U bent hier

Zacht en eerst regenachtig, stijgende standen, maar geen nieuw hoogwater

Vanaf vandaag verandert het weerbeeld sterk; het wordt veel zachter en van dinsdag tot en met donderdag staat er wat regen op het programma. Geen grote hoeveelheden en ik verwacht daarom een beperkte stijging van de rivieren in de komende week. Ook op langere termijn wordt niet neerslag verwacht en daarom gaan de waterstanden na deze week ook weer dalen.

In de rubriek water in zicht een terugblik op de hoogwaters van rond de jaarwisseling. Er werd toen vaak gerefereerd aan het project Ruimte voor de Rivier dat ervoor gezorgd zou hebben dat de overlast van het hoogwater beperkt bleef. Ik heb uitgezocht hoe groot het effect van deze maatregelen op de waterstanden was.

water van de week

Onstuimig en zacht, maar niet zoveel regen

Na een vrij koude week met afgelopen woensdag flinke sneeuwval In de middelgebergten van België en midden Duitsland slaat het weer vanaf vandaag om. Actieve lagedrukgebieden op het noorden van de Atlantische oceaan krijgen grip op ons weer en zorgen voor een zuidwestelijke luchtstroming waarmee warme lucht wordt aangevoerd en zo nu en dan regengebieden.

Toch wordt het niet heel erg nat, want de luchtdruk blijft relatief hoog boven centraal Europa. De regengebieden dringen daarom niet heel ver door in de stroomgebieden en voor zover het gebeurt valt het mee met de hoeveelheid neerslag. Het ziet er daarom niet naar uit dat we opnieuw in een zeer natte periode geraken zoals in december en begin januari.

Een paar dagen geleden zag dat er nog anders uit; toen werd er nog vrij veel regen verwacht in de stroomgebieden, waardoor ook de sneeuw zou smelten en er een kans was dat er opnieuw een hoogwater zou komen. De neerslaghoeveelheden zijn door de weermodellen echter flink teruggeschroefd voor de komende dagen en er valt niet meer dan zo'n 5 tot 10 mm per dag. Dat is onvoldoende om de sneeuw snel te laten smelten en daarom verwacht ik geen al te sterke stijging meer.

Vandaag, zondag, dringt de zachte lucht geleidelijk de stroomgebieden binnen; de eerste regen wordt pas op maandag verwacht. Ook dinsdag en woensdag valt er nog regen maar daarna wordt het alweer droger. Mogelijk dat er op vrijdag nog wat regen valt, maar de hoeveelheden blijven dan klein en ook het komend weekend lijkt grotendeels droog te verlopen. Pas in het begin van de week daarna wordt weer wat regen verwacht, maar ook dan geen grote hoeveelheden.

Al met al betekent dit dat de waterstanden In de rivieren nog wel wat gaan stijgen vanwege de regenval en smeltwater maar een hoogwater zal er niet komen.

Rijn stijgt naar ongeveer 12,5 m in het volgend weekend.

De Rijn bereikte afgelopen vrijdag een voorlopig laagste stand van iets onder de 10 m en is sindsdien weer gaan stijgen. Dit extra water is afkomstig van de neerslagzone die afgelopen woensdag over midden Duitsland trok en die zuidelijker in het stroomgebied ook aardig wat regen bracht. Deze stijging zet langzaam door naar een stand van ongeveer 11,5 m (NAP) op 24 januari.

Ondertussen is er dan nieuwe regen gevallen in het stroomgebied en samen met wat smeltwater zorgt dat in de dagen daarna voor een verdere stijging. Ik verwacht dat er nog ongeveer 1 m bovenop komt, wat dan leidt tot een hoogste stand rond 27 januari van circa 12,5 m (NAP). De afvoer die nu net de 3000 m³/s is gepasseerd zal tegen die tijd tot waarschijnlijk iets onder de 5000 m³/s zijn gestegen. Ter vergelijking bij de vorige hoogwatergolf en kwam de afvoer uit op respectievelijk 7500 en 7300 m³/s. 

Vanaf komende zondag zal de waterstand weer gaan dalen omdat er vanaf 25 januari een aantal droge tot bijna droge dagen volgen. Het ziet er nu naar uit dat de waterstand aan het eind van de maand weer onder de 11,5 m (NAP) zakt en de kans is groot dat begin februari ook de 11 m (NAP) wordt onderschreden. Tegen die tijd zal de afvoer weer gedaald zijn tot ongeveer 3500 m³/s.

