U bent hier

zondag 21 april 2019

Nog een dag of vijf droog weer, daarna wisselvallig en overal in de stroomgebieden van Rijn en Maas regen; waarschijnlijk voldoende voor een stijging van de waterstanden. Aan de opbouw van de droogte in Nederland komt dan voorlopig ook een eind. In dit waterbericht verder aandacht voor wat droogte in april ons zegt over de neerslagkansen in de rest van de voorzomer en een analyse van hoe kwistig we in Nederland met onze zoete water omgaan.

Droog weer nog tot het midden van de week, daarna wisselvalliger

Het hogedrukgebied boven Scandinavië heerst al een week over ons weer en de verwachting is dat dat nog tot medio komende week voortduurt. Tegen die tijd zal de kern van het hogedrukgebied naar het oosten zijn opgeschoven en tegelijkertijd dringt dan lagedruk vanaf de Atlantische Oceaan door tot het zuidwesten van Europa. 

Op woensdag zal volgens de weermodellen het wisselvallige weer tot over de Benelux zijn doorgedrongen en dan komt een einde aan het erg droge weer, dat op enkele buien na al vanaf medio maart duurt. Deze verwachte weersomslag zit al meer dan een week in de weermodellen, maar is niet altijd even consistent geweest en er was zelfs even sprake van dat het droge weer nog langer zou duren. Maar in de laatste modelruns is de weersomslag toch weer terug, dus ik ga er in mijn waterverwachting ook van uit.

Op donderdag en vrijdag aanstaande stroomt de koele, vochtige lucht over het hele stroomgebied van Maas en Rijn uit en kan er overal aardig wat regen vallen. Het ziet er naar uit dat dit nattere weertype nog wel even aan kan houden. Vanaf zaterdag dringt een nieuw hogedrukgebied op vanaf de Atlantische Oceaan, maar dat lijkt zich uit te strekken over de Middellandse Zee, zodat wij in een meer westelijke stroming terecht komen, waar ook dan neerslaggebieden in mee gevoerd worden.

Voor de waterstanden in de Rijn en Maas betekent dit dat ze de komende week eerst nog zullen dalen, maar dat bij de Maas vanaf vrijdag en bij de Rijn vanaf zondag weer met (licht) stijgende standen rekening gehouden mag worden. Hoe ver de waterstand dan gaat stijgen is nog niet te zeggen. Wat al wel duidelijk is, is dat de neerslaghoeveelheden niet groot genoeg zullen zijn voor een sterke stijging. 

Zegt droogte in april ons iets over de rest van het voorjaar en de zomer

April is tot nu toe een droge maand en het is het nu zelfs ronduit zomerweer geworden, waardoor de verdamping groot is; wat de droogte verder versterkt. Dat roept al snel herinneringen op aan de legendarische zomer van 2018, die grossierde in volop zonnig en droog weer; en er was de laatste dagen dan ook veel aandacht voor de droogte en de problemen die dat met zich mee kan brengen.

De vrees was al groot dat 2019 weer een droog jaar zou worden en nu april meteen al warm en droog van start gaat, wordt die vrees alleen maar groter. Als we de statistieken van het weer er op na slaan, dan is daar echter nog geen reden toe. In de tabel hieronder heb ik de 18 aprilmaanden op een rij gezet waarin, sinds het begin van de reguliere metingen (dat was in 1906) in De Bilt, minder dan de helft van de normale hoeveelheid neerslag viel. 

tabel april irt andere maanden.jpg

Tabel van de 18 droogste aprilmaanden sinds 1906 (eerste kolom) en de mate waarin de opvolgende maanden mei (3e kolom) en juni (4e kolom) en de hele zomer (5e kolom) droger of natter waren dan normaal (bron data: KNMI)
Tabel van de 18 droogste aprilmaanden sinds 1906 (eerste kolom) en de mate waarin de opvolgende maanden mei (3e kolom) en juni (4e kolom) en de hele zomer (5e kolom) droger of natter waren dan normaal (bron data: KNMI)

Van de 36 mei- en junimaanden die op deze 18 droge aprilmaanden volgden, waren er 18 droger dan normaal en 18 natter; precies gelijk verdeeld dus. In de tabel zijn de meest droge maanden, waarin slechts 35 - 50% van de normale hoeveelheid neerslag viel, oranje gemarkeerd, de natste maanden, met meer dan anderhalf keer de normale hoeveelheid, lichtblauw. Wat opvalt is dat er vooral na de droogste aprilmaanden ook in mei nog relatief veel te droge maanden volgden, maar dat de kans op droogte in juni niet groter meer is.

