U bent hier

Droog weer houdt aan, alleen wat buien voor de Rijn

Het zeer warme weer van de afgelopen week maakt plaats voor minder hoge temperaturen, maar het blijft droog, op een paar buien in de Alpen na waar alleen de Rijn van profiteert. Het waterbericht staat daarom in het teken van dalende waterstanden. De Maas heeft zelfs al een laag zomerpeil bereikt. Tot slot van dit bericht, in vervolg op vorige week, nu de analyse van de frequentie van natte maanden in de meetreeks van het KNMI. 

Droge week, maar minder warm 

De afgelopen week werd het weer in een groot deel van Europa gedomineerd door hoge drukgebieden boven het noorden en oosten van het continent, waardoor met een zuidelijke luchtstroming warme Afrikaanse lucht kon worden aangevoerd. De komende week schuift het hoge drukgebied steeds verder op en verschijnt er een lage drukgebied ten noorden van ons. Gewoonlijk is dat de voorbode van meer neerslag, maar de regenzones blijven ten noorden van ons. Tegelijkertijd verschijnt er op de Atlantische Oceaan ten westen van ons namelijk een hoge drukgebied en dat houdt de neerslag weg uit de stroomgebieden van de Rijn en de Maas. Alleen in de Alpenregio kunnen de komende twee dagen wat buien ontstaan, die voor een klein beetje extra water in de Rijn zullen zorgen. 

Pas rond het volgend weekend wordt voor het eerst weer wat neerslag verwacht in Nederland, maar ook dan nog geen grote hoeveelheden. Op nog langere termijn, maar dat is nu nog erg onzeker, is de verwachting trouwens dat de droogte niet aan zal houden en er meer buien zullen komen. Ook dan lijkt de hoofdmoot van de neerslag bestemd voor Midden Europa, zodat vooral de Rijn profiteert. Het is nu echter nog te vroeg om iets te kunnen zeggen wat dat voor de waterstanden in de rivier betekent.

Door de droge laatste 10 dagen van juni is het neerslagtekort weer flink opgelopen (zie voor een actueel beeld de KNMI-site) en omdat ook de komende week droog verloopt, zal het tekort verder toenemen. Er zijn flinke regionale verschillen: vooral in het oosten is ook in juni niet veel neerslag gevallen en daar is het neerslagtekort (gemeten vanaf 1 april) nu al opgelopen tot soms 18 cm. Ter vergelijking: vorig jaar aan het eind van de zeer droge zomer bedroeg het tekort ca 30 cm. Vooral omdat op de zandgronden in het oosten het tekort van vorig jaar nog lang niet is ingelopen, is de situatie er nu al extreem te noemen en beginnen bomen soms al weer bruin te verkleuren. In de rest van het land is het tekort, dankzij de juni-neerslag, minder groot.

Rijn daalt onder het langjarig gemiddelde

Dankzij de forse smelt van wintersneeuw en de neerslag in de eerste helft van de maand, is de Rijnafvoer al enkele weken boven gemiddeld hoog. Het gaat om slechts een paar 100 m3/s boven het langjarig gemiddelde, maar het was voor de waterbeheerders in Nederland een prettige bijkomstigheid, dat terwijl de watervraag deze week zeer hoog was, de Rijn ruim in deze vraag kon voldoen.

Het grootste deel van de vraag naar water komt trouwens niet uit het gebruik, dat bedraagt niet meer dan ca 100 tot 150 m3/s, maar is nodig om het zoute zeewater bij alle contactpunten van rivieren en kanalen met de zee zoet te houden. Daar is alleen al in de Nieuwe Waterweg zo'n 1000 m3/s voor nodig. Bij een lagere Rijnafvoer dringt het zoute water verder naar binnen en bereikt dan de innamepunten waar de waterschappen zoet water innemen. Ook al is de watervraag bij die innamepunten soms niet groter dan 1 of 2 m3/s, het water moet wel zoet zijn, anders kan er niet ingenomen worden en moet het water via een andere route naar de bestemming worden gebracht.