Het warme weer en een paar dagen met regen zorgen ervoor dat een groot deel van de sneeuw in de middelgebergten in Duitsland in de komende week weer wegsmelt. Dit verloopt vrij geleidelijk en zorgt daarom niet voor een hoogwater. Als de sneeuw weer verdwenen is uit de stroomgebieden is de kans op hoogwater later in de winter ook weer wat kleiner geworden. Maar de winter is nog niet voorbij een nieuwe sneeuwval en flink wat regen kan ook later in februari of maart nog voor hoogwater zorgen. Het hoogwaterseizoen is dus nog niet voorbij.

Maas stijgt de komende dagen licht maar blijft waarschijnlijk onder de 750 m³/s.

De Maas was donderdag en vrijdag al wat gestegen vanwege de regen die op woensdag zuidelijk in het stroomgebied was gevallen. In de Ardennen viel echter een flink pak sneeuw en dat ligt er nu nog steeds. De komende dagen zal dit smelten door een combinatie van een vrij hoge temperatuur en regenval. De hoeveelheid regen blijft in Ardennen echter beperkt tot zo'n 15 à 25 mm verspreid over 3 tot 4 dagen.

Dat is onvoldoende om de sneeuw snel te laten smelten. De afvoer gaat echter wel omhoog maar een hoogwater waar ik enkele dagen terug nog over schreef lijkt er niet in te zitten. Ik verwacht dat vanaf dinsdag de afvoer gaat stijgen naar een hoogste waarde van ongeveer 750 m³/s op 25 januari. Mocht er toch wat meer neerslag vallen dan kan dat nog wel iets meer worden maar zoals die nu naar uitziet wordt de 1000 m³/s niet bereikt.

Vanaf 25 januari zal de afvoer weer gestaag gaan dalen omdat er niet veel regen wordt verwacht tot het eind van de maand. De afvoer kan daarom ook weer dalen tot onder de 500 m³/s en als het droge weer inderdaad zo lang aanhoudt als nu wordt verwacht, dan wordt ook de 400 en mogelijke 300 m³/s weer onderschreden in het begin van februari.

Water in zicht

Effecten van de ingrepen uit het project Ruimte voor de Rivier op de waterstanden tijdens het laatste hoogwater

In december bereikte de Rijn bij Lobith een afvoer van iet meer dan 7500 en en begin januari nogmaals 7.300 m³/s. Het project Ruimte voor de Rivier werd vaak aangehaald omdat het voor lagere waterstanden heeft gezorgd, maar is iets te zeggen hoe groot dat effect bij dit hoogwater ongeveer was. 

De Nederlandse rivieren heb ik tegenwoordig veel meer ruimte om hoogwaters af te voeren dan een jaar of 10 geleden. Dit is te danken en het programma Ruimte voor de Rivier (verder afgekort als RvdR) dat rond 2015 werd uitgevoerd. Hierbij werd het winterbed van de rivier verruimd zodat hoogwater makkelijker kan door worden doorgevoerd, wat dan leidt tot lagere waterstanden. Daarmee kon voorkomen worden dat de dijken moesten worden verhoogd.

Voorafgaand aan de uitvoering van het project kon het stroomgebied van de Rijn (waar de Waal, Neder-Rijn / Lek en IJssel toe behoren) een afvoer verwerken van 15.000 m³/s . We noemen dat de maatgevende afvoer en dat wil zeggen dat tot die afvoer de dijken sterk genoeg zijn om het water te keren. Omdat er rond het jaar 2000 vrij veel grote hoogwaters waren geweest, was de verwachting dat de afvoer verder kon stijgen en daarom werd de maatgevende afvoer verhoogd naar 16.000 m³/s.

Om dit verschil te kunnen overbruggen werd het winterbed van de rivier verruimd en in grote lijnen kwam dit erop neer dat de ingrepen voldoende moesten zijn om de verwachte stijging van de afvoer te kunnen opvangen zonder dat de waterstand zou stijgen. De nieuwe waterstand bij 16.000 m³/s moest door deze ingrepen lager blijven dan de oude waterstand bij 15.000 m³/s.