Als we naar al de 36 maanden kijken, dan waren er 5 mei- en junimaanden die duidelijk droger waren (oranke gekleurd), maar daar stonden ook 5 mei- en junimaanden tegenover die veel natter waren (blauw gekleurd); ook dat is dus gelijk verdeeld. De allerdroogste aprilmaand ooit, dat was in 2007, werd zelfs gevolgd door de natste meimaand ooit. 

Als we ook de opvolgende zomer in de analyse meenemen en naar de hele periode tot en met augustus kijken (de laatste kolom in de tabel), dan zien we ook daar dat de te natte jaren en te droge jaren mooi in evenwicht zijn. Er is maar een jaar waarin het na een droge aprilmaand ook in de volgende maanden te droog bleef en dat was het jaar 1976.

In de statistieken is dus geen aanwijzing te vinden dat april een voorbode zou zijn voor een droog verloop van de rest van het voorjaar of de zomer. Het kan wel (zoals in 1976) en vaker dan gemiddeld is vooral bij de droogste aprilmaanden ook de opvolgende meimaand nog te droog, maar de kans op een te droog verloop van de rest van de voorzomer en zomer is na een droge aprilmaand niet groter, of kleiner.  

Rijn bij Lobith even onder de 8 meter

Vanwege de aanhoudende droogte in het stroomgebied is de Rijn de hele afgelopen week gedaald met ca 5 tot 10 cm per dag. De komende dagen zet de daling met ongeveer dezelfde snelheid door. Vanmorgen werd de 8,2 m +NAP bij Lobith onderschreden en waarschijnlijk zal de stand woensdag of donderdag onder de 8 meter zakken. Omdat er vanaf woensdag regen wordt verwacht zal de daling daarna niet meer verder doorzetten. 

De neerslag die in de tweede helft van de week in het stroomgebied valt, zorgt vanaf donderdag voor licht stijgende standen in de Bovenrijn en de Moezel. Dit water zal dan pas op zondag of net na het volgend weekend bij Lobith aankomen. Aan de langdurige daling van de waterstanden zal dan, in ieder geval voorlopig, even een einde zijn gekomen. 

De afvoer is sinds gisteren onder de 1500 m3/s gezakt. Dat is een lage waarde voor deze tijd van het jaar. Gemiddeld bedraagt de afvoer medio april nog bijna 2500 m3/s. Een afvoer onder de 1500 m3/s is vrij zeldzaam in april en komt zo eens in de 8 jaar voor. De laatste 10 jaar is het echter vrij vaak voorgekomen, namelijk zowel in 2011, als in 2014 en 2017. Volgende week zal ik wat meer aandacht besteden aan de kans op het optreden van afvoeren onder de 1500 m3/s gedurende het jaar en de veranderingen die daar in opgetreden zijn als gevolg van de klimaatverandering.

Maasafvoer daalt tot onder de 150 m3/s, pas aan het eind van de week weer stijgend

De Maasafvoer daalde de hele afgelopen week langzaam. Als we naar de afvoer bij Maastricht kijken, dan zien we grote schommelingen vanwege het stuwbeheer in Wallonië, dus daarom is het beter om over de gemiddelde dagafvoer te spreken. Aan het begin van de week bedroeg die nog ongeveer 200 m3/s en nu nog maar ca 140 m3/s. De komende 4 tot 5 dagen daalt de gemiddelde afvoer nog langzaam wat verder tot ca 125 m3/s op donderdag.

Dat is een erg lage afvoer voor deze tijd van het jaar. Als we naar de meetreeks van Maastricht kijken dan daalt de afvoer gemiddeld genomen pas in de eerste week van juni onder de 150 m3/s. De afgelopen jaren was dat vaak al eerder, want net als bij de Rijn hadden ook bij de Maas de jaren 2011, ’14 en ’17 een erg lage afvoer. Als we echter een periode van 30 jaar in beschouwing nemen, dan is de datum waarop de afvoer onder de 150 m3/s zakte weer nauwelijks naar voren geschoven. Blijkbaar zijn er langjarige schommelingen en beleven we nu een periode met vrij vaak lage afvoeren in april.

