U bent hier

Regen op komst, maar waterstanden blijven voorlopig laag

Het droge weer hield deze week onverminderd aan in de stroomgebieden en de waterstanden in Rijn en Maas daalden verder. De komende week is er verandering op komst: er gaat regen vallen, maar of dat voldoende is om de rivieren weer te laten stijgen is nog onzeker. In het eerste deel van dit bericht leest u meer over de weersituatie van de komende week en de invloed daarvan op de rivierafvoeren.

Na april is ook mei droog verlopen en dankzij de vele zonneschijn was ook de verdamping deze maand zeer groot. Het neerslagtekort in Nederland nam daardoor sterker toe dan ooit tevoren in de eerste twee maanden van het groeiseizoen. In het waterbericht van 17 mei heb ik al aandacht besteed aan de voorjaarsdroogte. Nu ga ik er nog wat verder op in en zal ik aan de hand van enkele grafieken laten zien dat de veranderingen die de laatste decennia in het neerslagverloop zijn opgetreden vooral in het voorjaar groot zijn. Dit heeft gevolgen voor het waterbeheer want het betekent dat we het neerslagoverschot de komende jaren beter zullen moeten gaan benutten.

Droog weer houdt nog aan tot het midden van de week, daarna buien

Het hogedrukgebied bij Skandinavië, dat de hele week ons weer heeft bepaald, trekt in de loop van de komende week naar het westen weg en dat maakt de weg vrij voor lagedrukgebieden die vanaf de Atlantische Oceaan naar het Europese continent trekken. Vanaf woensdag later op de dag zouden de eerste regenbuien Nederland kunnen bereiken. Ook de dagen daarna is er kans op neerslag. De hoeveelheden lijken voorlopig nog niet zo heel groot te zijn, maar tot en met het weekend zou er wel ca 2 cm kunnen vallen en voor veel plaatsen is dat meer dan er in de hele maand mei is gevallen.

Rond het volgend weekend keert het hogedrukdrukgebied vanaf de Oceaan weer terug, maar het ziet er niet naar uit dat het dan heel lang het weer bij ons zal beïnvloeden, want op wat langere termijn worden weer nieuwe lagedrukgebieden in onze omgeving verwacht. De verwachting voor meerdere dagen vooruit wisselt echter nog sterk, dus is er weinig zekerheid over hoeveel regen er precies gaat vallen. Alleen de weersomslag in de loop van woensdag lijkt nu wel bijna zeker met aardig wat regen gepaard te gaan.

Het onstabiele weer met buien strekt zich vanaf donderdag ook verder over Europa uit en vooral van vrijdag t/m zondag zou er veel regen kunnen vallen in de Alpen en Zuid Duitsland. Als dat uitkomt, dan betekent dat flink wat extra water voor de Rijn. Het zal dan echter nog tot ongeveer 10 juni duren voordat dat water Lobith heeft bereikt.

Rijn daalt deze week nog langzaam, pas na volgend weekend stijging mogelijk

De eerste dagen van de week steeg de Rijn bij Lobith een paar decimeter als gevolg van een klein golfje dat enkele dagen eerder in Zuid Duitsland was ontstaan. Op donderdag werd het hoogste punt bereikt bij een afvoer van 1350 m3/s en de stand bij Lobith kwam net niet tot 8 meter, waarna de daling weer inzette. Inmiddels is de afvoer alweer onder de 1250 m3/s gezakt en de waterstand weer 20 cm, lager. Ook de komende dagen zet de daling nog door, maar het gaat niet heel snel. De eerste twee dagen daalt de stand nog met ca 10 cm, daarna gaat het langzamer met ca 5 cm per dag. waarschijnlijk op zaterdag wordt dan de 7,5 m onderschreden en zal de afvoer rond 1100 m3/s zijn uitgekomen.

Na het komend weekend daalt de afvoer nog maar weinig verder en schommelt dan tussen de 1075 en 1100 m3/s, wat bij Lobith overeenkomt met een stand net onder de 7,5 m +NAP. Vanaf ongeveer 10 juni is dan voor het eerst een stijging van de waterstand mogelijk. Dit hangt af van de neerslag die vanaf de tweede helft van deze week in het stroomgebied gaat vallen. De meeste neerslag lijkt voorbestemd voor het zuidelijk deel van het stroomgebied en dat water doet er dan nog ongeveer 5 tot 6 dagen over voordat het Nederland bereikt. 

Als de verwachte neerslag inderdaad gaat vallen dan is de kans groot dat de Rijn in de tweede helft van juni weer een wat hoger niveau zal bereiken. Zoals ik vorige week al schreef levert de smeltende sneeuw in de Alpen dit jaar maar een kleine bijdrage aan de Rijnafvoer en smeltwater zal ook de komende weken niet voor veel extra water zorgen. Gewoonlijk is het meeste Rijnwater in de zomer echter afkomstig van regenval en mocht het weer inderdaad omslaan en er ongeveer normale hoeveelheden regen gaan vallen, dan kan de Rijnafvoer zich gedurende de zomermaanden ook weer herstellen. De weermodellen verwachten de komende tijd wel aardig wat regen; nu nog afwachten of dat ook daadwerkelijk gaan vallen.

