U bent hier

Vanaf volgend weekend sterk stijgende waterstanden

De stroomgebieden bevinden zich al een week of twee in koudere lucht. Eerst was het nog droog, maar sinds de jaarwisseling is het een komen en gaan van winterse buien en heeft zich op veel plaatsen in het binnenland een sneeuwdek gevormd. De komende dagen groeit dit nog wat aan, maar vanaf vrijdag dringt zachtere lucht op en gaat er (veel) regen vallen. Voor de rivieren is dit een interessante situatie, want regen en smeltwater samen leveren vaak hoogwater op. Hoe groot de kans daar nu op is, leest u in het waterbericht.

In de rubriek Water Inzicht een terugblik op het hoogwater van 1926, dat in de Rijn het tot nu toe grootste hoogwater was sinds 1900 en bij de Maas een van de hoogste. Vandaag sta ik stil bij de weersomstandigheden die het hoogwater veroorzaakten en ga ik na in hoeverre dit vandaag de dag op vergelijkbare manier weer zou kunnen gebeuren.

Water van de Week

Later in de week begint een westelijke circulatie, die mogelijk veel regen kan gaan brengen.

Het hogedrukgebied dat vanaf begin december het weer in de stroomgebieden heeft bepaald, ligt nu ten westen van Ierland en heeft nog steeds invloed op het weer in de stroomgebieden. Toen het nog boven het continent lag, zorgde het langdurig voor droog weer, waardoor de waterstanden naar voor de tijd van het jaar erg lage niveaus zijn gezakt, maar nu het nabij Ierland ligt zorgt het voor een langgerekte noordelijke luchtstroming, waarmee Arctische lucht onze omgeving kan bereiken. Deze stroming wordt nog versterkt door lagedrukgebieden boven Scandinavië.

In de noordelijke stroming ontstaan boven het nog relatief warme zeewater talloze buien die het continent worden gevoerd. De buien hebben in het binnenland een sneeuwdek opgeleverd dat in het zuidoosten van Nederland al zo'n 10 tot 15 cm dik is. Dieper de stroomgebieden in, zijn de buien minder actief en is het sneeuwdek ook minder dik. Behalve hogerop in de Middelgebergten, want daar waar de lucht wordt opgestuwd neemt de activiteit van de buien weer wat toe. Hogerop in de Ardennen ligt daardoor nu een sneeuwdek van zo'n 20 cm dik en in het Sauerland zo’n 30 cm. Verder naar het zuiden in het Zwarte Woud en de Vogezen is het sneeuwdek weer wat minder dik met zo’n 10 tot 20 cm.

De komende dagen bevinden we ons nog In de koude lucht van noordelijke oorsprong en vallen er nog meer sneeuwbuien waardoor het sneeuwdek nog wat kan aangroeien, maar heel veel dikker wordt het nergens. Ondertussen verandert het luchtdrukpatroon op de Atlantische Oceaan; het hogedrukgebied trekt zich terug naar het zuiden, richting de Azoren,  waardoor de weg open komt te liggen voor lagedrukgebieden die over de Atlantische Oceaan van west naar oost gaan trekken. Zij voeren zachtere lucht en regen mee, die zich in de dagen daarna over het hele stroomgebied zal uitbreiden.

Donderdag stroomt de eerste portie zachte lucht met vrij veel regen uit over Frankrijk, het zuiden van België, Zuid- en Midden Duitsland en Zwitserland. Nederland ligt dan nog in de koude lucht, maar de dag daarna is ook Nederland aan de buurt. Vooral vrijdag wordt een interessante weerdag als een klein lagedrukgebied precies over Nederland lijkt te gaan trekken. Aan de noordkant van dit lagedrukgebied valt dus neerslag als sneeuw aan de zuidkant als regen.