De piek in de sneeuwsmelt in de Alpen is inmiddels voorbij en de komende weken neemt de afvoer vanuit Zwitserland langzaam af.  Op dit moment is de bijdrage van de Alpen aan de Rijnafvoer ca 75%, dus maakt het veel uit als die regio minder gaat leveren. Morgen en overmorgen vallen er wel wat forse buien en dat zorgt voor een beperkte stijging, maar vanaf woensdag gaat de afvoer vanuit de Alpen dan weer verder omlaag. Deze daling zal de hele week doorzetten omdat er pas rond volgend weekend weer regen wordt verwacht.

Bij Lobith is de daling na de periode van relatief hoge afvoer sinds donderdag gaan inzetten en is de afvoer nu tot iets boven de 2.000 m3/s gedaald. Daar hoort een waterstand bij van ca 9 meter +NAP. Aan het eind van de week is de afvoer dan gedaald tot 1.750 m3/s en bedraagt de waterstand ca 8,7 m +NAP.

Rond het weekend schommelt de afvoer dan enige dagen rond deze waarde, om begin volgende week weer langzaam verder te zakken naar ca 1.600 m3/s later in die week; met een bijbehorende warestand van ca 8,5 m +NAP. Of de daling daarna nog verder doorzet is nu nog niet te zeggen. Als het inderdaad wat natter wordt vanaf volgend weekend, dan kan dat voor wat extra water zorgen en wordt het moment dat de 1.500 m3/s wordt bereikt, nog even uitgesteld.

Maas al erg laag voor de tijd van het jaar

Als het een dag of 10 droog is dan is dat altijd meteen te merken in de Maasafvoer. Deze rivier moet het in de zomer hebben van de neerslag die er valt, want de afvoer vanuit andere bronnen, zoals grondwater en water van RWZI's bedraagt maar enkele tientallen m3/s. Bij Maastricht daalde de afvoer deze week voor het eerst van het jaar onder de 50 m3/s en dat is vroeg in de zomer, want gewoonlijk gebeurt dat pas rond begin augustus. 

De komende week blijft de Maasafvoer laag en zal nog iets verder zakken, naar zo'n 40 tot 45 m3/s bij Maastricht. Pas in het volgend weekend wordt er wat neerslag verwacht, maar ook dan lijken de hoeveelheden zo klein te zijn dat de Maas er weinig van meekrijgt. Voorlopig blijft de Maasafvoer dus erg laag.

Bij Maastricht wordt het water dat Nederland binnenstroomt verdeeld over de Grensmaas en over twee kanalen, het Julianakanaal en de Zuid Willemsvaart. Het water in deze kanalen is nodig om scheepvaart mogelijk te maken en om water aan te voeren naar innamepunten van de waterschappen en andere watergebruikers. Gewoonlijk wordt er zo'n 25 m3/s afgeleid via deze kanalen en het overschot is dan voor de Maas zelf, die vanaf Borgharen Grensmaas heet.

De laatste maanden is er wat vreemds aan de hand bij de afvoer naar de kanalen. Deze is namelijk langzaam aan het stijgen doordat meer water doorgelaten wordt. In de figuur hieronder heb ik de gemiddelde afvoer per dag uitgezet vanaf 1 januari dit jaar. Bij het meetpunt Smeermaas aan het begin van de Zuid Willemsvaart was de inname de eerste maanden van het jaar nog iets minder dan 12 m3/s, maar is ze inmiddels opgelopen tot bijna 16 m3/s en bij Bunde in het Julianakanaal neemt de afvoer het hele jaar al langzaam toe en laat de trendlijn zien dat ze inmiddels ook bijna 5 m3/s hoger is geworden.