In de tabel hieronder is voor een aantal plaatsen langs de Rijntakken in de 2e kolom de waterstand weergegeven die in 2010 verwacht werd bij een maatgeveende afvoer, dus voordat het RvdR-project was uitgevoerd. In de 3e kolom is de stand voor de situatie in 2022 weergegeven, dus na de uitvoering van het project. Deze waterstanden zijn berekend door Rijkswaterstaat en vermeld in tabellen voor al de Rijntakken. Het gaat hier om de standen bij een afvoer van 16.000 m³/s; op het effect bij de 7.500 m3/s van het laatste hoogwater ga ik later in. In de vierde kolom staat het verschil tussen beide. 

Scherm­afbeelding 2024-01-21 om 20.50.39.png

Berekende waterstanden voor een aantal plaatsen langs de Rijntakken voor de situatie in 2010 en 2022. en het verschil tussen beide. In de voorlaatste kolom is de gemeten waterstand van het laatste hoogwater weergegeven.
Berekende waterstanden voor een aantal plaatsen langs de Rijntakken voor de situatie in 2010 en 2022. en het verschil tussen beide. In de voorlaatste kolom is de gemeten waterstand van het laatste hoogwater weergegeven.

Als er een hoogwatergolf van 16.000 m³/s zou optreden, dan zou bijvoorbeeld bij Lobith de waterstand nu 12 cm lager zijn dan dat deze was geweest als de golf in 2010 was gepasseerd. Verder stroomafwaarts bij Ooij, net voor Nijmegen, is dit verschil veel groter en bedraagt daar maar liefst 37 cm. Dit is te danken aan de grote nevengeul die bij Nijmegen is aangelegd en die vooral stroomopwaarts van Nijmegen de waterstanden sterk naar beneden trekt.

De stad Nijmegen ligt net voorbij het beginpunt van de nevengeul en daar is het effect ervan al minder groot en bedraagt de waterstanddaling maar 10 cm. RvdR zorgt niet overal voor een daling van de waterstanden en bij Dodewaard, iets stroomafwaarts van Nijmegen, zijn de waterstanden volgens de tabellen van RWS zelfs iets hoger dan voordien. Verder stroomafwaarts bij Tiel en Zaltbommel is de stand wel weer zo'n 10 tot 15 cm lager.

Nog verder stroomafwaarts neemt de daling weer wat toe met bij Werkendam een bijna 30 cm lagere stand. Dit is te danken aan het Noordwaard project dat bij een maatgevende rivierafvoer ook voor een forse waterstanddaling zorgt in dit traject van de Waal. Langs de Nederrijn en lek zijn maar weinig RvdR-projecten uitgevoerd en hier zien we dat de waterstanden in 2022 in vergelijking met 2010 niet of nauwelijks zijn veranderd.

Langs de IJssel heeft RvdR juist heel veel effect gehad op de waterstand. Dit is te danken aan een groot aantal projecten, zoals de dijk teruglegging bij Cortenoever, de groene rivier van Veessen-Wapenveld en het Reevediep net voor Kampen. Samen zorgen zij voor in aanzienlijke waterstanddaling die bij Olst oploopt tot bijna 75 cm en bij Kampen zelfs tot ruim 1 m.

In de Beneden-IJssel is veel meer waterstanddaling behaald dan nodig was om de doelstelling te halen dat de nieuwe waterstand bij 16000 m3/s niet hoger mocht zijn dan de oude van 15.000 m3/s. Zo is bijvoorbeeld bij Kampen de nieuw waterstand die bij 16.000 m3/s wordt behaald net zo hoog als de stand die voor RvdR al bij ca 10.000 m3/s werd behaald. Er is in dit traject sinds RvdR daarom veel overruimte in het systeem.

Het hoogwater van rond de jaarwisseling had een afvoer van 7.500 m³/s en bedroeg dus nog wat minder dan de helft van de maatgevende afvoer waar de waterveiligheid in het rivierengebied op is ingericht. In de vijfde kolom van de bovenstaande tabel zijn de waterstanden weergegeven zoals die eind december bij dit hoogwater werden gemeten. In de laatste kolom van de tabel is het verschil weergegeven tussen die stand en de stand die bij een maatgevende afvoer op zal treden.