De Maasafvoer blijft de hele week nog laag en pas na donderdag is er kans op een lichte stijging. Dit hangt samen met de neerslag die vanaf woensdag wordt verwacht. Tot en met het volgend weekend wordt 3 tot 5 cm regen verwacht in de Ardennen. Als dat uit komt, dan is dat voldoende voor enige stijging van de Maas en behoren de heel lage afvoeren weer even tot het verleden.

Droogte en kwistig waterverbruik

Het zomerhalfjaar is nog maar net begonnen en toch was er de afgelopen week in de media al veel aandacht voor de droogte. We beleven nu de eerste langere droge periode van het jaar en het is goed dat daar wat extra aandacht voor is, want in 2018 bleek dat er lokaal serieuze problemen optraden in het Nederlandse waterbeheer en waren er economische sectoren die daar schade van ondervonden. 

In de berichten was er ook veel aandacht voor het drinkwater en werd consumenten geadviseerd om zuinig om te gaan met het waterverbruik, bijvoorbeeld door korter te douchen. Nu is het natuurlijk altijd goed om niet te kwistig om te gaan met grondstoffen zoals water, maar omdat in de berichten vrijwel alleen maar werd ingegaan op het drinkwater als besparingsmogelijkheid werd de indruk gewekt dat de consumenten een belangrijke bijdrage leveren aan eventuele watertekorten die in droge jaren op kunnen treden. Dat is echter zeker niet het geval, want het drinkwaterverbruik is maar een heel klein deel van het totale Nederlandse waterverbruik. 

Gemiddeld gebruikt een inwoner van Nederland 120 liter water der dag. Dat komt neer op een waterconsumptie van iets minder dan 25 m3/s. Als we dat vergelijken met de hoeveelheid water die nu door de Rijn en de Maas wordt aangevoerd, dan is dat slechts 1,5%. En ook vorig najaar toen de afvoer van de Rijn en Maas sterk terugliepen, bedroeg het verbruik nog steeds maar 3% van de hoeveelheid die de rivieren toen aanvoerden. Tijdens warm en droog weer neemt de consumptie wel iets toe, maar het wordt nooit meer dan enkele procenten van de rivieraanvoer. 

Daarbij is 65% van het drinkwater afkomstig uit het grondwater en dit zijn voorraden die vooral in de winter worden aangevuld (als er meer regen valt dan er verdampt) en daarmee dus onafhankelijk van of het in het zomerhalfjaar droog is of niet. Het deel van het drinkwaterverbruik, dat afhankelijk is van of het op een bepaald moment langdurig droog is of niet, bedraagt dus minder dan 10 m3/s. 

Als we de ontwikkelingen in het drinkwaterverbruik bekijken, dan valt verder op dat dat verbruik al jaren langzaam daalt. In de figuur hieronder (bron: de Ingenieur) gebaseerd op gegevens van de Vewin is het totale jaarverbruik vanaf 1950 weergegeven. Dit verbruik loopt op tot een piek van bijna 1,2 miljard m3 rond 1990 en loopt daarna weer langzaam terug tot ca 1,1 miljard m3 op dit moment.

droogte-drinkwaterwinning.jpg

Drinkwaterverbruik (bron: Vewin via De Ingenieur)
Drinkwaterverbruik (bron: Vewin via De Ingenieur)

Ondanks dat de bevolking van Nederland sinds 1990 met 15% is toegenomen, is het drinkwaterverbruik met ca 7,5% afgenomen. De consument heeft in de afgelopen 30 jaar dus al bijna 20% op het waterverbruik bespaard. In droge jaren is het verbruik trouwens wel altijd iets hoger. Zo springt het zeer droge jaar 1976 er uit en ook in 2003 was het verbruik iets hoger. En ook in 2018 (niet in de grafiek) was het verbruik wat hoger. Het verbruik in de figuur is overigens van al het drinkwater, dus ook het deel dat de industrie gebruikt; dat is ca 10 m3/s. Samen verbruiken industrie en bevolking dus ca 35 m3/s.

