U bent hier

Droge periode voorlopig voorbij, licht stijgende waterstanden

Lees ook Hoe het hoogwater van 1995 het waterveiligheidsbeheer in Nederland veranderde

Deze week komt er een einde aan de dominantie van het Europese hogedrukgebied en komen neerslagebieden schoorvoetend dichterbij. Er is zeker nog geen sprake van een actieve westelijke circulatie, maar er komt weer wat regen en daarom zal eerst de Maas en later ook de Rijn weer wat gaan stijgen. In dit weer- en waterbericht leest u welke waterstanden en afvoeren u in de loop van de week kunt verwachten. In de tweede deel van het bericht een terugblik op al de ingrepen die er de afgelopen 25 jaar in het rivierengebied zijn uitgevoerd om de waterveiligheid op orde te brengen. De aanleiding hiervoor was het hoogwater van 1995 waar ik in mijn bericht van vorige week de voorafgaande weersituatie van heb toegelicht.

Hogedruk maakt de weg vrij voor (enkele) neerslagzones

Het hogedrukgebied dat al sinds de kerstdagen het weer in de stroomgebieden bepaalt en al die tijd neerslaggebieden op afstand houdt, verdwijnt langzaam van de weerkaarten. Op de Noordelijke Atlantische Oceaan ontwikkelt zich nu een groot lage drukgebied dat profiteert van de ruimte die er boven Europa ontstaat en maandag bereikt het eerste regengebied het westen van de stroomgebieden van de grote rivieren. Het eerst is de Maas aan de beurt en daar valt voorlopig ook de meeste neerslag omdat het stroomgebied van de Rijn nog wat langer onder de invloed blijft van het hogedrukgebied.

Dinsdag volgt een nieuwe neerslagzone en dan ontvangt ook het stroomgebied van de Rijn wat neerslag. Boven de ca 1000 m hoogte in de Alpen kan dan voor het eerst sinds lange tijd weer wat sneeuw vallen.  Woensdag is een drogere dag en donderdag volgt dan een nieuwe regenzone. Ook het volgend weekend lijkt nat te gaan verlopen en vooral in Midden Europa is er kans op een grotere neerslaghoeveelheid. Na dat weekend is het nog onduidelijk wat er gebeurt, maar een zeer natte periode lijkt er ook dan niet in te zitten.

Al met al komt er deze week een einde aan de al wat langer durende droogte en de rivieren krijgen in de loop van de week voldoende water te verwerken voor een stijging van de afvoeren. Voorlopig blijven de dagelijkse regenhoeveelheden beperkt en is er nog zeker geen zicht op een hoogwatersituatie. Daar komt nog bij dat er vrijwel nergens sneeuw ligt in de Middengebergten en een bijdrage door smeltende sneeuw is een belangrijke voorwaarde voor hoogwater in deze tijd van het  jaar. 

Rijn enkele dagen onder de 8 m, vanaf woensdag weer stijgend

De Rijn daalde de hele afgelopen week met ca 10 cm per dag en is nu uitgekomen op een voor de tijd van het jaar lage stand van 8 m +NAP. De komende 3 dagen zet de daling zich nog langzaam voort tot dat dinsdag of woensdag een laagste niveau wordt bereikt van ca 7,9 m +NAP. De afvoer bedraagt dan iets minder dan 1300 m3/s. Dat is maar ongeveer de helft van de gemiddelde hoeveelheid water die de Rijn rond deze tijd van het jaar afvoert. 

Vanaf woensdag gaat het peil langzaam omhoog, met ca 25 tot 30 cm per dag, en op vrijdag kan alweer de 8,5 m worden bereikt en is de afvoer weer tot boven de 1500 m3/s gestegen. De stijging zet zich nog door tot in ieder geval na het komend weekend. Op grond van de neerslaghoeveelheden die nu verwacht worden zal de afvoer in het begin van die week stijgen tot boven de 2000 m3/s en daarbij hoort dan een waterstand van ca 9 m +NAP. 