Omdat de afvoer in december nog niet de helft bedroeg van de maatgevende afvoer is het logisch dat de waterstanden veel lager waren dan bij een afvoer van 16000 m³/s. Langs een groot deel van de Waal was de waterstand nu 2,5 tot ruim 3 m lager dan bij een maatgevende afvoer en ook langs de Nederrijn en Lek waren de waterstanden veel lager dan bij een hoogwater waar de waterveiligheid van het gebied achter de dijken op is ingericht.

Langs de IJssel bedroeg het verschil ongeveer een meter, bij Olst en Kampen wat minder. Voor een deel werd dit kleinere verschil veroorzaakt door het feit dat de IJssel veel water te verwerken kreeg uit het eigen achterland in Gelderland en Overijssel en daarom een hogere stand had dan bij een 'gewoon' hoogwater van 7500 m³/s, wanneer bijna al het water via de Rijn wordt aangevoerd. Zo kwam de waterstand bij Zutphen tijdens de hoogste stand overeen met een Boven-Rijnafvoer van ca 8.500 m³/s, bij Deventer, Olst en Zwolle van ca 9.300 m³/s en bij Kampen zelfs met een Rijnafvoer van ruim 10000 m³/s. Bij Kampen was deze hoge waarde vooral te danken aan het hoge peil op het IJsselmeer, wat voor opstuwing zorgde in de IJsselmonding en niet zozeer aan de hoge afvoer uit de beken en de Rijn. 

Dat zich geen grote problemen hebben voorgedaan langs de Rijntakken is dus voor een groot deel te danken aan het feit dat de afvoer niet uitzonderlijk hoog was. Een afvoer van 7.500 m³/s komt ongeveer eens in de 3 jaar voor en de 16.000 m³/s, waar het rivierengebied op is ingericht, komt maar eens in de 1250 jaar voor. Alleen benedenstrooms in de IJssel was de kans flink lager dan 1 op 3, voor een deel werd dit veroorzaakt door de hoge stand van het IJsselmeer, maar vooral ook vanwege het feit dat de waterstanden hier dankzij RvdR relatief sterk zijn gezakt en de RvdR-maatregelen werken minder goed als het rivierwater niet weg kan door een hoog peil op het IJsselmeer.

Inschatting van de effecten van RvdR bij het december-hoogwater

In de tabel hierboven zagen we dat de waterstanden bij een maatgevend hoogwater sinds RvdR lager zijn geworden. De vraag is nu hoe groot het effect van alle maatregelen was bij het hoogwater in december. Nu zijn de ingrepen van RvdR vooral bedoeld om bij extreme afvoeren de waterstanden te verlagen en bij een afvoer zoals we nu hebben gehad is het effect daarom minder groot. Veel maatregelen gaan ook pas in werking bij een verhoogde waterstand, zoals de nevengeul bij Nijmegen die pas gaat stromen vanaf 5.000 m³/s.

Uit de tabellen van Rijkswaterstaat is ook de waterstand bij een afvoer van 7.500 m³/s af te leiden (zie tabel hieronder). In de tweede en derde kolom zijn  de waterstanden weergegeven zoals die voor 2010 en 2022 zijn bepaald, dus voor en na RvdR. Voor het hoogwater in december gelden de waarden van 2022. Het verschil tussen beide staat in de vierde kolom. NB. In deze tabel is de Neder-Rijn / Lek niet meegenomen omdat de effecten van RvdR op de waterstanden in dit traject bij 7.500 m³/s klein zijn, centimeterwerk. Alleen bovenstrooms bij Arnhem zijn ze groter, tot ca 20 cm, maar dit effect is verdre stroomafwaarts bij Driel al vrijwel verdwenen.

Scherm­afbeelding 2024-01-21 om 20.50.52.png

Berekende waterstanden bij een afvoer van 7.500 m3/s voor een aantal plaatsen langs de Waal en de IJssel voor de situatie in 2010, 2014 en 2022 en de verschillen daartussen.
Berekende waterstanden bij een afvoer van 7.500 m3/s voor een aantal plaatsen langs de Waal en de IJssel voor de situatie in 2010, 2014 en 2022 en de verschillen daartussen.