Bij een wat zuidelijkere koers zou een groot deel van Nederland nog een extra pak sneeuw kunnen verwachten, maar bij een noordelijke koers is het overal meteen al regen. Voor de Maas en de Rijn maakt de koers niet zoveel uit, want de stroomgebieden liggen hoe dan ook in de warme sector van het lagedrukgebied. Dat betekent dat vrijdag de zachte lucht zich verder over de stroomgebieden uitbreidt en er een eerste hoeveelheid smelt- en regenwater beschikbaar komt voor de rivieren.

Zaterdag en zondag verlopen weer iets koeler, zodat de sneeuw boven de ca 300 m dan nog blijft liggen en misschien zelfs nog iets aangroeit, maar vanaf maandag 12 januari zet de dooi definitief in en ook in de rest van die week kan er dagelijks regen vallen. Dagen met uitschieters van 30 of 40 mm worden echter niet verwacht in deze periode. Uiteraard is deze verwachting nog met een slag om de arm, want met nog een week te gaan kunnen de verwachtingen uiteraard nog wel veranderen.

Rijn daalt nog tot ca 7,4 m NAP, vanaf komend weekend stijgend, mogelijk naar 10 m.

Het koude en droge weer In de tweede helft van december heeft de Rijn afvoer flink laten dalen tot iets meer dan 1.100 m3/s en een waterstand van nu 7,55 m NAP. Dat is erg weinig voor deze tijd van het jaar, want in de periode van 4 t/m 9 januari is het langjarig gemiddelde met bijna 3.000 m3/s juist op zijn hoogst. De neerslag die nu in het stroomgebied valt is vooral sneeuw en het levert rivier op dit moment nog geen extra water op; de waterstand de dalen daarom nog iets verder tot rond de 7,4 m NAP van aanstaande donderdag t/m zaterdag.  

Op zaterdag arriveert dan het eerste water van de dooiaanval die donderdag al het zuiden en midden van het stroomgebied bereikt. De stand gaat dan in korte tijd snel omhoog en op maandag 12 januari verwacht ik een stand rond de 9 m NAP en een afvoer van ca 2.000 m3/s. De stand blijft dan enkele dagen schommelen rond deze waarde, tot vanaf 15 januari een nieuwe golf water arriveert. Dit is het water afkomstig van de neerslag die vanaf 13 januari het stroomgebied bereikt.

Zover vooruit is nog onzeker hoeveel neerslag er precies gaat vallen en in combinatie met een portie smeltwater maakt het de waterverwachting nog complexer. Een eerste ruwe schatting is dat de stand tussen 15 en 20 januari kan stijgen naar tussen de 10 en 11 meter NAP en de afvoer tot tussen 2.750 en 3.500 m3/s. Dit is nog lang geen hoogwater, want daarover spreken we pas als de stand naar meer dan 13,5 m stijgt. Voorlopig lijkt het die kant ook niet op te gaan, of de neerslaghoeveelheden moeten in de komende weersverwachtingen toch nog sterk gaan stijgen. Als daar sprake van is, dan zal ik zo nu en dan een extra berichtje plaatsen op de website.

Maas tot vrijdag stabiel rond 100 m3/s, daarna snel stijgend naar ca 750 m3/s, later nog meer.

Het droge weer in de tweede helft van december heeft de Maasafvoer sterk laten dalen naar een voor de tijd van het jaar erg lage waard. Op dit moment stroomt bij Maastricht ongeveer 100 m3/s het land binnen, terwijl 4 januari gemiddeld genomen de dag is met de hoogste jaarafvoer (ca 575 m3/s). Deze week blijft de afvoer nog laag want de neerslag die er valt, valt als sneeuw en dat levert de Maas voorlopig nog geen water op.  Dat verandert op vrijdag wat we in eerste portie zachte lucht via Frankrijk vooral het zuiden van de Ardennen bereikt.

Er kan daar dan zo'n 15 tot 20 mm regen vallen en samen met smeltwater is dat voldoende om de Maas al In de nacht van donderdag op vrijdag te laten stijgen naar in afvoer tussen de 300 en 500 m3/s. Ook op vrijdag valt de regen maar dan zijn ook de noordelijke Ardennen aan de beurt en dan kan er nogmaals zo'n 10 tot 20 mm regen vallen. De afvoer kan dan verder stijgen tot tussen 750 en 1000 m3/s. Dat is ook bij de Maas nog lang geen hoogwater want daarvoor moet de afvoer stijgen tot boven de 1500 m3/s en daarvoor lijken de neerslaghoeveelheden voorlopig wat te klein.