Op dit moment is nog weinig duidelijk over wat de waterstand daarna gaat doen. Een erg natte periode met sterk stijgende waterstanden lijkt er in ieder geval voorlopig niet aan te komen.

Maas kan stijgen naar ca 500 m3/s

In het stroomgebied van de Maas was het een droge week en de afvoeren in de zijbeken namen overal langzaam af. De Maasafvoer daalde daardoor ook en is nu bij Maastricht uitegkomen op een afvoer van ca 225 m3/s. Morgen daalt de afvoer nog iets verder, maar het gemiddelde over de dag zal niet onder de 200 m3/s zakken; wel zijn er de bekende pieken en dalen als gevolg van het waalse stuwbeheer die voor flinke onnatuurlijke schommelingen zorgen. 

Vanaf dinsdag valt er weer voldoende regen om de afvoer te laten stijgen. De temperaturen zijn hoog, dus sneeuw wordt er niet verwacht in de Ardennen. Alle neerslag zal daarom als regen allen, waardoor het water meteen naar de rivier kan afstromen en niet achtergehouden wordt en later pas tot afstroom komt.

Op grond van de verwachte neerslaghoeveelheden verwacht ik dat de afvoer op woensdag kan stijgen tot ca 350 m3/s. Donderdag wordt dan nogmaals aardig wat regen verwacht en de afvoer kan daarna nog wat verder stijgen naar mogelijk ongeveer 500 m3/s in het weekend. In het weekend wordt ook neerslag verwacht, maar voorlopig lijkt die vooral ten zuiden van de Ardennen te vallen. Op de Maasafvoer is het effect dan vrij klein, maar op deze termijn is zo'n verwachting nog niet heel betrouwbaar en een meer noordelijke koers is ook altijd nog mogelijk, maar zo'n verwachting kan opo deze termijn ook nog grotendeels opdrogen. Het blijft dus nog even afwachten hoe de afvoer zich op wat langere termijn ontwikkelt.

Hoe het hoogwater van 1995 het waterveiligheidsbeheer in Nederland veranderde

Vorige week schreef ik over de weersomstandigheden die het grote hoogwater van 1995 veroorzaakten. Eind januari, 25 jaar geleden werd bij Lobith de op een na hoogste stand gemeten sinds het begin van metingen in 1900. Het was dus niet de grootste hoogwatergolf ooit, die dateert nog steeds uit het jaar 1926, toen de afvoer ca 600 m3/s groter was en het peil nog ca 25 cm hoger steeg. Ook stroomafwaarts langs de Waal, Rijn en IJssel waren de waterstanden in 1926 steeds zo’n 10 tot 20 cm hoger dan in 1995. 

Net als in 1926 braken er in 1995 langs de Rijn (net) geen dijken door (in 1926 waren er wel gebieden bewust onder water waren gezet zoals de Ooijpolder en overloopgebieden langs de IJssel en was er een dijkdoorbraak bij het land van Maas en Waal, maar dat was vanuit de Maas) - maar het scheelde in 1995 niet veel. De schrik zat er dan ook goed in en nog voordat het waterpeil in 1995 goed en wel aan het zakken was, werden de eerste plannen al gesmeed om een herhaling te voorkomen.  Als we nu terugkijken op de afgelopen 25 jaar dan kunnen we het hoogwater van 1995 ook beschouwen als de wake up call om de waterveiligheid van het rivierengebied op volle kracht aan te pakken. 

Het is dan ook aan de bijna-ramp van 1995 te danken dat we sindsdien bijna permanent bezig zijn met het bedenken, plannen en uitvoeren van waterveiligheidsmaatregelen in het rivierengebied. Hieronder een stukje historie en wat het allemaal heeft opgeleverd. Het is een vrij lang overzicht, maar er is dan ook erg veel gebeurd na 1995.