Maasafvoer blijft komende week nog laag

De Maasafvoer daalde de hele week langzaam verder en is nu bij Maastricht tot ca 60 m3/s gezakt. De eerstkomende dagen zal daar niet veel aan veranderen en tot en met donderdag blijft de afvoer stabiel of daalt nog iets verder. 

Vanaf donderdag wordt er regen verwacht, maar de hoeveelheden zijn niet heel groot en lijken onvoldoende voor een sterkere stijging. Mogelijk dat in het weekend de 100 m3/s weer even bereikt wordt als er donderdag en vrijdag inderdaad enkele flinke buien vallen in het stroomgebied.

Ook op wat langere termijn wordt er niet veel regenverwacht en de kans is daarom groot dat de Maas voorlopig niet veel zal stijgen en de afvoer tussen de 50 en 100 m3/s blijft schommelen. Anders dan bij de Rijn ligt er in het stroomgebied van de Maas geen gebied zoals de Alpen waar het 's zomers extra nat is. Bij de Maas is de kans op hogere afvoeren later in de zomer daarom ook minder groot wanneer het voorjaar, zoals dit jaar, al droog is verlopen. 

Zomers neerslagtekort Nederland is de afgelopen 40 jaar toegenomen, vooral in het voorjaar

April en mei samen zijn beide droog tot zeer droog verlopen en vooral in het midden en een groot deel van het zuiden viel in deze twee maanden maar 2 tot 2,5 cm regen. Ook de laatste twee weken van maart waren daar al erg droog en inmiddels is er ca 10 cm regen minder gevallen dan er normaal in deze periode van 2,5 maand valt. In het noorden van het land en Zuid Limburg was het wat natter, maar ook daar was tekort aan neerslag groot.

De zon scheen meer dan ooit dit voorjaar en daardoor was de verdamping ook zeer groot. Sinds medio maart bedroeg de potentiële verdamping in De Bilt ruim 23 cm en omdat er maar ca 2,5 cm regen is gevallen het neerslagtekort is daardoor opgelopen tot ca 20 cm en dat is al bijna twee keer zo groot als het normaal aan het eind van de zomer zou zijn.

Het droge voorjaar en de vele zonneschijn worden veroorzaakt door hogedrukgebieden die niet van wijken weten en bijna alle regengebieden gaan in een grote boog om ons land heen. Dit weerpatroon past in een trend die al enkele decennia aan de gang lijkt te zijn, want vooral sinds 1990 zien we de neerslag in de voorjaarsmaanden, en dan vooral april, afnemen en de zonneschijn en verdamping toenemen.

In de grafiek hieronder is aan de hand van de data van De Bilt het jaarverloop van neerslag en verdamping weergegeven voor de maanden van het jaar. Het verschil tussen beide is met de kolommen aangegeven: als er meer neerslag valt dan er verdampt is de kolom positief en blauw gekleurd. Als er meer verdampt dan er als regen valt is die negatief en bruin gekleurd. 

verandering in opbouw neerslagtekort.jpg

Verloop van neerslag (blauwe lijn), verdamping (oranje lijn) en neerslagoverschot cq tekort (blauwe kolommen) gedurende het jaar . Links de situatie rond 1980, rechts de huidige situatie.
Verloop van neerslag (blauwe lijn), verdamping (oranje lijn) en neerslagoverschot cq tekort (blauwe kolommen) gedurende het jaar . Links de situatie rond 1980, rechts de huidige situatie.

Over het hele jaar bekeken zijn zowel de neerslag als de verdamping in deze 40 jaar toegenomen. De neerslag van ongeveer 790 naar 850 mm en de verdamping van 540 naar 600 mm. Het neerslagoverschot bedraagt dus nog steeds ongeveer 25 cm. Gedurende het jaar zijn er echter wel enkele opvallende veranderingen opgetreden. Zo is februari flink natter geworden, waardoor het neerslagoverschot in die maand sterk is gegroeid en ook september en oktober zijn natter geworden en leveren nu een grotere bijdrage aan het neerslagoverschot.

April is echter de maand die het meeste opvalt. Hier is de hoeveelheid neerslag flink afgenomen en tegelijkertijd is de verdamping sterk toegenomen. Terwijl april in 1980 nog een maand was waarin verdamping en neerslag elkaar vrijwel in evenwicht hielden is het in 40 jaar tijd uitgegroeid tot een maand met een groot neerslagtekort; zelfs groter dan in juli. Ook in mei is het neerslagtekort toegenomen. Dit was altijd al de maand die gemiddeld het meeste bijdraagt aan het tekort, maar de mate waarin, is nog wat groter geworden.