De hoeveelheid neerslag die op donderdag en vrijdag valt is waarschijnlijk ook niet voldoende om alle sneeuw in de hogere delen van de Ardennen te laten smelten. Op zaterdag en zondag kan er zelfs nog weer een klein beetje sneeuw bijvallen als de koude lucht zich nog eenmaal tot over de Ardennen uitbreidt. Vanaf maandag wint de zachte lucht weer terrein en in de dagen daarna kan er ook zo nu en dan regen vallen waardoor er extra regen en smeltwater beschikbaar komt voor de Maas.

Hoeveel er precies gaat vallen is nu nog onduidelijk maar voorlopig lijken de neerslaghoeveelheden niet heel groot te zijn. Als dat zo blijft, dan zal de afvoer wel nog wat verder stijgen, maar is er geen groter hoogwater te verwachten en blijft het bij een afvoer rond de 1.000 m3/s, misschien stijgend tot 1.250 m3/s. Mochten de verwachtingen in de loop van de week wijzigen en er wel meer regen gaat vallen, dan zal ik een extra bericht maken.

Water Inzicht

Hoe het hoogwater van 1925/26 kon uitgroeien tot (een van) de grootste in onze rivieren.

Vandaag precies 100 jaar geleden werd in de Rijn de tot nu toe hoogste riviverafvoer gemeten sinds het begin van de metingen in 1901. En voor zover er betrouwbare metingen uit Duitsland zijn, was het waarschijnlijk ook de hoogste afvoer sinds ca 1825. Bij Lobith steeg de afvoer tot 12.280 m3/s, nog ca 400 m3/s meer dan het hoogwater van januari 1995 en ca. 1300 m3/s meer dan in 1993. De Maas bereikte al op 1 januari zijn hoogste afvoer van 3.000 m3/s. Dat is niet de hoogste afvoer die er gemeten is - de afvoer in 1993 was nog net iets hoger en in 2021 was de afvoer in het traject van Maastricht t/m Roermond hoger - maar de waterstanden die op de diverse meetstations langs de rivier werden gemeten waren wel overal de hoogste uit de meetreeks.

Ik ben op zoek gegaan naar de historische gegevens over het weer in de periode voorafgaand aan het hoogwater om een analyse te kunnen maken welke bijzondere omstandigheden er toen heersten. Dat kan ons ook wat leren over wat we in de toekomst kunnen verwachten, want nu de klimaatverandering voorlopig nog wel even doorzet, is het interessant om na te gaan wat dat betekent voor de omstandigheden die een hoogwater zoals in 1925/26 veroorzaakten.

Oktober 1925 was een vrij normale maand voor die tijd, met de gemiddelde hoeveelheid neerslag en een normale temperatuur. Begin november veranderde dat toen een lagedrukgebied vanaf de Atlantische Oceaan over het verenigd Koninkrijk naar Centraal-Europa trok. Op 3, 4 en 7 november trokken neerslaggebieden over die in de Middelgebergten 25 tot 30 mm regen brachten. Het tweede gebied bracht in het Zwarte Woud zelfs tot 50 mm. De temperaturen waren overal nog boven nul en de neerslag viel ook in de Middelgebergten als regen. Dit leverde in de Rijn een bescheiden stijging op tot een afvoer van ca 3.300 m3/s. De Maas steeg naar ca 1.000 m3/s. Geen uitzonderlijke situatie, maar de bodem in het stroomgebied was wel verzadigd geraakt.