Het Deltaplan Grote Rivieren

De eerste ronde van verbeterwerkzaamheden was het Deltaplan Grote Rivieren, dat al in de loop van 1995 van start ging. Die haast was ook echt geboden want het bleek dat de belangrijkste reden voor de bijna doorgebroken dijken in 1995 was, dat heel veel dijken niet aan de norm voldeden. Er was sinds de jaren 70 lang gesteggeld over de hoogwaternorm (de maximale waterstand tot waarbij de dijk hoog en sterk genoeg moet zijn), maar toen die uiteindelijk was vastgesteld op een waterhoogte die eens de 1.250 jaar bereikt wordt, was die hoogte niet overal meteen ook doorgevoerd. Bijna 700 km rivierdijk (dat is ruim meer dan de helft) voldeed niet aan de norm. Er was zelfs 80 km dijk waarvan het overschrijdingsniveau lager was dan eens in de 100 jaar. Dat betekent dat de dijk al kon doorbreken bij een Rijnafvoer van ca 12.800 m3/s en daar kwam de afvoer in 1995 met 12.060 m3/s wel erg dicht bij. 

Om de dijken aan de norm te laten voldoen moesten ze soms wel 1 meter opgehoogd worden en vaak ook waren versterkingen nodig in de vorm steunbermen aan de binnenzijde of werd de kleibekleding verbeterd. Vijf jaar later was de enorme operatie gereed en voldeden de rivierdijken allemaal aan de overschrijdingsnorm van 1 op 1.250. Dat betekent dat ze een waterstand kunnen keren tot aan een Rijnafvoer van 15.000 m3/s. Voor de eerdere zwakste schakels betekende dit dat ze bestand waren tegen ruim 2.000 m3/s meer water dan situatie van voor de uitvoering van het Deltaplan en bijna 3000 m3/s meer dan de hoogwatergolf van 1995. Zo moest er een hoogwatergolf aan de pas te komen om, wat in de 40 jaar daarvoor niet was gelukt, binnen 5 jaar wel voor elkaar te krijgen; dat de dijken aan de norm voldeden.

Het Deltaplan Grote Riviren moest ook langs de Maas aan de slag. Vooral langs de Limburgse Maas had dit grote gevolgen want veel dorpen en steden hadden daar vanouds helemaal geen dijken. In het kader van het Deltaplan werden die nu aangelegd en zij kregen in eerste instantie een beschermingsniveau mee van ongeveer eens in de 75 jaar. Dat betekent dat ze een hoogwater zoals in 1995 net konden keren. Omdat het Limburgse Maasdal nooit bedijkt was geweest, moest er nu ineens ook nagedacht worden over de tracés van de nieuwe dijken en dat bleek nog een hele toer in het kleinschalige landschap van de Maasvallei waar de ontwikkeling tot dan toe altijd vrij organisch was verlopen. Toch lagen ook hier rond alle dorpen en steden circa 5 jaar later kaden en kreeg het waterschap in Limburg er een nieuwe taak bij als kadebeheerder.

Ruimte voor de Rivier en De Maaswerken

Al ten tijde van de uitvoering van het Deltaplan Grote Rivieren werden de eerste plannen gemaakt voor een volgende ronde van extra waterveiligheid. Als gevolg van de vele hoogwaters die rond 1995 optraden (bijna ieder jaar waren er toen bovengemiddeld hoge hoogwaters) was de kans op een hoge afvoer langzamerhand groter geworden. Dit betekende dat de Rijnafvoer die eens in de 1.250 jaar verwacht mocht worden, steeg van 15.000 naar 16.000 m3/s en bij de Maas, waar eerst niet echt een norm was (want er waren nog geen dijken) werd deze vastgesteld op eens in de 250 jaar, wat overeenkomt met een Maasafvoer van 3.380 m3/s. 