Extra water door de kanalen.jpg

Daggemiddelde afvoer en trendlijn van de hoeveelheid Maaswater (n m3/s) die via de Zuid Willemsvaart (meetpunt Smeermaas) en het Julianaknaal (meetpunt Bunde) stroomt.
Daggemiddelde afvoer en trendlijn van de hoeveelheid Maaswater die via de Zuid Willemsvaart (meetpunt Smeermaas) en het Julianaknaal (meetpunt Bunde) stroomt.

Nu lijkt 10 m3/s, dat nu extra via de kanalen wordt afgevoerd, niet veel, maar het is ongeveer 40% meer dan normaal en het gaat ten koste van het water die via de Grensmaas wordt afgevoerd. Zeker bij de lage afvoeren van dit moment. Bij Maastricht bedraagt die nu nog ca 50 m3/s en daarvan hoort de Grensmaas dan ca 25 m3/s te ontvangen, maar nu is dat nog maar 15 m3/s. En vaak is het nog minder omdat de afvoer in de Maas altijd flink schommelt en dan daalt de afvoer zelfs tot 10 m3/s.

De Grensmaas is het enige traject in de Maas dat vrij afstromend is en waar de rivierbodem uit grind bestaat. Het vrij snel stromende water op grind is uniek en veel vissoorten komen hierheen om er te paaien. Als de afvoer al vroeg in het jaar zo laag is, dan is dat ongunstig voor de eieren van de vissen die dan droog kunnen vallen, en ook zal de temperatuur van het water eerder hoog oplopen wat weer ongunstig is voor de jonge vissen.

Natte maanden, hoe vaak komen ze voor en zijn er trends zichtbaar

Vorige week heb ik aandacht besteed aan de mate waarin droogte voorkomt in Nederland. Dit maal een zelfde analyse, maar dan voor de natte maanden. Aan de hand van de neerslaggegevens van het KNMI voor de De Bilt (gestart in 1906) heb ik ook de natte maanden in een figuur weergegeven. Van boven naar beneden staan alle jaren opgesomd tot en met 2019 en van links naar rechts de maanden van het jaar. In de donkerblauw gemarkeerde maanden viel meer dan 200% van de gemiddelde neerslag in die maand, in de blauw gemarkeerde maanden viel 175 tot 199% en in de lichtblauwe maanden 150 tot 174%. Ik ben bij de berekening uitgegaan van het gemiddelde over de hele reeks van 114 jaren (voor juli t/m december 113). In de overige, niet gemarkeerde maanden viel minder dan 150% van de normale hoeveelheid neerslag en was er geen sprake van nattigheid of was het te droog. 

Schermafbeelding 2019-06-21 om 15.43.21 copy.png

Overzicht van natte tot zeer natte maanden in De Bilt met respectievelijk 150 tot 174% (lichtblauw), 175 tot 199% (blauw) en meer dan 200% van de gemiddelde hoeveelheid neerslag voor die maand.
Overzicht van natte tot zeer natte maanden in De Bilt met respectievelijk 150 tot 174% (lichtblauw), 175 tot 199% (blauw) en meer dan 200% van de gemiddelde hoeveelheid neerslag voor die maand.

Evenals bij de te droge maanden in de figuur van vorige week is te zien dat de natte tot zeer natte maanden vrij gelijkmatig over de hele meetreeks verdeeld zijn. Toch is de verdeling iets minder gelijkmatig dan bij de droge maanden. Ter verduidelijking heb ik per periode van 10 jaar het aantal natte maanden uitgezet in de figuur hieronder. Ik ben daarbij uitgegaan van perioden die steeds op het 0-jaar beginnen en op het 9-jaar eindigen (bv van 1910 t/m 1919). De laatste periode van 10 jaar is dus nog niet helemaal afgerond, er zijn nog 6 maanden te gaan, dus de waarden in de laatste kolom kunnen nog wat verder oplopen. 