Wat wel opviel was de situatie die hierop volgde. Nadat het lagedrukgebied naar het oosten was weggetrokken, draaide de wind naar het noordoosten en stroomde koudere lucht binnen. Nog weer enkele dagen later ontwikkelde zich een hogedrukgebied boven Scandinavië, waardoor de wind verder draaide naar het oosten en de temperatuur vanaf 12 november onder het vriespunt zakte. Zo'n plotselinge kou-inval na het wegtrekken van een lagedrukgebied gebeurt niet zo vaak, maar is ook weer niet heel bijzonder. In de Middelgebergten vroor het vanaf dat moment de hele dag en omdat de bodem niet bedekt was met sneeuw kon de vorst makkelijk in de nog verzadigde bodem dringen. Dit is mogelijk een van de oorzaken dat het hoogwater later zo hoog zou worden, omdat de bevroren bodem het infiltreren van water blokkeerde en er meer water over het oppervlak kon afstromen.

De weersituatie veranderde opnieuw vanaf 20 november toen het hogedrukgebied boven het noorden van Europa naar het westen schoof en een lagedrukgebied vanuit het noorden over Finland naar het zuiden trok. Dit laatste weersysteem voerde koude lucht mee en neerslag die als sneeuw viel. In de Middelgebergten (Ardennen, Sauerland, Zwarte Woud etc) vormde zich vanaf 25 november een sneeuwdek. Op 28 november volgde een nieuw lagedrukgebied vanuit het noorden en op 1 december nog een. Ze brachten nog wat meer sneeuw en het sneeuwdek groeide aan tot gemiddeld tussen de 10 en 20 cm in de lagere delen van het stroomgebied en hogerop in de Middelgebergten lag tot 50 cm.

Zo'n vervolg op een koudeperiode waarbij er vanuit het noorden sneeuw gaat vallen is wel bijzonder, het gebeurt tegenwoordig bijna nooit meer. Heel toevallig hebben we er precies nu wel mee te maken. In 1925 herstelde het hogedrukgebied zich in de dagen daarna en onder een heldere hemel vroor het tot 8 december ’s nachts streng, en overdag licht. Ondertussen waren de afvoeren in de rivieren tijdens het koude weer flink gedaald: de Rijnafvoer naar ca 1.200 m3/s en de Maasafvoer tot ca 200 m3/s. Maar niet voor lang, want vanaf 9 december begon de opmaat naar het grote hoogwater van rond de jaarwisseling.

Het hogedrukgebied vertrok nu definitief naar het oosten en vanaf de Atlantische Oceaan kwam een sterk lagedrukgebied dichterbij. De wind draaide daardoor naar het zuidwesten en vanaf ca 10 december kwam de temperatuur overal boven nul. Het lagedrukgebied trok daarna over de stroomgebieden naar het oosten, maar ondanks de nabijheid viel er niet heel veel regen. Het sneeuwdek slonk wel wat, maar verdween niet helemaal. Regen en smeltwater leverden een eerste bescheidden stijging op van de rivierafvoeren: de Maas naar 825 m3/s op 13/12 en de Rijn naar 2.650 m3/s op 16/12 (het eerste piekje in de grafiek).

SWeersituatie hoogwater 1925 en 26.jpg

Verloop van de afvoeren in de Rijn en de Maas in december 1925 en januari 1926. Tussen beide grafieken in een samenvatting van het weer in deze periode.
Verloop van de afvoeren in de Rijn en de Maas in december 1925 en januari 1926. Tussen beide grafieken in een samenvatting van het weer in deze periode.

In de bovenstaande figuur is tussen de grafieken van de beide afvoeren de weersituatie aangegeven in de stroomgebieden: de x-jes geven aan of er sneeuw lag in de lagere, gemiddelde een hogere delen van de Middelgebergten, de blauwe lijn daaronder de hoeveelheid neerslag in 3 klassen en de onderste lijn de temperatuur, waarbij blauw onder nul betekent, geel tot ca 7 graden en rood warmer dan 7 graden.