Om de waterveiligheid aan deze hogere maatgevende afvoeren te laten voldoen, werden twee grote programma’s opgestart: langs de Rijn het programma Ruimte voor de Rivier en langs de Maas De Maaswerken. Beide kregen tot taak om in ca 10 tot 15 jaar het hele rivierengebied aan de nieuwe afvoernorm te laten voldoen. Dit had wederom gekund door de dijken op te hogen, maar mede door weerstand tegen de vaak ingrijpende verzwaringen uit de jaren daarvoor was de roep toegenomen om het anders aan te pakken en op zoek te gaan naar oplossingen waarbij de dijken niet nogmaals verhoogd hoefden te worden. 

Dit alternatief werd gevonden in maatregelen die de rivier meer ruimte geven. Meer ruimte voor het water zorgt er namelijk voor dat de waterstanden minder hoog opstuwen en het zoeken was naar maatregelen die het peilverschil konden nivelleren dat optreedt als de afvoer van de Rijn stijgt van 15.000 naar 16.000 m3/s en bij de Maas van ca 3.000 naar 3.380 m3/s. Dit nieuwe beleid heeft geleid tot een rijke aaneenschakeling van maatregelen waarvan ik er enkele zal bespreken.

Nevengeulen

Het graven van een nieuwe geul in de uiterwaarden is een mooi voorbeeld van meer ruimte voor het water. Zodra het waterpeil in de rivier stijgt en de uiterwaarden gaan overstromen zal de nevengeul het water makkelijker afvoeren dan dat het water door de begroeide uiterwaard moet stromen. In het kader van Ruimte voor de Rivier en ook bij andere rivierprojecten die tegelijkertijd liepen, zijn tientallen nevengeulen aangelegd langs alle rivieren; langs de Waal (oa bij: Nijmegen, Heesselt, Hurwenen en Brakel), langs de Rijn/Lek (oa bij: Arnhem, Wageningen en Vianen), langs de IJssel (oa bij: Deventer, Olst, Zwolle en Kampen) en langs de Maas (oa bij: Lomm, Well-Aijen en Lith).

Afhankelijk van de breedte en de diepte van de geul en de plek waar hij ligt in het riviersysteem zorgen de nevengeulen voor een waterstandsdaling van zo’n 5 tot 30 cm. Het effect is het grootste net bovenstrooms van de nevengeul en dit neemt dan in bovenstroomse richting langzaam af. Benedenstrooms van de nevengeul waar het water weer terugstroomt in de rivier is er geen invloed meer op de waterstand. Nevengeulen hebben als voordeel dat ze ook veel natuurwaarden kunnen bevatten waar in de rivier zelf weinig plek meer voor is en ook zijn ze vaak een interessante aanvulling op het landschap.

Kribverlaging en langsdammen

De kribben zijn ooit aangelegd om de rivier te beteugelen en te voorkomen dat de bedding verschuift en er zandbanken in de rivier ontstaan. De kribben staan echter dwars op de stroom en hinderen daarmee de doorstroming. Het verlagen van de kribben is dan ook een effectieve maatregel om de rivier weer wat meer ruimte te geven. Deze maatregel is daarom langs de hele Waal van Nijmegen tot aan Gorinchem toegepast en levert zo’n 5 tot 10 cm waterstanddaling op. Een alternatief op het verlagen van de kribben is om ze helemaal weg te halen en te vervangen door een langsdam die op ca 50 tot 75 m uit de oever ligt, in de lengterichting van de rivier. Zo blijft de rivierbedding toch op zijn plaats liggen en is de doorstroomcapaciteit weer maximaal.   

Dijkterugleggingen

Een effectieve, maar wel zeer ingrijpende, maatregel is het terugleggen van de dijk. De capaciteit van de uiterwaarden neemt dan in een keer fors toe en hiermee worden dan ook grote waterstandsdalingen bereikt. Het meest effectieve voorbeeld is de groene rivier bij Veessen-Wapenveld waarmee de waterstand in de IJssel stroomopwaarts met ca 70 cm wordt verlaagd, maar ook de Noordwaard in de Biesbosch (30 cm), Overdiepse Polder (27 cm) en Oijen-Wanssum (35cm) langs de Maas en de Bypass Kampen (41 cm) langs vde IJssel leveren veel op.