In juni en juli is de bijdrage aan het neerslagtekort tegenwoordig ook iets groter dan in 1980, maar de veranderingen zijn minder groot dan in april en mei. In augustus is er weinig veranderd, dit was altijd al een maand waarin neerslag en verdamping elkaar in evenwicht hieden en dat is nog steeds zo. In de wintermaanden tenslotte van november t/m januari is er niet zo veel veranderd: er valt tegenwoordig iets meer neerslag en de verdamping is ietsje gestegen, waardoor de bijdrage aan het overschot in die maanden licht is toegenomen. 

Omdat de verdamping vooral in het zomerhalfjaar groot is, groeit dan het neerslagtekort, terwijl in het winterhalfjaar bij gebrek aan verdamping het neerslagoverschot juist toe neemt. In de volgende grafiek is de opbouw van het neerslagtekort in het zomerhalfjaar en die van het neerslagoverschot in het winterhalfjaar uitgezet en de veranderingen daarin tussen 1980 en 2020.

Schermafbeelding 2020-05-31 om 14.50.06.png

Opbouw van het neerslagtekort in het zomerhalfjaar (links) en het neerslagoverschot in het winterhalfjaar (rechts) voor 1980 en 2020.
Opbouw van het neerslagtekort in het zomerhalfjaar (links) en het neerslagoverschot in het winterhalfjaar (rechts) voor 1980 en 2020.

Zowel het overschot als het tekort zijn toegenomen in de afgelopen 40 jaar. Bij het tekort valt op dat dit tegenwoordig al meteen in april vrij groot is, waar het in 1980 nog vrijwel nul was. In de maanden daarna neemt het tekort verder toe, maar de verschillen in de mate van toename zijn per maand niet meer zo groot als in de eerste maanden. Zoals we ook in de bovenste grafieken al zagen zijn het vooral de voorjaarsmaanden die voor de toename in het neerslagtekort zorgen. Het neerslagoverschot in de winter zien we een zelfde beeld, ook dit is over de hele linie toegenomen.  De bijdrage aan deze toename is in de meeste maanden gelijkmatig verdeeld, alleen februari springt er uit en zorgt in zijn eentje voor bijna de helft van de totale toename. 

Uit bovenstaande analyse blijkt dat vooral in de voorjaarsmaand april en mindere mate in mei er grote veranderingen in het klimaat zijn opgetreden. Het is droger geworden en de verdamping is toegenomen. Het gevolg is dat er al meteen aan het begin van het groeiseizoen een groot neerslagtekort wordt opgebouwd en tegen eind mei is dit tekort tegenwoordig al net zo groot als het rond 1980 midden in de zomer zou zijn geweest. Tegelijkertijd is het totale neerslagoverschot, berekend over het hele jaar, ongeveer hetzelfde gebleven, alleen de verdeling over het jaar is veranderd: in de zomer is het tekort groter geworden en in de winter het overschot.

Voor het Nederlandse waterbeheer betekent dat dat we zorgvuldiger met het overschot om zullen moeten gaan. Het huidige waterbeheer in Nederland doet dat onvoldoende; dat is er namelijk op gericht dat de waterpeilen (van sloten, beken en het grondwater) op 1 april op de zomerstand staan. Dit is nodig omdat het land bewerkt moet kunnen worden en dat vraagt om een niet te hoge grondwaterstand in het voorjaar. In de winter wordt er daarom vooral water afgevoerd om het neerslagoverschot kwijt te raken, zodat op de peildatum 1 april de situatie in orde is.

Het watersysteem dat hier voor nodig is, is vooral in de periode van de ruilverkavelingen tussen 1970 en 1990 ingericht en daarbij heeft men rekening gehouden met de toen heersende klimatologische gegevens. Zoals we hierboven zagen is het klimaat echter met name rond de peildatum in april sterk gaan veranderen en een geschikt peil in april betekent tegenwoordig bijna zeker een veel te laag peil in de zomer, omdat april en mei anno 2020 een veel groter neerslagtekort hebben.

Door dit grotere neerslagtekort moet het grondwater tegenwoordig veel meer dan vroeger aangesproken worden voor beregening. Het grondwater is echter geen oneindige bron, want hierin wordt het water opgeslagen dat in de winter als overschot valt en als dit overschot meer dan vroeger wordt afgevoerd, dan zal grondwater later in de zomer zeker veel te ver uitzakken. 

Dit probleem is niet zomaar opgelost, want simpelweg overal het peil in april verhogen zal al snel problemen opleveren voor de landbouw die dan in de soms toch optredende nattere voorjaren het land niet op kan. Een mogelijke oplossing zou een nieuwe herverkaveling kunnen zijn, waarbij er grotere gebieden worden heringericht waar het grondwater weer volop kan worden aangevuld en daar dan wel verder kan stijgen. Er is wel eens een schatting gemaakt dat voor dergelijke infiltratiegebieden ongeveer 10% van het grondbeslag voldoende is. Daar zal landbouw vroeg in het voorjaar dan lastig zijn, maar het heeft tot voordeel dat het grondwatersysteem weer op orde gebracht kan worden en daar profiteren veel meer bedrijven van.