Als we op zoek gaan naar de andere waterverbruikers, dan is uiteraard de landbouw een grote gebruiker. Het gaat dan niet om drinkwater, maar om oppervlaktewater, dat vanuit de rivieren via kanalen een sloten wordt aangevoerd, of om grondwater dat vanuit de bodem wordt opgepompt om te beregenen. De hoeveelheid water die de landbouw gebruikt, bedraagt gemiddeld ook maar 30 m3/s, maar verschilt sterk van jaar tot jaar: in een regenrijk jaar wordt er bijna niets verbruikt, maar in droge jaren kan het verbruik oplopen tot 75 m3/s. Het grootste deel van dit verbruik vinden we op de zandgronden, waar vooral tijdens langere droge periodes veel wordt beregend.

De landbouw is tijdens droogte dus een grote gebruiker, maar valt ook nog in het niet bij de grootste waterverbruiker van Nederland en dat is de verziltingsbestrijding. Dit verbruik krijgt altijd maar weinig aandacht, maar het is wel de belangrijkste reden dat er soms grote tekorten zijn in de waterbeschikbaarheid. 

In de delen van Nederland die aan de zee grenzen probeert het zoute zeewater continu om naar binnen te dringen. Dit is het duidelijkste in de Nieuwe Waterweg, die in open verbinding staat met de Noordzee en waar tijdens iedere vloed een grote hoeveelheid zout water naar binnen stroomt. Tijdens eb stroomt dit zout echter ook weer grotendeels terug. Tot zover gaat er dus niets mis, maar juist stroomopwaarts van de Nieuwe waterweg liggen een groot aantal innamepunen waar de waterschappen zoet rivierwater willen innemen.

Al met al nemen de waterschappen daar niet meer dan 50 m3/s in, maar om die punten zoet te houden moet er wel ca 1000 m3/s Rijn- en Maaswater heen worden gevoerd om tegendruk te bieden tegen het oprukkende zoute water. Als de rivierafvoer kleiner is, dan dringt het zout te ver door en kan er bij de innamepunten (tijdelijk) geen water worden ingenomen. Nu gebeurt het bijna ieder jaar dat er enige tijd te weinig Rijnwater is, dus is men gewend om tot de eb-periode tijd te wachten met innemen. Maar als de Rijnafvoer tot onder de 800 m3/s zakt, dan ontstaan er hier wel grote problemen, omdat de tegendruk te klein wordt en moet het zoete water via andere routes worden aangevoerd.

De Nieuwe Waterweg is niet de enige grootverbruiker van zoetwater. Alle kanalen die vanuit het binnenland tot aan de zee lopen hebben, ook al zijn ze van zee afgesloten met sluizen, te maken met indringend zoutwater dat bij het schutten naar binnen dringt. Bij grote kanalen zoals het Noord Hollands Kanaal en het Eemskanaal, en ook bij grote zoete wateren die met sluizen van zee zijn afgesloten, zoals de Lauwersmeer, gaat dat om enkele tientallen m3/s per locatie.

De grootste watergebruiker onder de kanalen is echter het Noordzeekanaal waar via het Amsterdam Rijnkanaal en vanuit het Markermeer ca 40 m3/s zoet water heen gevoerd moet worden om het zoute water niet te ver naar binnen te laten dringen. Toen tijdens de zomer van 2018 het zoute water toch te ver het Amsterdam Rijnkanaal in dreigde te komen en ook daar mogelijk innamepunten zouden worden bereikt, werd de afvoer van Rijnwater via het kanaal met 20 m3/s verhoogd om het zout alsnog tegen te houden.

In vergelijking met de 10 m3/s die voor de drinkwaterconsumtie uit het rivierwater nodig is, zijn dit getallen van een andere orde. Als we dus in Nederland werkelijk zorgvuldiger willen omgaan met het zoete rivierwater dan zullen we iets moeten doen om de verzilting door opdringend zeewater minder bedreigend te laten zijn. Dit kan bijvoorbeeld door de innamepunten voor zoet water verder het binnenland in te leggen. Met het oog op de steeds sneller stijgende zeespiegel en een verder oplopen van de druk van het zoute zeewater is dat een maatregel waar we geen spijt van zullen krijgen.