Een deel van de dijkterugleggingen is als natuurgebied ingericht, andere behielden hun agrarische bestemming. Met name deze laatste zijn vaak met een drempel of inlaatwerk van de rivier gescheiden en stromen daarom pas mee bij een (zeer) hogere waterstand. Het effect van deze deels afgesloten ingrepen is daarom bij de lagere hoogwaters nog gering en zelfs bij een hoogwater zoals in 1995 zou bijvoorbeeld de nevengeul van Veessen-Wapenveld nog maar net wel of net niet mee gaan stromen. 

Retentiegebieden

Deze maatregel lijkt wat op de vorige omdat een deel van het rivierengebied dat achter de dijk ligt ingezet wordt om er water in te bergen. Het water stroomt daar echter niet door, zoals bij een dijkteruglegging, maar wordt tijdelijk opgeslagen binnen het bedijkte gebied. Het gaat er dan om zo nauwkeurig mogelijk precies tijdens het passeren van de piek het water het gebied in te laten stromen. De piek wordt daardoor afgetopt en gaat verlaagd verder.

Langs de Maas is een groot retentiegebieden aangelegd nabij Roermond; waar een deel van de uiterwaarden dat niet meer door de Maas werd gebruikt, via een inlaatwerk nu bij zeer hoge afvoeren weer wel kan volstromen. Een ander retentiegebied ligt in het Volkerak, vlak voordat het Rijn- en Maaswater de Noordzee instroomt. Het is aangelegd als noodbuffer om in korte tijd veel water te bergen als een hoge rivierafvoer samenvalt met stormvloed op zee en het water tijdelijk niet naar zee kan stromen. 

Zomerbedverdieping en verbreding

Ook een effectieve maatregel is het uitdiepen of verbreden van de bedding van de rivier. Op de plek waar het meeste water stroomt krijgt de rivier dan meer ruimte en de waterstanddaling die het oplevert is daarom al snel erg groot. De maatregel is toegepast in de Beneden-IJssel bij Kampen en in de Maas bij Beessel, Venlo en Mook. Dit zijn allemaal plaatsen waar het rivierengebied vrij smal is en er weinig ruimte was voor andere maatregelen.

Een nadeel van een zomerbedverdieping is dat het alleen werkt als de rivier na de ingreep door baggeren op diepte wordt gehouden. Een rivier voert namelijk altijd zand mee en dat valt in het verdiepte deel. In principe is dit eeuwigdurend want als het traject weer ondieper wordt neemt het verlagende effect op de waterstanden weer af.  Omdat de zandstroom van de rivier er ook door onderbroken wordt, hebben trajecten stroomafwaarts van de verdieping te maken met een tekort aan zand en kan daar een ongewenste bodemdaling optreden. 

Stroomgeulverbreding

Een bijzondere vorm van rivierverbreding is het Grensmaasproject tussen Maastricht en Maasbracht. De bedding van de rivier is hier sterk verbreed, tot wel 5 keer de oorspronkelijke breedte en er zijn bypasses rond enkele dorpen aangelegd. Vanwege de grote omvang is de watersstandsdaling ook erg groot, vaak meer dan 1 meter en in het traject tussen Berg en Obbicht loopt dit zelfs op tot bijna 2,5 meter. Dit is zoveel dat kades die hier in het kader van het Deltaplan Grote Rivieren zijn aangelegd nu overbodig zijn geworden. Het water zal bij een maatgevende afvoer zelfs de voet van de kade niet meer bereiken.  