Schermafbeelding 2019-06-30 om 12.59.08.png

Aantal natte tot zeer natta maanden per periode van 10 jaar. NB. De laatste periode is nog niet afgerond en kan nog wijzigen.
Aantal natte tot zeer natta maanden per periode van 10 jaar. NB. De laatste periode is nog niet afgerond en kan nog wijzigen.

Uit de bovenstaande grafiek blijkt dat er tegenwoordig wat vaker natte maanden zijn dan vroeger. Er is geen heel sterke stijging, maar wel valt op dat er sinds 1980 geen decennia meer zijn geweest met minder dan 20 natte maanden. De periode 1990 - 1999 spant de kroon, maar dat hoge aantal is sindsdien niet meer gehaald.  Er lijkt een tweedeling te zijn, waarbij in de eerste 5 perioden, van 1910 t/m 1959, het aantal schommelde rond de 15 en sinds 1960 is dat toegenomen tot iets boven de 20. 

Als we naar de zeer natte maanden (>200%) kijken dan zien we een zelfde beeld, waarbij de decennia met het grootste aantal na 1960 vallen; met gemiddeld rond de 4 maanden voor 1960 en rond de 6 na 1960. Er is in de recente periode van 30 tot 40 jaar, sinds de temperatuur op aarde gestaag is gaan stijgen wel een toename, maar die lijkt al wat eerder te zijn begonnen en er is geen sprake van een oplopende lijn. Verder valt op dat in de laatste 10 jaar het aantal weer niet zo hoog was. 

Nu is de verwachting dat vooral de winters natter worden en de volgende grafiek laat zien dat dat ook blijkt uit deze analyse. Het aantal natte wintermaanden is de laatste tijd duidelijk hoger dan vroeger. Net als bij de aantallen over het hele jaar is het aantal vooral vanaf 1960 gaan toenemen, maar nu is het laatste decennium ook de periode met de meeste maanden. Het aantal zeer natte wintermaanden is niet zo duidelijk toegenomen, bijna in ieder decennium, ook voor 1960 waren er vaak al 1 of 2 maanden zeer nat. 

Bij de zomer (de tweede grafiek hieronder) zien we een heel ander beeld dan bij de wintermaanden. In de hele meetreeks zijn er grote schommelingen en er is geen trend naar steeds meer natte zomermaanden. De afgelopen 10 jaar waren er wel vrij veel natte maanden in de zomer, maar die waren er ook tussen 1960 en 1969 ook en eveneens tussen 1910 en 1919. Natte zomermaanden treden vooral op als er in een maand veel buien vallen. Blijkbaar zijn er nu niet meer maanden met veel buien dan vroeger. 

Schermafbeelding 2019-06-30 om 13.13.48.png

Aantal natte tot zeer natte wintermaanden per periode van 10 jaar.
Aantal natte tot zeer natte wintermaanden per periode van 10 jaar.

Schermafbeelding 2019-06-30 om 13.20.00.png

Aantal natte tot zeer natte zomermaanden per periode van 10 jaar. NB. De laatste periode is nog niet afgerond en kan nog wijzigen.
Aantal natte tot zeer natte zomermaanden per periode van 10 jaar. NB. De laatste periode is nog niet afgerond en kan nog wijzigen.

Als we verder inzoomen op de winter en de afzonderlijke maanden daarvan willen vergelijken, dan levert het 30 jarig gemiddelde daar snel inzicht in. In de grafiek hieronder heb ik het verloop van het 30-jarig gemiddelde van de winterneerslag (dec, jan en feb) uitgezet vanaf 1935 (het eerste jaar dat een 30-jarig gemiddelde kon worden berekend, nadat de metingen in 1906 waren gestart) tot en met 2019. Op de linkeras staat de hoeveelheid neerslag in millimeters. Gemiddeld valt er tegenwoordig in de Bilt ongeveer 215 mm in de 3 wintermaanden.

