juist de tijd dat het land bewerkt moet worden. De waterbeheerders staan daarom voor een lastige keuze: een hoge voorjaarsstand én een natte bodem, met een kleine kans op een lage grondwaterstand in de zomer óf een droge bodem in het voorjaar, maar dan een grote kans op juist lage grondwaterstanden in de zomer.