In vergelijking met 2010 zijn de waterstanden in 2022 ook bij 7.500 m³/s een flink stuk lager. In de Waal tussen Lobith en Tiel gaat het om circa 20 tot 30 cm, verder stroomafwaarts is er ook bij Vuren sprake van een grote daling, bij Zaltbommel en Werkendam is het veel minder. Langs de IJssel zijn de verschillen wat minder groot: tussen de 10 en 20 cm in het traject tot Deventer, slechts 4 cm bij Olst om daarna sterk toe te nemen bij Zwolle en Kampen.

Nu is deze daling van de waterstanden in 2022 in vergelijking met 2010 niet helemaal toe te schrijven aan RvdR projecten. Met name in de Waal is er al decennia sprake van een autonome bodemdaling van het zomerbed en dit heeft ook effect op de waterstanden. Ieder jaar slijt de bodem van de rivier hier enkele centimeters uit; de rivier creëert hier dus ook zijn eigen ruimte.

Door Rijkswaterstaat is begin 2014 een zelfde tabel gemaakt van de waterstanden als in 2010 en 2022 en deze geeft de situatie weer van voor het RvdR-project. Als we die waterstanden vergelijken met de standen van 2010 (zie de vijfde kolom in de tabel), dan blijkt er tussen 2010 en 2014 in het traject tot Tiel al sprake te zijn van een daling van zo’n 6 tot 8 cm bij een afvoer van 7.500 m³/s. Stroomafwaarts is het beeld minder eenduidig, maar daar is ook geen sprake meer van bodemdaling. In de IJssel is er alleen bodemdaling in het traject tot Zutphen en daar zien we ook een kleine daling. Stroomafwaarts stijgt de bodem en zien we juist een stijging.

In de laatste kolom is het waterstand verschil tussen 2014 en 2022 weer gegeven; het verschil tussen 2010 en 2014 is hier dan van afgetrokken. We zien dat de waterstand overal is gedaald en dit zou je het effect vanuit RvdR-project kunnen noemen. Toch is dat ook nog niet helemaal correct want ook sinds 2014 is het zomerbed van de rivier nog in beweging geweest en zal een deel van de daling ook na 2014 veroorzaakt zijn door de bodemdaling.

Als we daar rekening mee houden, is er bij Lobith weinig meer over van de daling om aan RvdR toe te schrijven. Bij Ooij stroomopwaarts van Nijmegen nog wel en hier is het effect van de grote nevengeul bij Nijmegen duidelijk merkbaar. De waterstand zal hier circa 20 cm lager zijn geweest tijdens het laatste hoogwater dan voor uitvoering van RvdR.

Bij Nijmegen en Dodewaard bedraagt het effect zo'n 10 cm en bij Tiel ongeveer 20; stroomafwaarts wordt het dan weer wat minder. In de IJssel is het effect bij Doesburg en Zutphen vrij gering, maar bij Deventer kan het zeker 20 cm zijn geweest, wat te danken zal zijn aan de nevengeulen die bij Deventer zijn aangelegd. Bij Olst is het effect wat minder, maar met name bij Zwolle en Kampen, waar veel RvdR-projecten zijn uitgevoerd is het effect op de waterstanden met 40 tot 50 cm juist weer aan de hoge kant.

Samengevat zien we dat ook bij dit hoogwater van ongeveer 7500 m³/s er in delen van het Rijnstroomgebied al een effect waarneembaar is van de ingrepen die in het kader van het RvdR-project zijn uitgevoerd. Veelal gaat het om zo’n 5 tot 10 cm lokaal 20 zoals stroomopwaarts van Nijmegen, bij Tiel en bij Deventer.  Op enkele trajecten is het nog meer, zoals benedenstrooms langs de IJssel.

Deze daling is natuurlijk altijd meegenomen maar het gaat bijna overal toch nog maar om een beperkt effect in vergelijking het grote verschil tussen deze waterstand en die van een maatgevend hoogwater (zoals we in de eerste tabel zagen).

Buiten het effect op de waterstanden hebben de ruimte voor de rivier ingrepen nog een belangrijk gevolg gehad. Het rivierengebied is namelijk op heel veel plaatsen veel interessanter en avontuurlijker geworden dankzij de vele maatregelen en dit is een effect dat er altijd is, of het nu hoogwater is of niet.