Na het passeren van het lagedrukgebied rond 10 december volgde vanaf de Atlantische Oceaan  een nieuw hogedrukgebied en boven de stroomgebieden draaide de wind weer naar het noorden en stroomde de koude lucht opnieuw uit over de stroomgebieden. Er viel wat sneeuw en het sneeuwdek groeide wat aan. Het hogedrukgebied hield niet lang stand en op 17 en 18 december verschoof het in oostelijke richting en draaide de wind weer naar het zuidwesten. Een nieuw krachtig lagedrukgebied naderde vanaf de Atlantische Oceaan en de kern hiervan trok op 20 en 21 december over de stroomgebieden. Er viel meer regen dan bij het voorgaande lagedrukgebied en van 18 t/m 22 december viel er dagelijks tot ca 10 mm regen.

De temperatuur steeg tot 10 graden en een groot deel van de sneeuw op de lagere en gemiddelde hoogten smolt weg. Dit leverde een eerste golf water op, die de Maas liet stijgen tot 1.250 m3/s op 23 dec en de Rijn tot 4.600 m3/s op 25 dec (de tweede piek in de grafiek). Achter het lagedrukgebied stroomde nog een keer wat koudere lucht over de stroomgebieden uit, er viel wat sneeuw en het sneeuwdek in de Middelgebergten groeide nogmaals wat aan, maar werd niet zo dik als in de weken daarvoor. Toch was het juist dit sneeuwdek dat samen met de volgende regenval voor het extreem hoge water zou zorgen.

Vanaf de 25eontwikkelde zich een sterke westelijke circulatie waarin verschillende lagedrukgebieden met neerslag werden meegevoerd. Tegenwoordig noemen we dat een atmosferische rivier, een snelle luchtstroming, die in rap tempo regengebieden vanaf de Oceaan naar het continent voert. Vanaf 26 t/m 31 december viel er dagelijks veel regen. In totaal viel in de laatste week van het jaar op veel plaatsen rond de 100 mm regen, maar in de Middelgebergten liep dat op tot 150 mm en in de hogere delen van de Vogezen en het Zwarte Woud werd zelfs meer dan 200 mm gemeten.

De eerste dagen viel de regen in het hele stroomgebied, vanaf de 28e schoof de neerslagzone meer naar het noorden en kwamen Zwitserland en Zuid-Duitsland er al min of meer buiten te liggen en vanaf 1 januari werd het overal minder nat. Pas vanaf 3 januari kwam er een einde aan de reeks van lagedrukgebieden toen het Azoren-hogedrukgebied zich wat verder naar het noorden uitstrekte. Samen met het smeltwater van de nog resterende sneeuw leverde de vele neerslag een enorme hoeveelheid water op voor de rivieren. De afvoer van de Maas ging het eerst omhoog en steeg dagelijks met ca 500 m3/s tot op 1 januari de hoogste afvoer werd bereikt. Bij de Rijn arriveerde het eerste extra water vanaf de 29e en steeg de afvoer in de 5 dagen daarna met vele duizenden m3/s per dag tot een hoogste afvoer op 4 januari van 12.280 m3/s.

Analyse van de hoogwatergolf in de Rijn

Van de Rijn zijn van veel meetstation al redelijk betrouwbare afvoermetingen bekend (zie figuur), wat het mogelijk maakt om de opbouw van de hoogwatergolf te volgen. Als we de Rijn van zuid naar noord volgen, dan vallen hierbij de volgende zaken op. De afvoer bij Basel bedroeg 2.000 m3/s, wat niet zeer veel is; de afgelopen jaren is die waarde regelmatig bereikt. Verder stroomafwaarts bij Worms liep de afvoer op tot 4.000 m3/s, wat ook betrekkelijk weinig is voor een extreme situatie.

Scherm­afbeelding 2026-01-04 om 17.08.25.png

Afvoerverloop in de Rijn tijdens het hoogwater van 1925/26 bij enkele meetsattions in Duitsland.
Afvoerverloop in de Rijn tijdens het hoogwater van 1925/26 bij enkele meetsattions in Duitsland.