Net als bij de frequentie van natte tot zeer natte wintermaanden zien we ook hier dat het gemiddelde recent is gaan stijgen. In vergelijking met de periode voor 1995 valt er nu gemiddeld 20 mm meer dan daarvoor. In de grafiek is ook de sprong zichtbaar rond de jaren '60 toen het klimaat ook al natter werd en het gemiddelde ook met ca 20 mm toenam. Sinds het begin van de metingen is de winter dus al ca 20% natter geworden. 

Schermafbeelding 2019-06-30 om 14.07.17.png

Verloop van het 30-jarig gemiddelde van de neerslag in de wintermaanden.
Verloop van het 30-jarig gemiddelde van de neerslag in de wintermaanden.

Als we de afzonderlijke wintermaanden bekijken (zie de grafieken hieronder), dan zien we dat alle 3 de maanden langzaam natter worden. Bij iedere maand gaat dat wel met ups en downs. December werd aanvankelijk langzaam wat droger, maar is rond 1960 plotseling flink natter geworden. De sprong in de grafiek die voor de winter als geheel rond 1960 optreedt wordt ook vooral veroorzaakt door deze stijging in december; er waren toen kort na elkaar 4 (zeer) natte decembers die het gemiddelde optrokken. Sinds 1960 is het langjarig december-gemiddelde nog maar langzaam verder opgelopen.

Januari is vanaf 1960 ook natter geworden en na wat korte onderbrekingen ligt het langjarige gemiddelde de laatste 2 decennia rond hetzelfde hoge niveau als al rond 1960 werd bereikt. Bij februari zien we de grootste verandering, deze maand is de laatste 35 tot 40 jaar duidelijk natter geworden. In de gestaag natter wordende februari-maanden vinden we ook een belangrijk deel voor de verklaring voor de tweede gestage toename in de winterneerslag waar de laatste 20 jaar sprake van is. Nu was februari altijd een relatief droge maand met slechts 65% van de hoeveelheid die in de andere wintermaanden valt, maar inmiddels loopt februari dat verschil langzaam maar zeker in, en rekening houdend met het feit dat de maand 3 dagen korter is, is het verschil nu al bijna weggewerkt.

Schermafbeelding 2019-06-30 om 14.12.00.png

Verloop van het 30-jarig gemiddelde van de neerslag in december.
Verloop van het 30-jarig gemiddelde van de neerslag in december.

Schermafbeelding 2019-06-30 om 14.12.09.png

Verloop van het 30-jarig gemiddelde van de neerslag in januari.
Verloop van het 30-jarig gemiddelde van de neerslag in januari

Schermafbeelding 2019-06-30 om 14.12.20.png

Verloop van het 30-jarig gemiddelde van de neerslag in februari.
Verloop van het 30-jarig gemiddelde van de neerslag in februari.

De veranderingen in het 30-jarig gemiddelde laten net als de frequentie van natte tot zeer natte maanden zien dat de winters langzaam natter aan het worden zijn. Dit is een proces dat al rond 1960 ingezet is, dus ruim voor de periode dat de temperatuur op aarde sterk begon te stijgen. De nattigheid in de winter draagt voor een belangrijk deel bij aan het natter worden van het jaar als geheel. Sinds in 1936, het eerste 30-jarig gemiddelde berekend kon worden, is het jaar als geheel in Nederland bijna 80 mm natter geworden (van 770 mm naar 850 mm). Daarvan komt ca 45% voor rekening van de winter, waarvan februeari dan de helft voor zijn rekening neemt en de andere 2 wintermaanden ieder een kwart. 

Ondanks dat we de laatste tijd het idee hebben dat de zomer steeds droger wordt, levert dit seizoen toch ook een bijdrage aan het natter worden van het jaar. Het gaat om een bescheiden 11%. Als we ook het voorjaar bekijken, dan vinden we daar nog eens 10% van de extra neerslag en bij de herfst is ca 35%. Alle seizoenen dragen dus bij aan het natter worden, maar de winter het meest.