Toch ook enkele dijkverzwaringen 

Ondanks het voornemen om de waterveiligheidsopgave zoveel mogelijk met verruimende maatregelen uit te voeren was dat niet altijd mogelijk. Zo was het langs de Limburgse Maas, buiten de Grensmaas, niet mogelijk om de hele waterveiligheidopgave uit te voeren zonder ook de kades op te hogen. Veel dorpen in Limburg gingen immers in een keer van geen beveiligingsniveau (er waren nog geen dijken) naar een 1 op 250 overschrijdingsniveau en dat was met rivierverruiming alleen niet mogelijk. Hoogstens zorgden de rivierverruimingen voor een beperking van de hoogte van de kades. Ook stroomafwaarts langs de Lek en in het Benedenrivierengebied, waar de rivieren geen uiterwaarden hebben, was het versterken van de dijk de enige optie.

Waar staan we nu

Vorig jaar werd het laatste Ruimte voor de Rivierproject opgeleverd en langs de Maas worden nu de laatste hoogwateropgaven ingevuld door de kades op te hogen tot dijken en wordt er nog gegraven aan enkele nevengeulen en aan de rivierverruiming langs de Grensmaas.

Nadat het Deltaprogramma Grote Rivieren de dijken op het niveau van de toen geldende normen had gebracht, hebben vele tientallen projecten verspreid over het rivierengebied aanvullend daarop voor waterstandsdalingen gezorgd die voldoende zijn om langs de Rijntakken ca 1000 m3/s meer en langs de Maas ca 300 m3/s meer water door te voeren.

Vaak is er zelfs nog veel meer ruimte, zoals in de IJssel stroomafwaarts van Deventer waar de effecten van verschillende projecten bij elkaar optellen, of in de Waal stroomopwaarts van Nijmegen waar een dijkteruglegging en nevengeul werd gecombineerd en langs de Grensmaas die een veel ruimere, geheel nieuwe bedding krijgt. Een hoogwater zoals in 1995 zal dan ook een heel andere ervaring zijn dan 25 jaar geleden omdat een vergelijkbare hoeveelheid water nu veel beter in het rivierengebied past. Er kan zelfs ca 20 tot 30% meer water door de rivieren worden afgevoerd dan voorheen en de veiligheidsnorm is nu echt 1 op 1.250 langs de Waal en niet minder dan 1 op 100 zoals voor 1995. 

Ondanks de enorme toename in waterveiligheid die sinds 1995 is bereikt, is de rust zeker niet weergekeerd in het rivierengebied. Ook al is de maatgevende afvoer na het jaar 2000 niet verder gestegen en zijn er sindsdien zo weinig hoogwaters geweest dat die norm nu weer naar beneden zou kunnen,  is enkele jaren geleden gestart met een nieuwe ronde van dijkverzwaringen. 

Na een lange periode van voorbereiding is men vanaf 2017 in het dijkbeheer overgestapt op een nieuwe manier om de normen te bepalen waaraan de dijk moet voldoen. Naast de waterhoogte worden daarin ook risico’s op zogenaamde faalmechanismen meegenomen, zoals het afschuiven van de dijk of ondermijning door waterstromen onder de dijk door. Uit metingen aan de dijken bleek dat vrijwel geen enkele dijk in Nederland voldoet aan deze nieuwe normen en daarom is het Hoogwaterbeschermingsprogramma nu gestart om de dijken wederom een flinke opknapbuurt te geven.

Het gaat dan zowel om extra hoogte (soms meer dan een meter) als extra bermen en een stevigere bekleding. In de norm wordt voor de waterhoogten die verwacht worden uitgegaan van nog eens 10 tot 15% grotere waterafvoeren dan de afvoeren waar Ruimte voor de Rivier vanuit ging, omdat de verwachting is dat als gevolg van klimaatverandering de afvoeren zullen blijven stijgen. De eerste projecten zijn inmiddels al gestart en het is de bedoeling dat voor 2050 alle dijken aan de nieuwe normen voldoen. Zo maken veel bewoners in het rivierengebied nu al de 3e waterveiligheidsoperatie mee binnen 25 jaar.

tags