Het is een afvoer die gemiddeld eens in de 3 jaar voorkomt, en ook de afvoer vanuit de Main was niet uitzonderlijk met een waarde die gemiddeld eens in de ca 5 jaar voorkomt. Deze afvoeren laten zien dat de hoeveelheid water die vanuit het Zuiden van Duitsland en de Alpen werd aangevoerd niet heel bijzonder was. Bij Kaub was de Rijnafvoer opgelopen tot ca 6.000 m3/s. Dit water is daar grotendeels afkomstig uit de Bovenrijn (ca 4.000 m3/s), de Main en enkele kleinere zijrivieren. 6.000 m3/s is bij Kaub echter nog geen heel uitzonderlijke waarde en is daar ook in meer recente tijd vaker bereikt of overschreden.

De meest extreme afvoeren vinden we dan ook in het stroomafwaartse traject van de Rijn: zo voerde de Moezel ca 4.000 m3/s aan en moeten ook andere zijrivieren die in Midden Duitsland in de Rijn uitmonden erg veel water hebben aangevoerd. Ook speelde hier mee dat het in dit deel van het stroomgebied langer bleef regenen, zodat de hoogste pieken vanuit de zijrivieren in dit traject, vrijwel samenvielen met de hoogste piek vanuit Zuid-Duitsland. Gewoonlijk schuiven regenzones van noord naar zuid over en komt de piek vanuit bv de Moezel eerder in de Rijn aan, dan dat de piek vanuit Zuid-Duitsland daar arriveert.

Door het samenvallen van de pieken kon de afvoer bij Keulen oplopen tot iets meer dan 11.000 m3/s, de hoogste afvoer daar ooit opgetekend. Verder stroomafwaarts hadden ook de Ruhr en de Lippe een heel hoge afvoer, waarvan de piek van de laatste ook nog precies samenviel met die in de Rijn, zodat de afvoer tussen Keulen en Nederland nog eens met ca 1.250 m3/s kon oplopen, wat zeer veel is. Bij veel hoogwaters zakt de afvoer vanaf Keulen zelfs wat in, omdat er veel water in de uiterwaarden stroomt, waardoor de piek wat in omvang afneemt. In 1925-26 was de toestroom vanuit de zijrivieren nog zo groot dat dat de afvoer juist nog sterk kon toenemen.

Samengevat zien we dat het Rijnhoogwater vooral bijzonder was door de combinatie van vrij veel smeltwater, die tot afstroom kwam tijdens een periode met extreem veel regen. Ook het neerslagpatroon speelde een belangrijke rol, doordat het in het noorden langer bleef regenen, konden benedenstrooms de pieken vanuit de Midden Duitse zijrivieren precies samenvallen met die vanuit de Bovenrijn, zodat de golf niet wat inzakte, maar juist nog extra aangroeide.De vraag is of een situatie zoals in 1925/26 zich nu ook nog voor zou kunnen doen.

Kan een hoogwater zoals in 1925/26 nog steeds gebeuren.

Als we het weer en het afvoerverloop van de Rijn in 1925/26 samenvatten en vergelijken met de situatie nu het klimaat is opgewarmd, dan zien we de volgende overeenkomsten en verschillen:

  1. Een afwisseling van hoge- en lagedrukgebieden die voor een afwisseling van nattere en droge perioden zorgen in de aanloop naar een hoogwatergolf. Dit is nu nog steeds een vaak voorkomende situatie, zo hadden we er in de afgelopen maanden oktober en november nog mee te maken. Het leverde in de Rijn enkele kleine golfjes op van ca 3.000 m3/s, net zoals in november 1925.
  2. Een langere droge periode agv een standvastig hogedrukgebied met dalende rivierafvoeren. Ook dit komt vandaag de dag nog vaak voor en op dit moment hebben we er ook mee te maken. En ook ander hoogwatergolven, zoals in 1993 werden voorafgegaan door relatief lage afvoeren. In 1925 was het tijdens deze periode meteen vrij koud, waardoor de verzadigde bodem kon bevriezen. Dit jaar was het in november ook vrij koud, maar de kans daarop is tegenwoordig wel veel kleiner omdat de temperaturen agv klimaatverandering gemiddeld zo’n 2 tot 3 graden hoger zijn. Begin december was het dit jaar ook erg warm, zodat dit jaar wat dat betreft zich alvast anders ontwikkelt dan 1925.
  3. Een sneeuwdek dat zich eind november al vormt wanneer de neerslag in een noordelijke stroming in sneeuw overgaat. Dit is een belangrijk ingrediënt voor een hoogwater, vooral omdat een sneeuwdek aan het begin van de winter nog nergens heel dik is. Er is dan kans op een uitgestrekt sneeuwdek dat overal bv tussen de 20 en 50 cm dik is. Voor een hoogwater is dat de ‘ideale’ uitgangssituatie, want dat is de dikte die tijdens een natte periode binnen enkele dagen met neerslag weg kan smelten. Later in de winter nemen de verschillen in de dikte van het sneeuwdek tussen de hogere delen van het stroomgebied en de dalen vaak toe. Een sneeuwdek van 50 cm of dikker smelt dan niet meer zomaar weg en daarbij fungeert de sneeuw dan ook nog eens als een spons die een deel van het regenwater vasthoudt. Dit is de reden dat aan het begin van de winter de kans op een hoogwater gemiddeld groter is dan later in de winter, ook al ligt er dan vaak meer sneeuw. Dit fenomeen, van een nog niet al te dik sneeuwdek in een groot deel van het stroomgebied aan het begin van de winter, is tegenwoordig veel zeldzamer dan vroeger, omdat de temperatuur tegenwoordig vaak te hoog is voor sneeuw. En als er sneeuw valt, dan is dat nog maar heel zelden in een groot deel van het stroomgebied en gebeurt het bv alleen boven de 300 of 400 m. Toevallig hebben we op dit moment ook met zo’n situatie te maken en dat maakt dat er ook nu kans is op een hoogwater. Of dat ook een groot hoogwater wordt is nog niet duidelijk omdat daarvoor aan nog meer voorwaarden moet worden voldaan.
  4. Een krachtige westelijke circulatie die in een week tijd een reeks aan lagedrukgebieden aanvoert. Dit was in 1925 de trigger die het grote hoogwater opwekte. Ook tegenwoordig komen deze weersituaties, de zgn. atmosferische rivieren, regelmatig voor en zijn ze de belangrijkste oorzaak van hoogwaters. Vanwege de warmere Atlantische Oceaan voeren deze weersystemen tegenwoordig ook meer water aan dan vroeger. Eenzelfde situatie als in 1925 zou tegenwoordig misschien wel 10 tot 15% meer vocht meevoeren. Het is de belangrijkste reden dat we verwachten dat hoogwaters in de toekomst nog groter kunnen worden dan we in het verleden hebben meegemaakt. Ook de komende week zou zich vanaf 10 januari een westelijke stroming kunnen instellen en de duur en intensiteit daarvan gaat bepalen hoe hoog het hoogwater gaat worden dat zich na het volgend weekend gaat ontwikkelen.

Samengevat zien we dat veel van de oorzaken van een hoogwater zoals in 1925/26 tegenwoordig nog steeds aan de orde zijn. De westelijke circulatie is nog bijna iedere winter wel een paar weken actief en de hoeveelheid vocht in de lucht is zelfs toegenomen, waardoor er meer regen kan vallen. De andere componenten die belangrijk zijn voor een hoogwater zoals een bevroren bodem en een wijd verbreid niet al te dik sneeuwdek, zijn tegenwoordig echter veel zeldzamer. En het is juist de combinatie die voor de grootste hoogwaters zorgt en misschien is dit ook wel de reden dat grote hoogwaters de laatste 25 jaar niet zo vaak meer zijn opgetreden als in het verleden. Tenslotte is er nog het al dan niet samenvallen van de golven vanuit de verschillende zijrivieren. Dit is niet echt veranderd, want de banen die de neerslaggebieden volgen zijn namelijk niet heel anders dan vroeger en dat laatste regengebieden weer een meer noordelijke koers volgen kan ook in de toekomst nog steeds gebeuren.